Einde inhoudsopgave
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/4.6
4.6 Binding overheidsuitlatingen in het licht van de rechtsmachtverdeling
N. van Triet, datum 23-12-2022
- Datum
23-12-2022
- Auteur
N. van Triet
- JCDI
JCDI:ADS685351:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
De rechtsbeschermingspositie van de overheid als contractspartij die rechtsbescherming zoekt omdat bijvoorbeeld een projectontwikkelaar zich niet aan de gemaakte afspraken houdt, valt buiten de reikwijdte van dit onderzoek.
Hoofdstuk 6.
Zie bijv. ABRvS 8 september 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AQ9924, AB 2004/458; ABRvS 18 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1327 en ABRvS 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:113, rov. 5.3.
Zie bijv. ABRvS 18 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:109, BR 2017/29; ABRvS 26 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:674, rov. 6.1 en ABRvS 29 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1372, AB 2015/384, m.nt. P.J. Huisman, waarin hij ook wijst op ABRvS 27 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9520, AB 2013/346; ABRvS 6 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ0796, AB 2013/210; ABRvS 19 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:986; ABRvS 26 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1052 en ABRvS 2 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2416. Zie hierover Doornhof, Janssen & Moeskert 2016 en Sluysmans & Van Triet 2019.
Zie bijv. ABRvS 8 september 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AQ9924, AB 2004/458. Het is mogelijk dat een bevoegdhedenovereenkomst wordt vernietigd wegens bijvoorbeeld het ontbreken van een volmacht of een ongeoorloofd beding. Omdat die vernietigingen in de praktijk vrijwel niet voorkomen, vallen zij buiten de reikwijdte van dit onderzoek. Ik merk slechts op dat indien een bestemmingsplanovereenkomst nietig, ongeldig of vernietigd is, de rechtsgrond aan de daarin opgenomen verplichtingen vervalt. De nietigheid van de onderliggende overeenkomst verandert echter niets aan de op grond daarvan genomen besluiten, Huisman 2012, p. 435-438.
Anders: Scheltema & Scheltema 2013, p. 209-213 die menen dat het privaatrecht niet van toepassing is op bevoegdhedenovereenkomsten en de binding van een overheid aan een bevoegdhedenovereenkomst voortvloeit uit het publiekrecht en niet het privaatrecht. Zie ook M.W. Scheltema 2006, p. 131.
Zie par. 5.5 en hoofdstuk 8.
Snijders 2016, p. 58. Dit is vooral in het ordeningsrecht het geval. Zie bijv. Kortmann 2018, p. 139-142; ABRvS 26 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:674, rov. 6.1; ABRvS 29 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1372, AB 2015/384 en ABRvS 18 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:109, BR 2017/29.
De Sterke 1989, merkt onder 5 die op dat voorop staat dat de overheid haar toezeggingen moet honoreren. Van die prima facie binding aan toezeggingen is overigens niet altijd sprake geweest: Van der Burg 1969, p. 18-20 over het ambtenarenrecht en p. 13-18 voor de civiele jurisprudentie. Wanneer en hoe een overheid gebonden zou moeten worden, wordt niet geheel duidelijk, zie onder meer: M. Scheltema 1975, p. 35; Menu 1994, p. 100-141 en Ackermans-Wijn 1990b.
Zie par 3.3 en HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1957, NJ 2022/236, AB 2022/134 (Toezegging aanleg brug), rov. 3.2.1.
HR 25 januari 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG4950, NJ 1985/559 (Patelski/Sittard).
Maar in mijn optiek ten onrechte slechts beperkt, zie par. 6.2 en hoofdstuk 11.
Vgl. Huisman & Van Ommeren 2014. Die vraag beantwoord ik in par. 5.3.
In de civiele rechtspraak wordt al lang erkend dat ook ‘buiten het geval van uitdrukkelijke toezeggingen’ bij een betrokkene vertrouwen kan worden gewekt. Zie bijv. HR 16 juni 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0818, NJ 1990/214, rov. 3.3.
Par. 3.5 en HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW0219, NJ 2012/340 (’s-Hertogenbosch/Van Zoggel), rov. 3.5.1..
