Einde inhoudsopgave
Beperkte rechten op eigen goederen (O&R nr. 132) 2022/9.6
9.6 Beslag
mr. R.J. ter Rele, datum 01-10-2021
- Datum
01-10-2021
- Auteur
mr. R.J. ter Rele
- JCDI
JCDI:ADS491192:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht / Testamenten
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht (V)
Erfrecht / Gevolgen erfopvolging
Voetnoten
Voetnoten
Asser Procesrecht/Steneker 5 2019/444; Van Boom 2020, p. 43-45; Snijders & Rank-Berenschot, Goederenrecht (SBR 2) 2017/702.
HR 20 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7729 (Ontvanger/De Jong q. q.); HR 5 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9351 (Forward/Huber).
Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2021/30, 44; Asser Procesrecht/Steneker 5 2019/452; Van Boom 2020, p. 43-45; Snijders & Rank-Berenschot, Goederenrecht (SBR 2) 2017/702. Vgl. Suijling V 1940, nr. 20, 416.
HR 20 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7729(Ontvanger/De Jong q. q.), r.o. 3.5; Asser Procesrecht/Steneker 5 2019/459; Snijders & Rank-Berenschot, Goederenrecht (SBR 2) 2017/702.
HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3299 (Promneftstroy/Yukos), r. o. 3.5.6; Asser Procesrecht/Steneker 5 2019/455. De schuldeiser dient te vorderen dat voor recht wordt verklaard dat de vordering toewijsbaar is en dat hij daarvoor verhaal kan nemen op het goed waarop het beslag rust.
Zo ook: Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2021/20; Asser Procesrecht/Steneker 5 2019/378; Heyman, Bartels & Tweehuysen 2019/413.
Van Straaten 2016, p. 290 ziet weinig ruimte voor analoge toepassing, omdat art. 3:81 lid 3 BW alleen ziet op ‘beperkte rechten’ op een tenietgaand beperkt recht. Anders dan art. 6:161 lid 3 BW, dat ziet op ‘rechten’ op een tenietgaande vordering. Volgens mij is er wel ruimte voor analoge toepassing, gezien de parallelen met de beide in de hoofdtekst besproken arresten.
HR 18 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4874 (Amsem/Van Tuijn).
Zo ook: Asser Procesrecht/Steneker 5 2019/378; Heyman, Bartels & Tweehuysen 2019/413. Vgl. Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2021/20.
Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2021/30; Reehuis & Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht 2019/589; Snijders & Rank-Berenschot, Goederenrecht (SBR 2) 2017/67.
Vgl. Van Boom 2020, p. 40-41.
Heeft de schuldeiser ook op het beperkte recht beslag gelegd, dan dient, net zoals bij geval c., beoordeeld te worden of belang bestaat bij het beperkte recht. Rusten op het beperkte recht en het moederrecht geen andere beslagen en beperkte rechten, dan bestaat geen belang bij het beperkte recht en gaat het door vermenging teniet. De schuldeiser kan verhaal nemen op het onbezwaarde moederrecht. Bestaat wel belang bij het beperkte recht, dan blijft het recht voortbestaan en kan de schuldeiser beide rechten gelijktijdig executeren. Vgl. Asser Procesrecht/Steneker 5 2019/534-535.
104. Er kunnen verschillende vragen rijzen als een schuldeiser beslag heeft gelegd op een goed van zijn schuldenaar en dat goed vervolgens betrokken raakt bij een (mogelijk) geval van vermenging. De volgende vier gevallen kunnen worden onderscheiden:
een schuldeiser heeft beslag gelegd op een beperkt recht van zijn schuldenaar. De schuldenaar draagt vervolgens – in weerwil van het beslag – het beperkte recht over aan de eigenaar van de bezwaarde zaak;
een schuldeiser heeft beslag gelegd op de bezwaarde eigendom van een zaak van zijn schuldenaar. De schuldenaar draagt vervolgens – in weerwil van het beslag – de zaak over aan degene die een beperkt recht op de zaak heeft;
een schuldeiser heeft beslag gelegd op een beperkt recht van zijn schuldenaar. De schuldenaar verkrijgt vervolgens de bezwaarde eigendom;
een schuldeiser heeft beslag gelegd op de bezwaarde eigendom van een zaak van zijn schuldenaar. De schuldenaar verkrijgt vervolgens het beperkte recht dat op de zaak rust.
