Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/6.5.1.1
6.5.1.1 Examinering onder het Organiek Besluit 1815 en de Hoger onderwijswet 1876
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949324:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Koninklijk Besluit van 2 augustus 1815, no. 14 (gepubliceerd als bijvoegstel tot de Nederlandsche Staats-Courant van 12 oktober 1815, nrs. 242 & 243).
Stb. 1876, 102.
Artikel 105 van het Organiek Besluit 1815 en artikel van het Academisch Statuut 1877.
Artikel 264 van het Organiek Besluit 1815 en artikel 87 van de Hoger onderwijswet 1876.
Verpaalen, p. 13-14.
Handelingen II 1875/76, 18, p. 1356.
Handelingen II 1875/76, 18, p. 1355.
Artikel 11 van het Academisch Statuut 1877.
Artikel 11 van het Academisch Statuut 1877.
Artikel 107 van het Organiek Besluit 1815.
Artikelen 15 en 16 van het Academisch Statuut 1877.
Handelingen II 1875/76, 18, p. 1337-1338.
Artikel 16 van het Academisch Statuut 1877.
Zie de artikelen 114-126 van het Organiek Besluit 1815 en artikelen 91-98 van de Hoger onderwijswet 1876.
Donner 1987, p. 32.
Donner 1987, p. 33.
De Ranitz 1938, p. 83.
Artikel 2 van het Organiek Besluit 1815.
De Ru 1953, p. 8.
Het hoger onderwijs werd in Nederland vanaf 1815 geregeld bij koninklijk besluit dat ook wel het Organiek Besluit 1815 wordt genoemd.1 In 1876 is het Organiek Besluit 1815 vervangen door de Hoger onderwijswet 1876.2 Zowel het Organiek besluit 1815 als de Hoger onderwijswet 1876 bevatten uitgebreide voorschriften over het onderwijs en de examens.3 Zo werd door de wetgever bepaald in welke vakken de universiteit moest onderwijzen en in welke vakken de student geëxamineerd moest worden om in aanmerking te komen voor bijvoorbeeld een doctorsgraad. De student diende eerst het kandidaats- ofwel doctoraalexamen af te leggen waarna hij kon promoveren om in aanmerking te komen voor een doctorsgraad.4 De examens werden in beginsel mondeling en in het openbaar afgenomen.5 Dit betekende dat elke student afzonderlijk geëxamineerd werd. De taal waarin de student werd geëxamineerd was onder het Organiek Besluit 1815 Latijn. Na inwerkingtreding van de Hoger onderwijswet 1876 werden de examens in beginsel in het Nederlands afgenomen.
Het recht om examens af te nemen – het zogenaamde ius examinandi – kwam toe aan de faculteiten.6 Bij de behandeling van de Hoger Onderwijswet 1876 verduidelijkte minister Heemskerk wat bedoeld werd met de regel dat de faculteit het examen afnam.7 Dit hield niet in dat alle hoogleraren van de faculteit gezamenlijk het examen van elke student moesten afnemen.8 In het reglement van de faculteit kon bepaald worden hoeveel hoogleraren minstens het examen zouden afnemen. Er werd dan een quorum gevormd bestaande uit hoogleraren die een bepaald examen zouden afnemen. Dit quorum van hoogleraren oordeelde over het examen namens de faculteit als totaliteit.9 Het quorum zou namens de faculteit bij het afnemen van het examen als rechtbank in zitting oordelen over de mérites van de student. Uiteindelijk werd het quorum bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld op ten minste drie hoogleraren.10 Over de uitslag van het examen werd bij meerderheid van stemmen van de aanwezige hoogleraren beslist.11 Bij staking van de stemmen zakte de student.
Om te promoveren en de graad doctor te verkrijgen moest de student tot 1876 een specimen inaugurale, ofwel een proefschrift, schrijven en verdedigen.12 Als het proefschrift van de student werd goedgekeurd en hij dit met succes had verdedigd, verkreeg hij de graad Doctor. Na inwerkingtreding van de Hogeronderwijswet in 1876 bestond de promotie doorgaans uit de verdediging van een proefschrift met stellingen.13 Tijdens de Kamerbehandeling van het wetsontwerp van de Hoger onderwijswet is door verschillende Kamerleden gepleit voor het afschaffen van het verplichte proefschrift.14 Volgens hen liet de kwaliteit van de proefschriften te wensen over, zou niet elke student in staat zijn een proefschrift te schrijven en zouden studenten in de praktijk hun proefschrift zelfs door anderen laten schrijven. Voor het verkrijgen van bepaalde doctoraten kon daarom in het vervolg volstaan worden met het verdedigen van 24 stellingen.15 Dit was onder andere het geval bij de verkrijging van het doctoraat in de regtswetenschap.
Aan de graad doctor werd civiel effect bestaande uit rechtsgevolg toegekend; zo kreeg de doctor in de regtsgeleerdheid bijvoorbeeld de bevoegdheid zich als advocaat in te schrijven.16 Donner schrijft dat door aan de academische graden civiel effect te verbinden, de wetgever de opleidingsbevoegdheid van de universiteiten handhaafde.17 Ook bevestigde dit dat alleen een goede wetenschappelijke opleiding een gedegen uitoefening van de betreffende ambten zou kunnen waarborgen. De kwaliteit van de opleidingen bepaalde zijns inziens de kwaliteit van bijvoorbeeld het Staatsbestuur. Aanvankelijk werd de eis van een wetenschappelijke opleiding alleen gesteld voor de benoeming in het kader van openbare functies. De taakopvatting van de overheid wijzigde later, waarna voor meer beroepen een academische opleiding werd geëist.18
Door het civiel effect kwam aan het ius examinandi een bijzonder gewicht toe in het geval van de promotie en het vervolgens verstrekken van de doctorsgraad aan de student.19 Het recht van een universiteit om een doctoraat te verlenen waaraan civiel effect was verbonden werd ook wel het ius promovendi cum effectu civili genoemd. Dit recht werd op grond van het Organiek Besluit 1815 enkel toegekend aan de Rijksuniversiteiten, oftewel de openbare universiteiten. Het Organiek Besluit 1815 maakte daarnaast het oprichten van bijzondere universiteiten desalniettemin mogelijk. Het geven van hoger onderwijs was vrij.20 Deze vrijheid was echter beperkt.21 De bijzondere universiteiten kregen niet het ius promovendi cum effectu civili. Ook kon het onderwijs aan een bijzondere universiteit niet meetellen voor het verplichte onderwijs dat een student gevolgd moest hebben, alvorens hij een examen aan een openbare universiteit mocht afleggen. Hierdoor bleef de student in de praktijk aangewezen op de openbare universiteiten.