Het budgetrecht van het Nederlandse parlement
Einde inhoudsopgave
Het budgetrecht van het Nederlandse parlement 2017/3.3.5.4:3.3.5.4 Recht op inlichtingen
Het budgetrecht van het Nederlandse parlement 2017/3.3.5.4
3.3.5.4 Recht op inlichtingen
Documentgegevens:
mr. M. Diamant, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. M. Diamant
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie Van der Pot/Elzinga e.a. 2014, p. 787 met bijbehorende literatuurverwijzingen.
Bovend’Eert & Kummeling 2010, p. 276.
Artikel 133 RvO II en artikel 139 RvO I.
Artikel 134 en 135 RvO II en artikel 140 RvO I.
Artikel 136 RvO II.
Uitoefening van het materiële budgetrecht is dan ook gestoeld op artikel 68 Grondwet (zie paragraaf 3.4).
Zie verder hoofdstuk 5.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De politieke ministeriële verantwoordelijkheid vindt haar uitwerking in artikel 68 Grondwet: het recht op inlichtingen1 – het zogenoemde passieve inlichtingenrecht. De verantwoordingsplicht houdt primair het beantwoorden van vragen van de Kamers in.2 Volgens artikel 68 Grondwet dienen de ministers en de staatssecretarissen de Kamers elke afzonderlijk en in verenigde vergadering mondeling of schriftelijk de door een of meer leden verlangde inlichtingen te geven waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang van de Staat. Via dit artikel probeert het parlement inlichtingen te krijgen van de regering. Onder dit recht valt het recht van interpellatie3 en het vragenrecht – schriftelijk4 en mondeling. Het mondelinge vragenrecht geldt alleen voor de Tweede Kamer.5
Het recht op inlichtingen ligt aan de basis van het budgetrecht. Zonder (begrotings)informatie kan het parlement ten slotte geen beslissing of afweging maken over het beleid en de daarmee gepaard gaande kosten.6 In het bijzonder is dit recht van belang in het kader van het budgetrecht omdat het parlement voor een groot deel afhankelijk is van de regering voor informatie over de begroting en omdat de regering, met name gelet op de huidige ontwikkelingen in te licht van het Europees economische bestuur, een steeds dominantere rol speelt bij de vaststelling van de begroting.7