Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/4.5.3.0
4.5.3.0 Introductie
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
EHRM (GK) 15 december 2011, nrs. 26766/05 en 22228/06, EHRC 2012/56, m.nt. Spronken (Al-Khawaja & Tahery t. Verenigd Koninkrijk), § 120-152.
In zedenzaken lijkt het Hof zich wat soepeler op te stellen en minder snel een inbreuk op het recht op een eerlijk proces aan te nemen in geval de verdachte niet de gelegenheid heeft gehad het slachtoffer te ondervragen.
Aan het gebruik van verklaringen van anonieme getuigen stelde het Hof in ieder geval tot voor kort zwaardere eisen dan aan de verklaringen van niet-anonieme getuigen, in de zin dat een veroordeling niet uitsluitend of in beslissende mate op anonieme getuigenverklaring mag berusten (ongeacht of zij door de verdediging waren gehoord). In de zaak Ellis, Simms & Martin t. Verenigd Koninkrijk (EHRM 10 april 2012, nrs. 46099/06, 46699/06, EHRC 2012/182, m.nt. Spronken) is het Hof hier op teruggekomen en heeft het Hof het beoordelingsmodel uit Al-Khawaja en Tahery van toepassing verklaard op anonieme getuigen, waardoor compensatie ook mogelijk is indien het bewijs uitsluitend of in beslissende mate op anonieme verklaringen berust (zie met name § 78). Dit betekent een verlaging van de standaard waaronder anonieme getuigenverklaringen mogen worden gebruikt. De vraag is evenwel of het EHRM de lat ook inderdaad lager zal leggen in de toekomst. Vgl. De Wilde 2012, p. 179.
Er wordt van de verdediging de nodige activiteit verwacht in het effectueren van haar ondervragingsrecht. Het feit dat de verdediging steken heeft laten vallen, is echter geen doorslaggevende factor in de beoordeling van de eerlijkheid van het proces (EHRM 19 februari 2013, nr. 61800/08, EHRC 2013/105, m.nt. Dubelaar (Gani t. Spanje), § 44).
Zie onder meer EHRM 17 juli 2001, nrs. 29900/96, 29901/96, 29902/96 en 29903/96 (Sadak e.a. t. Turkije), § 67 en EHRM 24 april 2012, nr. 1413/05 (Damir Sibgatullin t. Rusland), § 56.
Om het bereik van het ondervragingsrecht zoals neergelegd in artikel 6 lid 3 sub d EVRM te kunnen bepalen, moet worden gekeken onder welke omstandigheden een inbreuk op het ondervragingsrecht leidt tot het aannemen van een schending van het recht op een eerlijk proces. Het Hof toetst in dit verband aan een drietal vragen.
Bestond er een goede reden voor het onthouden van het ondervragingsrecht en daarmee het toelaten van de – niet via het ondervragingsrecht getoetste –getuigenverklaring voor het bewijs?
Berustte de veroordeling uitsluitend of in beslissende mate op de desbetreffende getuigenverklaringen?
Waren er voldoende compenserende factoren, waaronder sterke procedurele waarborgen, om de eerlijkheid van het proces als geheel te kunnen waarborgen?
Deze vragen zijn ontleend aan de overwegingen van het Hof in de zaak Al- Khawaja en Tahery tegen het Verenigd Koninkrijk,1 waarin het Hof zijn beoordelingsmodel uitdrukkelijk heeft uiteengezet. De vragen of criteria die het Hof in dit arrest hanteert, zijn ook in oudere jurisprudentie terug te vinden, maar de invulling en volgorde van toetsing verschilt. In het navolgende wordt meer in detail ingegaan op het beoordelingsmodel en de wijze waarop het Hof daar invulling aan geeft. Bij de beantwoording van de drie vragen speelt een aantal factoren een rol, te weten: de aard van de zaak (zeden of gewoon),2 het soort getuige (anoniem, afwezig, verschoningsgerechtigd),3 de opstelling van de verdediging gedurende het verloop van het strafproces4 en de inspanning die de overheid heeft geleverd om effectuering van het ondervragingsrecht mogelijk te maken.5