Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/9.3.2.2.2
9.3.2.2.2 Salabiaku en de interpretatie van de Hoge Raad: schuld als impliciet element?
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940794:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 3.5.2.3, paragraaf 3.5.4.3 en paragraaf 15.3.4.
EHRM 25 september 1992 (Pham Hoang), nr. 13191/87, Publ. ECHR, Ser. A, Vol. 207, NJ 1995, 593.
EHRM 7 oktober 1988 (Salabiaku), nr. 10519/83, NJ 1991, 351, FED 1990/420. Zie paragraaf 3.5.4.3.
Tenminste, als het gaat om wat minder ernstige sancties die bovendien kunnen worden verminderd bij het ontbreken van schuld (HR 11 oktober 1989, BNB 1990/87 en BNB 1990/88). Aldus ook: Feteris 2002, p. 386-7. Zie hierover nader paragraaf 9.4.1.
HR 15 juni 2007, V-N 2007/28.9, BNB 2007/251, r.o. 3.3.
Zie bijvoorbeeld De Blieck e.a. 2011, p. 385-386, Haas & Jansen 2009, par. 3, Redactie Vakstudie-Nieuws in de aantekening bij Hof ’s-Hertogenbosch 21 februari 2013, V-N 2013/22.6, Koopman, Poelmann & Rosier 2008, p. 29 en Koopman 1996, p. 184-185. Ook Feteris trekt in het licht van de bewijslastverdeling bij het AVAS-verweer (voorzichtig) deze conclusie, zie paragraaf 9.4.1. Zie voorts paragraaf 3.5.4.3.
Zie bijvoorbeeld Hof ’s-Hertogenbosch 9 oktober 2014, V-N 2015/4.23 (r.o. 4.3 en 4.4).
Zie paragraaf 3.5.4.3.
Vgl. in dit verband Koopman 1996, p. 183, die uit het arrest Salabiaku afleidt dat zulks anders kan zijn wanneer de wetgever de onschuldpresumptie door de wijze van formulering van de delictsomschrijving effectief buiten werking zou stellen. Het EHRM had op dit mogelijke effect gewezen in par. 28 van het arrest.
EHRM 7 oktober 1988 (Salabiaku), nr. 10519/83, NJ 1991, 351, FED 1990/420, par. 27 e.v..
In dezelfde zin: Wijsman 2017, p. 211, die in dit verband opmerkt dat een wettelijk vermoeden niet automatisch mag leiden tot de vaststelling van schuld.
Zie met name EHRM 7 oktober 1988 (Salabiaku), nr. 10519/83, NJ 1991, 351, FED 1990/420, par. 27 en 28. Een precisering van de voorwaarden of begrenzingen heeft het EHRM helaas niet gegeven. Zie ook Feteris 2002, p. 386 en p. 387, die erop wijst dat de formuleringen uiterst vaag zijn en ruimte voor interpretatie laten.
Zie paragraaf 3.5.4.3. Zie bijvoorbeeld Bemelmans 2018, par. V.4, Haas & Jansen 2009, par.3, Koopman, Poelmann & Rosier 2008, p. 24 en Feteris 2002, p. 385.
De onschuldpresumptie wordt dan louter procedureel (en niet materieel) benaderd. Zie over deze kwestie nader Bemelmans 2018, par. III.5.2 en par. V.4.
Zie bijvoorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden 12 juli 2022, V-N 2022/56.24, r.o. 4.19-4.20 en de Aantekening van de Redactie Vakstudie-Nieuws bij Hof Amsterdam 4 september 2018, V-N 2019/6.20.
EHRM 7 oktober 1988 (Salabiaku), nr. 10519/83, NJ 1991, 351, FED 1990/420, par. 27. Zie bijvoorbeeld Feteris 2002, p. 385, die expliciet naar deze rechtsoverweging verwijst. Zie voorts paragraaf 3.5.4.3.
Zie daaromtrent nader paragraaf 9.3.2.2.1. Zie voorts paragraaf 9.3.1 en paragraaf 3.5.4.3.
De Hoge Raad lijkt op deze lijn te zitten: in een brief aan de Minister van Justitie werden enkele strafrechtelijke eisen van toepassing verklaard op de fiscale bestuurlijke boete, waaronder ‘een zekere mate van schuld’, zie de Brief van de president en de P-G van de Hoge Raad d.d. 11 januari 2001 inzake de derde fase van de herziening van de rechterlijke organisatie (wetsvoorstel 25 425), punt 6.4. Bron: Feteris 2002, p. 13 (noot 27).
HR 11 oktober 1989, BNB 1990/87.
In dezelfde zin: Feteris 2002, p. 363. Na het wijzen van de arresten Jussila en Jalloh lijkt het belang van de potentiële aard en omvang van de boete te moeten worden gerelativeerd, zie paragraaf 9.3.2.2.1.
HR 11 oktober 1989, BNB 1990/87, r.o. 4.4: de Hoge Raad overwoog dat het ontbreken van opzet of (grove) schuld als door de inspecteur te bewijzen bestanddeel niet meebrengt dat de boetebepaling ingevolge het bepaalde in artikel 6 lid 2 EVRM buiten toepassing zou moeten blijven.
Zie hieromtrent nader paragraaf 3.5.4.3.
