Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/4.5.3.1
4.5.3.1 Reden voor beperking ondervragingsrecht
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. EHRM 7 augustus 1996, nr. 19874/92 (Ferrantelli en Santangelo t. Italië), § 52 en EHRM 5 december 2002, nr. 34896/97 (Craxi t. Italië), § 86 en EHRM (GK) 15 december 2011, nrs. 26766/05 en 22228/06, EHRC 2012/56, m.nt. Spronken (Al-Khawaja & Tahery t. Verenigd Koninkrijk).
EHRM 28 augustus 1992, nr. 13161/87 (Artner t. Oostenrijk).
EHRM (GK) 15 december 2011, nrs. 26766/05 en 22228/06, EHRC 2012/56, m.nt. Spronken (Al-Khawaja & Tahery t. Verenigd Koninkrijk), § 122-124.
Zie bijv. EHRM 26 april 1991, nr. 12398/86, NJ 1993, 710 (Asch t. Oostenrijk).
EHRM 19 februari 2013, nr. 61800/08, EHRC 2013/105, m.nt. Dubelaar (Gani t. Spanje), § 45.
Het Hof hanteert in de jurisprudentie die is gevolgd op Al-Khawaja & Tahery echter soms ook een andere volgorde van toetsing, waarin de vraag naar het gewicht vooraf gaat aan de vraag of de inperking op het ondervragingsrecht noodzakelijk was. Zie EHRM 24 april 2012, nr. 1413/05 (Damir Sibgatullin t. Rusland); EHRM 17 april 2012, nr. 37981/06, 38022/06, 39122/06 en 44278/06 (Sarkizov e.a. t. Bulgarije ) en EHRM 19 februari 2013, nr. 61800/08, «EHRC» 2013/105, m.nt. Dubelaar (Gani t. Spanje).
EHRM (GK) 15 december 2011, nrs. 26766/05 en 22228/06, EHRC 2012/56, m.nt. Spronken (Al-Khawaja & Tahery t. Verenigd Koninkrijk), § 120-152.
EHRM (GK) 15 december 2011, nrs. 26766/05 en 22228/06, EHRC 2012/56, m.nt. Spronken (Al-Khawaja & Tahery t. Verenigd Koninkrijk), § 120 en EHRM 2 oktober 2012, EHRC 2012/226 (Mitkus t. Litouwen), § 101.
Het Hof overweegt in dit verband : ‘ as a general rule witnesses should give evidence during the trial and that all reasonable efforts will be made to secure their attendance. Thus, when witnesses do not attend to give live evidence, there is a duty to enquire whether that absence is justified.’ EHRM (GK) 15 december 2011, nrs. 26766/05 en 22228/06, EHRC 2012/56, m.nt. Spronken (Al-Khawaja & Tahery t. Verenigd Koninkrijk), § 120.
Dit kan bijv. worden afgeleid uit de zaak Damir Sibgatullin t. Rusland, waar het ging om elf getuigen uit Oezbekistan die – omuiteenlopende redenen – geen van allen ter terechtzitting waren gehoord. Het Hof constateerde eerst dat de verklaringen het enige directe en objectieve bewijsmateriaal vormden voor de schuld van de verdachte om vervolgens te constateren dat de beslissing om de getuigen niet te horen niet sufficiently convinging was. EHRM 24 april 2012, nr. 1413/05.
Zie ook De Wilde 2013, p. 170.
Zo blijkt onder meer uit de zaak Vidgen t. Nederland, EHRM 10 juli 2012, nr. 29353/06, NJ 2012, 649 (m.nt. Schalken), «EHRC» 2012/179.
De eerste stap in het beoordelingsmodel is dat het Hof toetst of er een goede reden bestond voor het beperken van het ondervragingsrecht en daarmee het toelaten van de schriftelijke verklaring. Als goede reden voor afwezigheid op het onderzoek ter terechtzitting kan onder meer worden genoemd: het overlijden van de getuige,1 de onvindbaarheid van de getuige2 en de vrees voor represailles van de zijde van de verdachte mits daartoe objectieve gronden bestaan en die gronden worden ondersteund door bewijsmateriaal.3 Ook een beroep op het verschoningsrecht4 en de gezondheid of de mentale conditie van de getuige kunnen onder omstandigheden een inbreuk op het ondervragingsrecht rechtvaardigen.5
De vraag naar de reden voor het toelaten van de verklaring afkomstig van een niet door de verdediging gehoorde getuige, gaat vooraf aan de vraag naar het gewicht van de verklaring in de constructie. Het Hof spreekt in dit verband van een preliminaire vraag.6
‘The requirement that there be a good reason for admitting the evidence of an absent witness is a preliminary question which must be examined before any consideration is given as to whether that evidence was sole or decisive. Even where the evidence of an absent witness has not been sole or decisive, the Court has still found a violation of Article 6 §§ 1 and 3(d) when no good reason has been shown for the failure to have the witness examined (…).’7
Heeft een goede reden voor beperking van het ondervragingsrecht ontbroken, terwijl de verdediging uitdrukkelijk om het horen van een getuige heeft gevraagd, dan leidt dat in beginsel tot een schending van artikel 6 lid 3 sud j◦ lid 1 EVRM. Het feit dat de bewijsconstructie niet uitsluitend of in beslissende mate op die verklaring berust hoeft daar niet aan in de weg te staan, zo stelt het Hof.8
Bij de beoordeling of er sprake is van een goede reden is voor het onthouden van het ondervragingsrecht, dient betrokken te worden of de overheid zich voldoende heeft ingespannen om effectuering van het ondervragingsrecht mogelijk te maken. De overheid moet er – binnen redelijke grenzen – voor zorgen dat getuigen ook daadwerkelijk op het onderzoek ter terechtzitting (kunnen) verschijnen.9 Het lijkt redelijk te veronderstellen dat naarmate de verklaring voor het bewijs belangrijker is, aan de inspanning van de overheid hogere eisen worden gesteld.10 Een andere opvatting zou er immers toe leiden dat de overheid zich zou moeten inspannen om ondervraging van elke getuige mogelijk te maken ongeacht de relevantie van diens verklaringen voor de zaak.11 Het feit echter dat overheid alles heeft gedaan wat binnen haar vermogen ligt, om een verdachte in de gelegenheid te stellen zijn ondervragingsrecht uit te oefenen, hoeft niet aan het aannemen van een schending van artikel 6 EVRM in de weg te staan.12