Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht
Einde inhoudsopgave
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/6.2:6.2 Uitgangspunten ten behoeve van een eenduidige behandeling
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/6.2
6.2 Uitgangspunten ten behoeve van een eenduidige behandeling
Documentgegevens:
dr. mr. M.M. Kors, datum 21-11-2016
- Datum
21-11-2016
- Auteur
dr. mr. M.M. Kors
- JCDI
JCDI:ADS573527:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het huidige fiscale boeterecht brengt het naar objectieve maatstaven pleitbare standpunt mee dat opzet, ongeacht de subjectieve omstandigheden, steeds afwezig is.1 In de vorige hoofdstukken is naar voren gekomen dat deze objectieve werking en de daaruit volgende straffeloosheid geen juridisch onvermijdelijke gevolgen van een pleitbaar standpunt hoeven te zijn. Sterker nog, de objectieve werking van het pleitbare standpunt is sinds de introductie van de strafuitsluitingsgronden in het fiscale boeterecht naar mijn mening niet meer met de invulling van het opzetbegrip te verenigen.2
Juridisch gezien is het mogelijk om het pleitbare standpunt geen enkele rol in het fiscale boete- en strafrecht te geven, maar ook om het pleitbare standpunt in het fiscale boete- en strafrecht steeds tot straffeloosheid te laten leiden. Dat laatste zou dan overigens niet moeten worden bereikt middels de objectieve werking van het pleitbare standpunt, maar bijvoorbeeld door het pleitbare standpunt de vorm te geven van een bijzondere strafuitsluitingsgrond. Aan de juridische vormgeving van de rol van het pleitbare standpunt gaan echter twee vragen vooraf: de vraag of het pleitbare standpunt invloed moet hebben op de mogelijkheden om een onjuiste aangifte te beboeten of te bestraffen en de vraag welke invloed dat standpunt dan zou moeten hebben.
Bij het formuleren van het voorstel voor een eenduidige juridische behandeling van het pleitbaar standpunt verweer in het fiscale boete- en het strafrecht worden drie uitgangspunten gehanteerd. De keuze voor deze uitgangspunten is zoals in de inleiding reeds is opgemerkt ingegeven door het streven om tot een eenduidige behandeling te komen die met inachtneming van de strafrechtelijke beginselen en dogmatiek zo goed mogelijk is in te passen in de bestaande boete- en strafjurisprudentie. Andere uitgangspunten zouden tot andere uitwerkingen leiden die, hoewel wellicht minder goed in te passen in de bestaande boete- en strafjurisprudentie, juridisch ook juist kunnen zijn.
Zowel de belastingkamer als de strafkamer van de Hoge Raad lijken het pleitbaar standpunt verweer op te vatten als een verweer dat is gericht tegen het bewijs van het opzet.3 Met behulp van het eerste uitgangspunt wordt daarom bewerkstelligd dat het opzetbegrip in het fiscale boete- en strafrecht eenduidig wordt ingevuld. De antwoorden op de twee hiervoor opgeworpen vragen – moet het pleitbare standpunt invloed hebben op de mogelijkheden om te beboeten en te bestraffen en zo ja welke invloed – vormen het tweede en het derde uitgangspunt.4
6.2.1 Uitgangspunt 1: voor de invulling van het opzetbegrip wordt in het fiscale boeterecht aansluiting gezocht bij het fiscale strafrecht6.2.2 Uitgangspunt 2: het pleitbare standpunt heeft invloed op de strafwaardigheid van het doen van een onjuiste aangifte6.2.3 Uitgangspunt 3: Het pleitbare standpunt heeft een passende invloed op de mogelijkheden om te beboeten en te bestraffen