Uit de jurisprudentie die het EHRM in de jaren 80 van de vorige eeuw heeft gewezen, kan worden afgeleid dat het initiatief voor de rechterlijke toetsing van de schuldvraag bij de boeteling mag worden neergelegd.1 Ook heeft het EHRM uitgemaakt dat de verwijtbaarheid in zekere zin mag worden voorondersteld, mits tegenbewijs mogelijk is in een procedure waarin de waarborgen van art. 6 EVRM gelden.2 De Hoge Raad heeft vervolgens in 1989, op basis van het arrest Salabiaku,3 overwogen dat het aan de boeteling is om zich op afwezigheid van (alle) schuld (AVAS) te beroepen en dat de bewijslast terzake ook op hem rust, althans dat zulks niet in strijd is met de onschuldpresumptie van art. 6 lid 2 EVRM.4 In 2007 herhaalde en verduidelijkte de Hoge Raad dit standpunt.5 Ook in de literatuur6 en in de lagere rechtspraak7 is deze opvatting overgenomen.
Deze interpretatie van het arrest Salabiaku is naar mijn mening echter niet geheel juist, althans niet ongeclausuleerd.8 Uit het arrest Salabiaku kan namelijk worden afgeleid, dat de vervolgende autoriteit en de rechter zich er wel degelijk van moeten vergewissen, dat er ten minste enige mate van verwijtbaarheid aanwezig is geweest. Ook zonder dat de belastingplichtige zich op AVAS beroept, zullen de inspecteur en de rechter dus moeten nagaan of uit de vaststaande feiten naar voren komt dat er ten minste enige mate van schuld is geweest. Kan dat op grond van het aanwezige dossier niet worden vastgesteld, dan komt boeteoplegging in strijd met de onschuldpresumptie.
In het arrest Salabiaku heeft het EHRM naar mijn mening slechts bepaald dat de verwijtbaarheid niet per se als element gecodificeerd hoeft te zijn in de delictsomschrijving, maar in plaats daarvan ook impliciet onderkend mag worden.9 Delictsomschrijvingen die geen opzet of (grove) schuld bevatten, zijn niet reeds daarom onverbindend. Het gaat bij de toetsing aan art. 6 EVRM namelijk niet om de formulering van de wettelijke bepaling op zich (daarover spreekt het EHRM zich niet in algemene zin uit), maar om de toepassing daarvan in het concrete geval. In het arrest Salabiaku oordeelde het EHRM dat die toepassing in het concrete geval van Salabiaku door de beugel kon, omdat de nationale rechter verschillende aanknopingspunten had genoemd die wezen op een zekere mate van bewustzijn, betrokkenheid of intentie van Salabiaku.10 De vervolgende overheid had derhalve (a contrario redenerend) vastgesteld dat er geenafwezigheid van schuld was, waardoor in rechte vaststond dat er ten minste enige mate van schuld aanwezig was geweest. Als dat niet was gebeurd, zou het EHRM naar mijn overtuiging wel degelijk hebben geconcludeerd tot strijd met art. 6 lid 2 EVRM.11
Wel merk ik op, dat de (zeer voorzichtige) formuleringen in het arrest Salabiaku zonder meer ruimte laten voor een andere interpretatie.12 De andersluidende opvattingen over dit vraagstuk berusten veelal op de stelling dat de onschuldpresumptie louter betrekking heeft op het daderschap, en niet op de verwijtbaarheid.13 Met het daderschap wordt hierbij dan gedoeld op het simpelweg voldoen aan alle elementen van het beboetbare feit: de inspecteur hoeft alleen die elementen te bewijzen.14 Als er geen opzet of (grove) schuld in de delictsomschrijving staat, dan volgt daaruit automatisch dat ook geen bewijs van enige schuld nodig is, zo is de redenering.15 Ter onderbouwing van die stelling wordt doorgaans verwezen naar de uitleg die het EHRM in het arrest Salabiaku aan het begrip ‘schuld’ uit art. 6 lid 2 EVRM zou hebben gegeven.16 Hieruit zou dan volgen dat de onschuldpresumptie niets van doen heeft met de verwijtbaarheid. Naar mijn mening is die opvatting echter niet juist, vooral omdat uit de rechtsontwikkeling na het arrest Salabiaku (in het bijzonder uit de arresten Jussila en Jalloh) een tegengesteld beeld naar voren komt.17 De onschuldpresumptie staat niet toe dat de schuld aan de objectieve gedraging – in de zin van verwijtbaarheid – wordt voorondersteld.18
De Hoge Raad heeft in het hiervoor aangehaalde arrest uit 198919 vooral aangegeven waaraan hij – in lijn met het arrest Salabiaku – voortaan zal toetsen of een schuldneutraal delict zoals een verzuimboete überhaupt toelaatbaar is in het licht van art. 6 EVRM. Slechts die verzuimboetes, welke qua gebruikelijke omvang binnen de perken blijven, terwijl er bovendien voldoende verweermogelijkheden (zoals het doen van een beroep op AVAS) bestaan, kunnen als zodanig door de beugel.20 Ook blijkens de bewoordingen van het arrest ziet de beslissing van de Hoge Raad louter op de (on)verbindendheid van de boetebepaling in het licht van art. 6 lid 2 EVRM.21 Dat is dus in lijn met mijn interpretatie van het arrest Salabiaku. Vervolgens moet worden getoetst of de toepassing in het concrete geval van de boeteling acceptabel is geweest in het licht van de onschuldpresumptie.22 In dit stadium komt naar mijn mening de vraag aan de orde of de vervolgende instantie bij zijn bewijsoordeel heeft betrokken dat de boeteling ten minste enige mate van schuld kan worden verweten.
Mijn conclusie is dat boetebepalingen zonder schuldverband in de delictsomschrijving, zoals verzuimboetes, op zichzelf niet in strijd komen met de onschuldpresumptie. De vervolgende autoriteiten kunnen echter niet volstaan met het bewijs van alleen het kale beboetbare feit, zonder dat ergens in de procedure enige beoordeling van de schuldvraag plaatsvindt.