Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/13.3.5.1.3
13.3.5.1.3 Verzuimboetes
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940399:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 13.3.2.
In dezelfde zin: Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening bij Hof ’s-Hertogenbosch 2 maart 2022, V-N 2022/26.15.
Zie paragraaf 13.3.3.2.
HR 8 april 2022, BNB 2022/68, V-N 2022/17.10, r.o. 3.2.
Zie paragraaf 9.3.2.2.1
Aldus ook Hof Amsterdam 20 april 2023, V-N 2023/38.19, r.o. 5.2. Ook andere feitenrechters lijken hiervan uit te gaan, zie bijvoorbeeld Rb Zeeland-West-Brabant 14 juni 2022, V-N 2022/37.18.36, r.o. 3.9. In deze zin – voorzichtig – ook de Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening bij HR 3 februari 2023, V-N 2023/9.18 (specifiek ten aanzien van de aanmaning, zie paragraaf 13.3.5.1.4 hierna).
In deze zin ook Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening bij Hof Amsterdam 20 april 2023, V-N 2023/38.19.
HR 3 februari 2023, V-N 2023/8.13, BNB 2023/48, r.o. 4.3.2.
Zie paragraaf 9.3.2.2.
Voor wat betreft de Nederlandse verzuimboetes moet het uitgangspunt dat het bewijs van de centrale stellingen ‘beyond reasonable doubt’ moet worden geleverd, op grond van de jurisprudentie van het EHRM mogelijk worden gerelativeerd.1 Het arrest Lucky Dev zou namelijk kunnen betekenen dat voor het bewijs van deze (schuldneutrale) boetes de lichte gradatie van aannemelijk maken voldoende is. Naar mijn mening is dat echter een academische kwestie geworden, aangezien de Hoge Raad in het arrest van 8 april 2022 geen onderscheid maakte tussen verzuimboetes en vergrijpboetes. Uit dat arrest leid ik af, dat de inspecteur ook bij verzuimboetes alle bestanddelen van het beboetbare feit ‘beyond reasonable doubt’ moet bewijzen.2
Het Hofoordeel dat de Hoge Raad in het arrest van 8 april 2022 ambtshalve casseerde, had betrekking op een vergrijpboete, meer in het bijzonder op het bewijs van het bestanddeel voorwaardelijk opzet. De Hoge Raad motiveerde zijn oordeel echter in algemene bewoordingen, waaruit volgt dat dit oordeel niet alleen geldt voor alle bestanddelen van het beboetbare feit,3 maar ook voor alle beboetbare feiten. De Hoge Raad overwoog dat [cursivering van mij] ‘de aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan.’4 Ook bij de juridische onderbouwing van dit oordeel gebruikte de Hoge Raad deze algemene termen. Die onderbouwing vond de Hoge Raad in de waarborgen die voortvloeien uit de onschuldpresumptie van art. 6 lid 2 EVRM. Die waarborgen gelden net zo goed voor verzuimboetes als voor vergrijpboetes.5 Vanuit dat perspectief bezien, geldt naar mijn mening evenzeer dat de Hoge Raad duidelijk heeft willen maken dat de inspecteur ook bij een verzuimboete alle bestanddelen van het beboetbare feit ‘beyond reasonable doubt’ moet bewijzen.6 Verder merk ik op dat de Hoge Raad in het arrest van 8 april 2022 op geen enkele manier een voorbehoud heeft gemaakt ten aanzien van verzuimboetes.7 Als de Hoge Raad dat had gewild, had het voor de hand gelegen om dat uitdrukkelijk te doen. Ten slotte is van belang dat de Hoge Raad in 2023 uitdrukkelijk heeft bevestigd dat (ook) het kale beboetbare feit buiten redelijke twijfel moet worden bewezen.8 Hoewel het ook in dat arrest een vergrijpboete betrof, geeft de formulering van de betreffende rechtsoverweging geen aanleiding om te veronderstellen dat de Hoge Raad voor verzuimboetes tot een ander oordeel zou komen.
De conclusie is dat de Hoge Raad op het punt van de vereiste bewijsgradatie mogelijk strenger is dan het EHRM als het gaat om verzuimboetes. Uiteraard ontmoet het geen bezwaar dat de Hoge Raad van de inspecteur vraagt om het bewijs van het begaan van een verzuim naar een zwaardere gradatie te leveren dan strikt genomen op grond van art. 6 EVRM is vereist. Dat kan alleen maar in het voordeel van de boeteling zijn.
Ook bij verzuimboetes moeten alle bestanddelen van het beboetbare feit dus ‘beyond reasonable doubt’ worden bewezen. Eerder heb ik verdedigd dat bij verzuimboetes altijd het impliciete element ‘ten minste enige mate van verwijtbaarheid’ moet worden ingelezen in de delictsomschrijving.9 In mijn opvatting moet de inspecteur dus de aanwezigheid van ‘ten minste enige mate van verwijtbaarheid’ bewijzen. Uit het voorgaande volgt dat de inspecteur dat bovendien ‘beyond reasonable doubt’ moet doen. In paragraaf 13.4.1 kom ik hierop terug.