In de gevallen a. en b. wordt het beslagen goed in weerwil van het beslag overgedragen. Bij een overdracht in weerwil van beslag, kan de overdracht niet tegen de beslaglegger worden ingeroepen (o.a. art. 453a lid 1, 475h lid 1 en 505 lid 2 Rv). Het beslag heeft een blokkerende werking.1 De Hoge Raad heeft deze blokkerende werking aldus uitgelegd, dat een beslagen goed wel kan worden overgedragen.2 Het beslagen goed kan het vermogen van de beslagene verlaten. Het beslag blijft echter op het goed rusten. De beslaglegger kan nog steeds verhaal nemen op het goed. Een overdracht in weerwil van beslag heeft rechtsgevolgen die vergelijkbaar zijn met de overdracht van een goed waarop een beperkt recht rust (‘zaaksgevolg’).3
Wordt de verkrijger van een beslagen goed failliet verklaard, dan vervalt het beslag als gevolg van de faillietverklaring (vgl. art. 33 lid 2 Fw). De beslaglegger verliest zijn verhaalsrecht daardoor echter niet. Hij kan volgens het arrest Ontvanger/De Jong q.q. in het faillissement van de verkrijger opkomen voor zijn vordering.4
Is op een goed conservatoir beslag gelegd, dan kan pas verhaal genomen worden op het beslagen goed, als de beslaglegger een executoriale titel heeft verkregen (vgl. art. 704 lid 1 Rv). Daarbij doet zich een probleem voor, als het beslagen goed in weerwil van het beslag is overgedragen en vervolgens de rechtspersoon ten laste van wie het beslag is gelegd, ophoudt te bestaan. In dat geval kan tegen die rechtspersoon geen vordering meer worden ingesteld teneinde een executoriale titel te verkrijgen. De Hoge Raad heeft dat probleem opgelost in het arrest Promneftstroy/Yukos. De schuldeiser kan volgens het cassatiecollege een vordering instellen tegen de verkrijger van het beslagen goed.5 Op grond van de op deze manier verkregen executoriale titel kan verhaal worden genomen op het beslagen goed.
De casus van deze beide arresten hebben met elkaar gemeen, dat de schuldeiser zich kan verhalen op het beslagen goed, ondanks dat in beginsel verhaal niet meer mogelijk zou zijn als gevolg van de overdracht in weerwil van beslag. Een vergelijkbare situatie doet zich voor bij het onder a. genoemde geval. Het beperkte recht waarop het beslag rust zou, als gevolg van de overdracht in weerwil van beslag, in beginsel door vermenging tenietgaan. Dit zou tot gevolg hebben dat het beslag vervalt, omdat het object van het beslag tenietgaat.6 Dit kan worden voorkomen door de eerste volzin van art. 3:81 lid 3 BW analoog toe te passen.7 Analoge toepassing is naar mijn mening gerechtvaardigd, omdat dit aansluit bij de twee besproken arresten waarin de beslaglegger zijn verhaal kan voortzetten na een overdracht in weerwil van beslag.8 Dit betekent dat in het onder a. genoemde geval, het beperkte recht niet door vermenging tenietgaat. De beslaglegger kan verhaal nemen op het beperkte recht.
In het onder b. genoemde geval rijst nog de vraag of de beslaglegger verhaal kan nemen op de bezwaarde of op de onbezwaarde eigendom. Illustratief is de casus van het arrest Amsem/Van Tuijn.9 Leutscher is eigenaar van vier bedrijfspanden. Op ieder van de panden rust een eerste hypotheek ten gunste van AMFAS en een tweede hypotheek ten gunste van Amsem. Van Tuijn laat beslag leggen op de vier panden. De panden worden, in weerwil van het beslag en bezwaard met de hypotheken, overgedragen aan Amsem. Voor welk bedrag kan Van Tuijn verhaal kan nemen op de bedrijfspanden? Moet Van Tuijn de hypotheken van Amsem tegen zich laten gelden? De Hoge Raad beantwoordt deze vragen niet. De procedure zag op de opheffing van de beslagen om redenen die voor dit proefschrift niet relevant zijn.
