Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/17.6
17.6 Ratio van de plicht om advies van onafhankelijke deskundige in te winnen
prof. mr. drs. B. van Ravels, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
prof. mr. drs. B. van Ravels
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Overeenkomstig art. 3:2 Awb. M. Schreuder-Vlasblom, Rechtsbescherming en bestuurlijke voorprocedure, Deventer: Kluwer 2017, par. 4.2.3.2 ; K.J. de Graaf & A.T. Marseille, ʻOver onafhankelijk en deskundig voorbereide overheidsbesluitenʼ, in: H.B. Krans e.a. (red.), De deskundige in het recht, Zutphen: Paris 2011, p. 21.
Onder meer ABRvS 26 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:51; ABRvS 26 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:37; ABRvS 3 oktober 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB4693.
Van ten hoogste € 500 (art. 4:128 Awb na in werking treden van titel 4.5 Awb, en thans reeds op grond van art. 6.4, leden 1 en 2, van de Wet ruimtelijke ordening)
Overzichtsuitspraak planschade: ABRvS 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582 onder 6.4- 6.6.
Vgl. D.A. Lubach, ‘Advisering inzake nadeelcompensatie; wisselwerking tussen adviescommissie, bestuur en verzoeker’, in: Franssen e.a. (red.) 2014 , p. 73-74; D.A. Lubach, ‘Advisory committees on damage compensation in zoning and infrastructural planning. A quest for independence’, in: S. Comtois & K.J. de Graaf (red.), On judicial and quasi judicial independence, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2013, p. 195-203.
Zie M.K.G. Tjepkema & L. van der Velden (red.), Handleiding nadeelcompensatie bij infrastructurele werken, Den Haag: Ministerie van BZK 2018, p. 12: ʻminder kostenʼ is een van de doelstellingen van deze handleiding.
Overzichtsuitspraak planschade: ABRvS 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582 onder 8.3.
B.P.M. van Ravels, ʻDeskundigenadvisering bij nadeelcompensatie en tegemoetkoming in planschadeʼ, O&A 2015/88.
Aangenomen wordt dat het inschakelen van een deskundige soms nodig is ten behoeve van de zorgvuldige voorbereiding van een besluit.1 Indien daarvoor specifieke deskundigheid nodig is waarover het bestuursorgaan zelf niet beschikt zal externe deskundigheid moeten worden ingeschakeld.
Verplichte advisering door een onafhankelijk deskundige wordt echter niet enkel nodig geacht uit oogpunt van een zorgvuldige voorbereiding van een beslissing op een aanvraag om nadeelcompensatie of tegemoetkoming in planschade. Redengevend zijn ook ʻde belangen van verzoeker hierbijʼ.2 Het ligt in de rede te veronderstellen dat het in het belang van verzoeker wordt geacht dat hij zonder kosten,3 of tegen betrekkelijk lage kosten,4 toegang heeft tot een ʻlaagdrempeligeʼ procedure door middel van indiening van een aanvraag waarvoor geen verplichte rechtsbijstand nodig is. In deze procedure wordt vervolgens, voor rekening van het bestuursorgaan, een onafhankelijke deskundige ingeschakeld die het bestuursorgaan adviseert over de op de aanvraag te nemen beslissing. Het vereiste van een onafhankelijke en onpartijdige deskundige strekt er mede toe te voorkomen dat, ten nadele van verzoeker, een situatie ontstaat die vergelijkbaar is met die waarin de slager zijn eigen vlees keurt. De adviseur mag daarom geen persoonlijk belang hebben bij de op de aanvraag te nemen beslissing; hij moet onbevangen zijn. In diens advies beschrijft en ordent de adviseur de relevante feiten en beoordeelt hij of aan verschillende criteria voor toekenning van nadeelcompensatie is voldaan. Dat is niet zelden een complexe beoordeling. Ook taxeert de deskundige de eventuele schade. Vervolgens wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld zijn gemotiveerde standpunt over het advies te geven, voordat het bestuursorgaan een beslissing op de aanvraag neemt. Het advies biedt de aanvrager, ook wanneer hij of die het er niet (geheel) mee eens is, goede mogelijkheden om zijn positie te bepalen en keuzes te maken. Het advies kan er aan bijdragen dat het verschil in kennis en middelen tussen de aanvrager en het bestuur in nadeelcompensatiekwesties in belangrijke mate gecompenseerd wordt.
Dat het inschakelen van een onafhankelijke deskundige mede in het belang van de aanvrager geschiedt, ligt ook besloten in de rechtspraak betreffende de vergoeding van de kosten van deskundige bijstand. In het nadeelcompensatierecht wordt er in het algemeen van uitgegaan dat indien compensatie wordt toegekend, aan de aanvrager, op diens verzoek, de kosten van rechtsbijstand en andere deskundige bijstand vergoed, voor zover die kosten redelijkerwijs zijn gemaakt. In de regel komen de kosten die de aanvrager met betrekking tot de indiening van de aanvraag heeft gemaakt niet voor vergoeding in aanmerking, omdat de aanvrager kan weten dat het bestuursorgaan gehouden is advies te vragen aan een onafhankelijke deskundige en het in de hiervoor vermelde zin niet redelijk is, zonder dat advies af te wachten, een eigen adviseur in te schakelen. Kosten die de aanvrager heeft gemaakt vanaf het moment dat de door het bestuursorgaan ingeschakelde deskundige een conceptadvies dan wel advies over de aanvraag aan het bestuursorgaan heeft uitgebracht tot het moment dat het bestuursorgaan op de aanvraag een besluit heeft genomen waartegen rechtsmiddelen kunnen worden ingesteld, kunnen voor vergoeding in aanmerking komen, indien het inroepen van bijstand redelijk was en de kosten van het opstellen van een zienswijze redelijk zijn.5
Inschakeling van een onafhankelijke deskundige door het bestuursorgaan, voordat het een standpunt inneemt over de eigen schadevergoedingsverplichting, kan ook een effectieve bijdrage leveren aan een spoedige beëindiging van de rechtsstrijd waarin bestuur en burger tegenover elkaar staan, zonder dat een beroep hoeft te worden gedaan op de rechter.6 Het behoeft weinig toelichting dat dit ook met het oog op de beheersing van de (transactie-)kosten van belang is.7
In de nadeelcompensatierechtspraak wordt er van uitgegaan dat indien in een advies van een door een bestuursorgaan benoemde onafhankelijke en onpartijdige deskundige op objectieve wijze verslag is gedaan van het door deze deskundige verrichte onderzoek en daarin op inzichtelijke wijze is aangegeven welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, dat het bestuursorgaan bij het nemen van een besluit op een verzoek om tegemoetkoming in planschade van dat advies mag uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan naar voren zijn gebracht.8 Vanzelfsprekend is het, mede in het licht van de eisen van onpartijdigheid en onafhankelijkheid die in artikel 6 EVRM worden gesteld aan de rechter, bij hantering van deze jurisprudentie van groot belang dat de eisen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid serieus worden genomen.9