Voor bevoegdhedenovereenkomsten geldt dat de wederpartij van de overheid die meent dat het uit hoofde van de overeenkomst genomen besluit niet beantwoordt aan de gemaakte afspraken, dat besluit als zodanig slechts kan aanvechten in de bestuursrechtelijke kolom.1 Bij de bestuursrechter staat (de rechtmatigheid van) het appellabele besluit centraal en speelt de overeenkomst en het daarmee gewekte vertrouwen ‘slechts’ een rol in de belangenafweging of de vertrouwenwekkende uitlating voldoende is om tot vernietiging van een besluit te leiden.2
In de op de overeenkomst volgende besluitvorming moet een bestuursorgaan zich expliciet rekenschap geven van de wijze waarop het de bevoegdhedenovereenkomst heeft betrokken in zijn besluit.3 Een bevoegdhedenovereenkomst is dus slechts een van de belangen die een bestuursorgaan moet meewegen en heeft geen doorslaggevende betekenis voor de uitkomst van een daarop volgende besluitvormingsprocedure.4 Indien een bestuursorgaan de bevoegdhedenovereenkomst niet expliciet heeft meegewogen of daaraan een te gering gewicht heeft toegekend, kan de bestuursrechter om die reden het besluit vernietigen op grond van een schending van het vertrouwensbeginsel, zorgvuldigheidsbeginsel of het motiveringsbeginsel.5
Aan een rechtsgeldige bevoegdhedenovereenkomst is een overheid ‘gewoon’ in privaatrechtelijke zin gebonden.6 Dit betekent dat bij niet-nakoming van die overeenkomst een teleurgestelde wederpartij een vordering kan instellen. Indien een besluit is genomen dat niet beantwoordt aan de aan de overeenkomst ontleende verwachtingen van een burger, zal hij menen dat de overheid de overeenkomst niet is nagekomen. Nakoming van publiekrechtelijke besluitvorming kan niet bij de civiele rechter worden gevorderd, maar er bestaan wel mogelijkheden tot het instellen van een vordering tot schadevergoeding op grond van wanprestatie.7
Gelet op de belangen die in het bestuursrecht spelen naast honorering van door toezeggingen gewekt vertrouwen, komt het bij de bestuursrechter vaak voor dat honorering van een toezegging niet kan worden afgedwongen. Een geschil ziet niet alleen op de relatie tussen een overheid en belanghebbende, maar ook derden kunnen een belang hebben bij de besluitvorming. In het bestuursrecht gelden besluitvormingsprocedures die juist mede zien op bescherming van die derden. Bestuursorganen kunnen die procedures niet ‘ontwijken’ door het doen van een toezegging.8 Desalniettemin geldt als uitgangspunt dat de overheid haar toezeggingen niet beschaamt.9
Dat toezeggingen worden nagekomen, geldt evenzeer – en zelfs nog sterker – als uitgangspunt in het civiele recht.10 Bij de civiele rechter kan die nakoming – indien de toezegging niet ziet op of samenhangt met publiekrechtelijke besluitvorming – worden afgedwongen. Het bindende karakter van toezeggingen maakt dat indien een overheid haar toezegging niet nakomt, zij in ieder geval schadeplichtig is voor de daardoor geleden schade.11
Indien een bestuursorgaan in het kader van besluitvorming inlichtingen heeft gegeven die achteraf onjuist of onvolledig blijken te zijn, kan een belanghebbende die inlichtingen aan de orde stellen als hij rechtsmiddelen tegen het besluit aanwendt. Belanghebbende zal dan – net als bij toezeggingen – betogen dat het besluit, gelet op de eerder door het bestuursorgaan verstrekte informatie, in strijd met het vertrouwensbeginsel is genomen. De eventuele onjuistheid of onvolledigheid van informatie kan al (deels) worden betrokken bij de toetsing van het besluit aan bijvoorbeeld het vertrouwensbeginsel door de bestuursrechter.12 De vraag rijst dan in hoeverre daarna of los daarvan een vordering uit onrechtmatige daad bij de civiele rechter mogelijk is.13
Civielrechtelijk geldt dat het verschaffen van onjuiste of onvolledige inlichtingen onder omstandigheden een schending van de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm oplevert.14 Het gaat er dan kort gezegd om of de burger door de inlichtingen ‘op het verkeerde been is gezet’ omdat hij ‘erop heeft mogen vertrouwen dat hem juiste en volledige inlichtingen met een bepaalde inhoud werden gegeven’ en daarom zijn handelen op die informatie mocht afstemmen.15