Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/4.23
4.23 Bedrijfswaarde en geldswaarde
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS344306:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
Vergelijk HR 5 juni 1996, nr. 30 314, met conclusie A-G Loeb, met noot van G.J. van Leijenhorst. Het betreft hier een aanslag onroerende-zaakbelasting van de gemeente Amsterdam aangaande de Nieuwe Kerk aldaar, een beschermd historisch monument. Volgens de Hoge Raad is het enige nut dat het gebouw voor de erfpachtster oplevert, dat het blijft voortbestaan als een monumentaal gebouw. Ons hoogste rechtscollege overweegt: 'Dat nut kan niet in een geldswaarde (cursivering GM) worden uitgedrukt.'
HR 17 mei 1944, B. 7868.
Het begrip geldswaarde kan alleen na een terugblik in de geschiedenis worden begrepen. Onder geldswaarde werd in het verleden niet de objectieve ruilwaarde verstaan, maar de waarde die het object had voor de bezitter als bestanddeel van diens vermogen. De geldswaarde kan dan ook hoger zijn dan de objectieve ruilwaarde. Zo is bijvoorbeeld in de Successiewet 1956 en de Wet op de vermogensbelasting 1964 het begrip 'geldswaarde' vervangen door het objectievere begrip 'waarde in het economische verkeer'. Vanaf het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 en het Besluit op de Vennootschapsbelasting 1942 speelt het begrip 'geldswaarde' voor de inkomsten- en vennootschapsbelasting geen rol meer 1.
Jurisprudentie waarin een verband gelegd wordt tussen de begrippen 'geldswaarde' en 'bedrijfswaarde' is schaars. Toch komt de Hoge Raad op 17 mei 19442 voor het volgende probleem te staan: In het kader van de heffing van de winstbelasting 1940 moet de bedrijfswaarde van een bibliotheek per 1-1-1940 worden vastgesteld, die evenwel in 1940 door de Duitse overheid in beslag genomen is. De Hoge Raad oordeelt dat voor de bepaling van de bedrijfswaarde per 1-1-1940 niet beslissend is, of de bibliotheek voor belanghebbende in de uitoefening van haar bedrijf enig voordeel kan opleveren (vruchten kan afwerpen), doch wel of zij voor haar waarde heeft als vermogensbestanddeel, hetgeen reeds dan het geval moet zijn, indien de bibliotheek een zekere geldswaarde vertegenwoordigt, doordat zij verhandelbaar is tegen een daarvoor te bedingen prijs. In casu gebruikt de Hoge Raad het begrip 'geldswaarde' meer in de betekenis van 'objectieve ruilwaarde' en wordt de bedrijfswaarde kennelijk daaraan gelijk gesteld.