Bij de beantwoording van deze vragen gaat het in wezen erom, of de tweede volzin van art. 3:81 lid 3 BW analoog toegepast dient te worden op beslagen. Werkt het tenietgaan door vermenging van de hypotheken niet ten voordele van de beslaglegger? Ik meen dat een analoge toepassing op haar plaats is. De eigenaar/hypotheekhouder heeft op grond van zijn zekerheidsrechten bij voorrang aanspraak op de executieopbrengst van de bezwaarde zaken. Als de hypotheken door vermenging teniet zouden gaan, heeft hij die voorrang niet meer. Dan zou de beslaglegger verhaal kunnen nemen zonder dat hij de hypotheken tegen zich hoeft te laten gelden. De eigenaar/hypotheekhouder kan aan het hypotheekrecht bevoegdheden ontlenen die hij niet heeft op grond van zijn eigendomsrecht. Daarom is analoge toepassing van de tweede volzin van art. 3:81 lid 3 BW op haar plaats.10 Weliswaar is het verhaalsrecht geen goederenrechtelijk recht (een beslag is geen goederenrechtelijk recht), maar door het ‘zaaksgevolg’ van het beslag (een typisch kenmerk van een goederenrechtelijk recht),11 zijn de rechtsgevolgen van een beslag in dit geval zodanig vergelijkbaar met die van een beperkt recht, dat analoge toepassing geoorloofd is.
In de gevallen c. en d. wordt niet het beslagen goed overgedragen. In geval c. verkrijgt de beslagene het moederrecht van het beslagen beperkte recht. In geval d. verkrijgt hij een beperkt recht dat rust op het beslagen moederrecht. In beide gevallen gelden de bepalingen omtrent de blokkerende werking van beslag niet, omdat geen overdracht in weerwil van beslag plaatsvindt. Men zou bovendien kunnen stellen dat analoge toepassing van art. 3:81 lid 3 BW in deze gevallen niet nodig is. In geval c. zou het beslagen beperkte recht weliswaar door vermenging tenietgaan, maar de schuldeiser kan (opnieuw) beslag leggen op het onbezwaarde moederrecht. In geval d. zou aangenomen kunnen worden dat de beslaglegger verhaal kan nemen op het onbezwaarde moederrecht. Teneinde het systeem van het recht coherent te houden, zou ik desalniettemin willen aannemen dat art. 3:81 lid 3 BW in de gevallen c. en d. analoog toegepast dient te worden.12
Voor geval c. geldt dat bezwaarlijk van de beslaglegger verwacht kan worden, dat hij opnieuw beslag legt om zijn verhaalsrecht veilig te stellen. Hij zou voortdurend moeten nagaan of het object van zijn beslag door vermenging tenietgaat. Dat zou ondoenlijk zijn.
Uiteraard staat het de schuldeiser in geval c. vrij om na de verkrijging van het moederrecht door de schuldenaar, ook daarop beslag te leggen. Het zou kunnen dat het beslagen beperkte recht als gevolg daarvan door vermenging tenietgaat. Beoordeeld moet worden of iemand extra bevoegdheden kan ontlenen aan het beperkte recht. Is dat niet het geval, dan gaat het beperkte recht door vermenging teniet, omdat bij dat recht geen belang bestaat. Als wel extra bevoegdheden ontleend kunnen worden aan het beperkte recht, dan bestaat wel belang bij het recht en blijft het voortbestaan. Een schuldeiser heeft beslag gelegd op een recht van erfpacht en op de bezwaarde eigendom. Op de erfpacht rusten geen beperkte rechten. Op de eigendom rust alleen het beslagen erfpachtrecht. Er zijn geen andere schuldeisers die beslag hebben gelegd. De erfpacht gaat door vermenging teniet. De schuldeiser kan de onbezwaarde eigendom executeren.
Bij geval d. lijkt het misschien wat formalistisch dat het beslag op het bezwaarde moederrecht niet uitgroeit tot een beslag op het onbezwaarde moederrecht. De beslaglegger kan immers in beginsel separaat beslag leggen op het verkregen beperkte recht.13 Daarmee wordt hetzelfde resultaat bereikt. Op het beperkte recht of het bezwaarde moederrecht kunnen echter nog andere beperkte rechten of beslagen rusten. Het zou nogal onoverzichtelijk zijn als het beperkte recht ten opzichte van de beslaglegger teniet is gegaan, terwijl het recht nog wel bestaat in verhouding tot de andere betrokkenen (op grond van art. 3:81 lid 3 BW). Ik zou willen aannemen dat de tweede volzin van art. 3:81 lid 3 BW in geval d. analoog toegepast dient te worden, ongeacht of op het beslagen moederrecht of het verkregen beperkte recht andere beslagen of beperkte rechten rusten.14 Zo wordt het systeem van het recht zo coherent mogelijk gehouden.