Einde inhoudsopgave
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/9.6.1
9.6.1 Het relativiteitsvereiste bij onjuiste informatieverstrekking
N. van Triet, datum 23-12-2022
- Datum
23-12-2022
- Auteur
N. van Triet
- JCDI
JCDI:ADS685358:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 616 en HR 2 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1564, NJ 1995/288 (Poot/ABP), rov. 3.4.3. Zie ook Asser/Sieburgh 6-IV 2019/135.
Hof ’s-Hertogenbosch 17 april 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BW2969, rov. 4.4.6: “Beweerde onjuiste informatieverschaffing kan evenwel onrechtmatig zijn, ook jegens [appellant]. De Gemeente dient immers bedacht te zijn op het belang dat [appellant] heeft bij juiste informatieverschaffing door de Gemeente aan Sligro B.V.” Het ontbreken van voorzienbaarheid kan ook reeds aan het aannemen van onrechtmatigheid in de weg staan, Jansen 2019 onder 4 met verwijzing naar bodemverontreinigingsjurisprudentie van de Hoge Raad, HR 30 september 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1460, NJ 1996/196 (Staat/Shell), rov. 3.8.4.
Rb. Noord-Holland 3 februari 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:964, rov. 4.4 en Hof Arnhem-Leeuwarden 15 januari 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:BY8426, rov. 27, waar het hof tot het oordeel komt dat ten opzichte van bepaalde personen niet aan het relativiteitsvereiste was voldaan.
Vgl. HR 22 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7040, NJ 2011/6, AB 2012/382 voor de overschrijding van de wettelijke beslistermijn. Gelet op de omstandigheden van het geval was de overschrijding van die termijn in strijd met de zorgvuldigheid die de gemeente in acht moest nemen en strekte de geschonden norm mede tot bescherming tegen de geleden schade (rov. 3.4.3).
HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3073, NJ 2014/509 (Staat/Fabricom II). Zie over deze zaak par. 5.3.
HR 11 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7579, NJ 2013/47, AB 2014/15 (Overschrijding beslistermijn), rov. 3.11 en HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1454, NJ 2016/326, AB 2017/4 (Graansma/Noordoostpolder), rov. 3.4.2.
Hof Den Haag 8 september 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1629, rov. 5.2.
Hof ’s-Hertogenbosch 7 april 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:1213, rov. 6.20.
Hof Arnhem-Leeuwarden 25 september 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:8554, rov. 2.14.
Zoals volgt uit het toetsingskader van paragraaf 9.3, vindt de beoordeling van de onrechtmatigheid plaats aan de hand van alle omstandigheden van het geval en is het aannemen van een schending van de zorgvuldigheidsnorm toegespitst op een concrete situatie. Het personele bereik van de toepasselijke zorgvuldigheidsnorm – in dit geval een op de overheid rustende waarheidsplicht die zij schendt – wordt immers geformuleerd met de belangen en eigenschappen van beide partijen in het achterhoofd. De in een concreet geval geformuleerde zorgvuldigheidsnorm strekt dan naar haar aard slechts tot bescherming van het belang van de persoon ten opzichte van wie die waarheidsplicht van de overheid bestaat.1 Bij constatering van een schending van die norm, is dan aan de personele relativiteit voldaan.
Hoe eerder de schade (in dit onderzoek: vermogensschade) een voorzienbaar gevolg is van de normschending, hoe eerder de horde van artikel 6:163 BW zal kunnen worden genomen.2 Mee kan spelen aan wie of ten behoeve van wie de informatie is verstrekt,3 de reikwijdte van een eventuele vraagstelling en de formulering van een eventuele vraagstelling. Bij concrete inlichtingen zal een vordering niet stranden op het relativiteitsvereiste indien de inlichtingen als onrechtmatig moeten worden aangemerkt. Daar komen immers al die aspecten reeds aan de orde.4
Het tweede Fabricom-arrest is een van de weinige arresten over overheidsaansprakelijkheid wegens onjuiste informatieverstrekking waarin de relativiteit expliciet aan de orde komt. 5 De Hoge Raad overweegt in die zaak dat het feit dat Fabricom niet gerechtigd was zelf een subsidieaanvraag te doen (en dus niet de formele subsidieaanvrager was), niet maakte dat de Staat geen rekening hoefde te houden met haar belangen, nu hij op de hoogte was van het belang van Fabricom bij de subsidie.
