Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/3.5
3.5 Eenmansbestuur: geen disculpatie behoudens belet of ontstentenis
mr. W.A. Westenbroek, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. W.A. Westenbroek
- JCDI
JCDI:ADS347319:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook: Assink & Slagter 2013, Compendium Ondernemingsrecht, p. 220 die kort gezegd schrijven dat wanneer bij een eenhoofdig bestuur onbehoorlijk bestuur wordt vastgesteld, niet aan de disculpatievraag wordt toegekomen.
Zie ook: Rb. Amsterdam 17 maart 2010, JOR 2011/38 m.nt. W.J.M. van Andel (Univac), r.o. 4.3: “Aangetekend zij in dit verband dat Univac in de betreffende periode de enige statutair bestuurder was, zodat de disculpatiemogelijkheid van artikel 2:9 BW niet aan de orde is”.
Het begrip ‘belet’ heeft niet een vastomlijnde wettelijke betekenis in de zin dat de wetgever uitputtend heeft omschreven wanneer sprake is van belet. Zie ook: Kamerstukken II 2006/07, 31 058, nr. 3 (MvT), p. 95: “Het begrip «belet» laat daarentegen wel ruimte voor onduidelijkheid.” Om die reden is goed te betogen dat in het geval dat een bestuurder wordt overstemd of hem een rad voor de ogen wordt gedraaid door medebestuurders, gesproken zou kunnen worden van ‘belet’ aan de zijde van deze bestuurder althans van omstandigheden die vergelijkbaar zijn met een situatie van belet. Belet zorgt er echter niet voor dat de bestuurder niet meer formeel deel uitmaakt van het bestuursorgaan, maar dus wel materieel.
Lennarts 2015, T&C Boek 2 BW, art. 2:244 lid 4 BW, aant. 4. Zie voorts: Kamerstukken II 2006/07, 31 058, nr. 3 (MvT), p. 94-95.
Bij een eenmansbestuur vormt verblijf in het buitenland mijns inziens per definitie geen belet. Als enig bestuurder heeft hij immers de taak om ook dan ervoor te zorgen dat de taken van het bestuur behoorlijk worden vervuld (nog daargelaten het feit dat met alle mogelijke communicatiemiddelen van het hedendaagse tijdperk sowieso de vraag kan worden gesteld in hoeverre vakantie/verblijf in het buitenland bij een meerhoofdig bestuur daadwerkelijk een grond voor belet kan vormen). Het neerleggen van de functie door een bestuurder die tevens enig aandeelhouder is zonder dat hij heeft voorzien in opvolging zal naar mijn mening de bestuurder voorts bezwaarlijk kunnen ontslaan van aansprakelijkheid als gevolg van onbehoorlijke taakvervulling in de periode dat de rechtspersoon ‘bestuurloos’ is. In geval van faillissement zou dat in ieder geval leiden tot misbruik als bedoeld in art. 2:138/248 BW in welk geval de enig aandeelhouder/voormalig bestuurder als feitelijk beleidsbepaler in de zin van lid 7 van die bepaling aansprakelijk zal kunnen zijn.
Een logische consequentie van de systematiek van art. 2:9 BW en de daarin opgenomen cumulatieve eis voor het doen van een geslaagd beroep op het disculpatieverweer is dat, wanneer eenmaal onbehoorlijke taakvervulling is vastgesteld, de enige bestuurder van een rechtspersoon zich per definitie niet kan disculperen.1 Hij kan namelijk nooit aantonen dat de onbehoorlijke taak- vervulling niet zag op zijn taken en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van de onbehoorlijke taakvervulling af te wenden.2 Dit is mijns inziens slechts anders indien – net zoals bij een meerhoofdig bestuur, waarover hierna in par. 3.6.4 meer – sprake is van belet aan de zijde van deze bestuurder in de periode dat de onbehoorlijke taakvervulling is ontstaan én dit belet voortduurt gedurende de periode dat deze bestuurder maatregelen had kunnen nemen om de gevolgen van de onbehoorlijke taakvervulling te voorkomen. Door belet maakt de bestuurder namelijk de facto (niet de iure)3 tijdelijk geen deel uit van het bestuursorgaan en dat vormt een belangrijk disculpatieverweer. Van belet is sprake in geval een bestuurder tijdelijk zijn functie niet mag uitoefenen (zoals bij schorsing van de bestuurder) of kan uitoefenen (zoals bij langdurige ziekte of verblijf in het buitenland). Van ontstentenis is sprake als een vacature ontstaat in het bestuur (bijvoorbeeld door ontslag, het neerleggen van de functie of overlijden).4 In dat geval maakt de bestuurder ook de iure geen deel meer uit van het bestuur. Belet of ontstentenis kan in een situatie van een eenmansbestuur naar mijn mening alleen maar het gevolg zijn van overmacht, zoals plotselinge ziekte, overlijden of enige andere oorzaak die ook in het verbintenissenrecht ex art. 6:75 BW als overmacht zou kwalificeren (zie par. 3.8 hierna).5