Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/6.5.1.5
6.5.1.5 Van faculteit naar examencommissie en examinator
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949642:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 31 van het Academisch Statuut (Koninklijk Besluit van 11 september 1963, Stb. 1963, 380).
Artikel 189 van het Academisch Statuut (Koninklijk Besluit van 11 september 1963, Stb. 1963, 380).
Stb. 1981, 137.
Kamerstukken II 1978/79, 15 515, nrs. 1-2. Zie verder over de Commissie Polak onder andere: B. Olivier, “Gewubd en gewogen, Een niet doordacht voorontwerp tot wijziging van de WUB”, AA 1979, nr. 5, p. 246 e.v.
Zie hierover: M.J. Cohen, “Geen controle op de samenstelling van de vaste commissies voor de examens”, AA 1980, nr. 6, p. 352.
Artikel 11 van de Wet universitaire bestuurshervorming (Stb. 1981, 137).
Artikel 11, vijfde lid, van de Wet universitaire bestuurshervorming (Stb. 1981, 137).
Artikel 11, tweede lid, van de Wet universitaire bestuurshervorming (Stb. 1981, 137).
Stb. 1992, 593.
Artikel 33, zevende lid, van de Wet op het hoger beroepsonderwijs (Stb. 1986, 289).
Kamerstukken II 1988/89, 21 073, nr. 3, p. 81-82.
Het examen werd onder de Hoger onderwijswet 1876 afgenomen door een quorom van hoogleraren namens de faculteit als totaliteit. In de Wwo werd dit quorum van hoogleraren vervangen door een examencommissie bestaande uit ten minste drie leden.1 Formeel nam deze examencommissie namens de faculteit het examen af. In de examencommissie konden niet alleen hoogleraren zitting nemen maar ook lectoren, wetenschappelijk medewerkers en derden behorende tot een andere hogeschool of universiteit.2 In de Wet op de twee-fasen structuur 3 werd – op advies van de commissie Polak4 – de positie van deze examencommissie gewijzigd.5 Een vaste commissie voor de examens kreeg in het vervolg een organiserende en coördinerende taak ten aanzien van de examens.6 Deze vaste commissie bestond uit alle hoogleraren, lectoren en wetenschappelijk medewerkers in vaste dienst die in de betreffende studierichting waren belast met de verzorging van het onderwijs ter voorbereiding op het afleggen van het examen. De vaste commissie voor de examens kon regels stellen met betrekking tot de goede gang van zaken tijdens de examens.7 Deze commissie was niet bevoegd om zelf de examens af te nemen. Deze bevoegdheid kwam toe aan de examencommissies die de vaste commissie voor de examens uit haar leden diende te vormen.8 Deze examencommissies konden voor het afnemen van de tentamens weer afzonderlijke examinatoren aanstellen. De examinator diende lid te zijn van de betreffende examencommissie.
In 1992 werd de WWO vervangen door de Whw.9 Met de Whw werden het wetenschappelijk onderwijs en het hoger beroepsonderwijs ondergebracht in één wet. De rijksgedelegeerden en de rijksgecommitteerden die in het verleden in het hoger beroepsonderwijs tentamens konden bijwonen en afnemen keerden niet terug in de Whw.10 Een dergelijk figuur zou volgens de wetgever niet passen in de onderwijs- en examenstructuur van de Whw.11 De overheid diende geen invloed uit te kunnen oefenen op de inhoud van het examen en de tentamens. De vaste commissie voor de examens keerde onder de Whw eveneens niet terug. De examencommissie kwam wel terug. De examencommissie zoals geregeld in de Whw was in tegenstelling tot onder de Wwo niet bevoegd om zelf tentamens af te nemen. De examencommissie diende voor het afnemen van de tentamens examinatoren aan te wijzen.12