Voor zover informatieverstrekking samenhangt met besluitvorming, is het dus niet zo dat slechts bestuursrechtelijke belanghebbenden bij het besluit een vordering tot overheidsaansprakelijkheid wegens onjuiste informatieverstrekking kunnen instellen.
In het besluitenaansprakelijkheidsrecht is aangenomen dat onder omstandigheden de overheid bij besluitvorming ook rekening moet houden met belangen van niet-belanghebbenden voor zover die kenbaar zijn voor een bestuursorgaan, namelijk wanneer het gaat om belangen die ‘in zodanige mate betrokken zijn bij een besluit, dat het bestuursorgaan jegens deze derden – afhankelijk van de verdere omstandigheden van het geval – in strijd kan handelen met de in het maatschappelijk verkeer in acht te nemen zorgvuldigheid door die normen niet in acht te nemen’.6 Het criterium van ‘in zodanige mate betrokken zijn bij’ kan mijns inziens ook opgaan bij het vaststellen van de relativiteitsnorm van bescherming tegen onjuiste informatieverstrekking, zoals blijkt uit het Fabricom-arrest.
Ten aanzien van het bereik van de door de Staat in acht te nemen zorgvuldigheidsnorm overweegt de Hoge Raad:
“3.5 Met zijn hierop voortbouwende oordeel dat de mededelingen van het Agentschap SZW op zijn website mede waren gericht tot Fabricom als de partij wier belangen bij de subsidie primair betrokken waren, heeft het hof kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat de Staat door het doen van die mededelingen jegens (ook) Fabricom een zorgvuldigheidsnorm heeft kunnen schenden. Dit oordeel vindt voldoende steun in hetgeen het hof vervolgens overweegt, te weten dat de Staat de mededelingen op een openbaar toegankelijke website had geplaatst en dat de Staat in verband met een door hemzelf teweeggebracht onderscheid erop bedacht diende te zijn dat achter de formele aanvrager partijen zoals Fabricom stonden. (…)”
Uit bovenstaande overweging volgt hoe nauw de verschillende onderdelen van het relativiteitsvereiste bij een schending van een waarheidsplicht met elkaar samenhangen. Van belang is of de overheid op de hoogte had moeten zijn van de belangen van de benadeelde op het moment van informatieverstrekking. Indien het personele bereik van de in acht te nemen norm is geformuleerd, komt de voorzienbare schade als gevolg van een schending van die norm voor vergoeding in aanmerking.
De relativiteitsnorm moet impliciet in de drie casus van dit hoofdstuk worden ingelezen en komt niet met zoveel woorden aan de orde.
In de casus van de afgebrande woning overweegt het hof dat de gemeente de plicht heeft geschonden om juiste informatie te verstrekken.7 Nu sprake was van gerichte inlichtingen naar aanleiding van een concrete vraag, kan gezegd worden dat op de overheid in die zaak de plicht rustte om juiste informatie te verstrekken.
Inzake de niet verplaatste coffeeshop overweegt het hof dat nu sprake is van onjuiste inlichtingen, appellant op het verkeerde been is gezet. ‘De slotsom is dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellant] en aansprakelijk [is] voor de schade die hij hierdoor heeft geleden.’8
Voor het misgelopen appartementengebouw geldt dat daarin geen nadere aandacht wordt besteed aan de strekking van de door de gemeente geschonden norm. Nu de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld, komt de als gevolg daarvan geleden schade voor vergoeding in aanmerking. Wel wordt aandacht besteed aan de kennis die bij de gemeente bestond over het financieel belang van appellant. 9