Einde inhoudsopgave
Onafhankelijkheid van de rechter (SteR nr. 3) 2011/3.5.6
3.5.6 Ondergeschiktheid ten opzichte van andere rechters
mr. dr. P.M. van den Eijnden, datum 01-10-2010
- Datum
01-10-2010
- Auteur
mr. dr. P.M. van den Eijnden
- JCDI
JCDI:ADS494931:1
- Vakgebied(en)
Juridische beroepen / Rechter
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Ettl e.a., ECRM 3 juli 1985, § 99, tweede alinea (annex bij EHRM 23 april 1987, Serie A, 117).
Ettl e.a., EHRM 23 april 1987, Serie A, 117, § 39.
Zie Opinion No. 1 (2001) On standards concerning the independence of the judiciary and the irremovability of judges, § 64-70 (independence within the judiciary); B. van Liedorp, ‘Rechters in de Raad van Europa’, Trema 2010, p. 113.
Venetiëcommissie, Report on the independence of the judicial system part I: The independence of judges, adopted at its 82nd plenary session (12-13 maart 2010), study no. 494 / 2008, CDL-AD(2010)004, § 72-73.
Opinion on the draft law on the judiciary and the draft law on the status of judges of Ukraine, CDL-AD(2007)003; CDL-INF(2000)5 under the heading ‘establishment of a strictly hierarchical system of courts’.
Het is denkbaar dat rechters intern ondergeschikt zijn, dat wil zeggen dat individuele rechters binnen één rechterlijke instantie (kamer) onderling in een hiërarchische relatie staan. In Straatsburg zijn geen situaties aan de orde gesteld waarin het gaat over rechters die in die hoedanigheid in een hiërarchische relatie tot elkaar staan. Wel is in enkele zaken kritisch gesproken over leden van een rechterlijke instantie die in een andere (administratieve) functie in een hiërarchische relatie tot elkaar staan en de weerslag daarvan op de rechterlijke functieuitoefening. Zo heeft de Commissie zich kritisch uitgelaten over de onafhankelijkheid van lekenrechters (ambtenaren van dezelfde afdeling in de deelregering) in Ettl e.a. op dit punt:
‘It is unacceptable that a relationship of hierarchical subordination should exist be-tween the individual members of a tribunal. Even if it is limited to matters outside the competence of this tribunal, it cannot be excluded that the hierarchical structure will influence also the behaviour within the tribunal.’1
Het Hof gaat echter niet mee in deze conclusie:
‘Given the situation in law and in fact as found in the present case, the hierarchical links which existed in other contexts between civil servants from the same division are of no consequence from the point of view of Article 6 either.’2
Niettemin zou men hier a-contrario uit kunnen afleiden dat, indien er hiërarchische relaties bestaan tussen rechters onderling in de context van de rechterlijke functie, dit wel in strijd zou zijn met artikel 6 EVRM. Of het Hof zelf ook die mening is toegedaan, is evenwel niet met zekerheid te zeggen. De CCJE, een rechterlijk adviesorgaan van het Comité van Ministers van de Raad van Europa, heeft in een opinie wel expliciet gesteld dat individuele rechters bij het berechten van zaken niet alleen vrij moeten zijn van (ongeoorloofde) externe beïnvloeding, maar evenzeer van (ongeoorloofde) interne beïnvloeding in de eigen hiërarchie.3 Recent is dat standpunt ook gehuldigd door de Venetiëcommissie in het eerste deel van haar advies over rechterlijke onafhankelijkheid:
‘The Venice Commission underlines that the principle of internal judicial independence means that the independence of each individual judge is incompatible with a relationship of subordination of judges in their judicial decision-making activity. As already noted, the issue of internal independence arises not only between judges of the lower and of the higher courts but also between the president or presidium of a court and the other judges of the same court as well as among its judges.’4
Daarbij haalde de commissie een eerder uitgebracht advies ten aanzien van de Oekraïense Grondwet aan.5