Startinformatie in het strafproces
Einde inhoudsopgave
Startinformatie in het strafproces 2014/5.5.1:5.5.1 De TCI-officier
Startinformatie in het strafproces 2014/5.5.1
5.5.1 De TCI-officier
Documentgegevens:
mr. dr. S. Brinkhoff, datum 29-09-2014
- Datum
29-09-2014
- Auteur
mr. dr. S. Brinkhoff
- Vakgebied(en)
Politierecht / Bevoegdheden
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1995-1996, 24 072, nrs. 10-11 en 15 (eindrapport ‘Inzake Opsporing’ van de Parlementaire Enquêtecommissie Opsporingsmethoden en de bijbehorende bijlage VI).
Zie voor de inhoud van de instructies D. van der Bel, A.M. van Hoorn & J.J.T.M. Pieters, Informatie en Opsporing. Handboek informatieverwerving, -verwerking en -verstrekking ten behoeve van de opsporingspraktijk, Zeist: Uitgeverij Kerckebosch 2013.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Concrete externe controle binnen het strafvorderlijk kader op het TCI en de wijze waarop dit politieonderdeel informatie verzamelt, geschiedt in de eerste plaats door de TCI-officier. Tot het einde van de jaren 80 van de vorige eeuw vindt er vanuit het OM geen controle plaats op het werk van de CID. Aan het eind van de jaren 80 komt het CID-werk op als specialisme bij het OM en worden de eerste CID-officieren benoemd. De Commissie Van Traa schetst in haar eindrapport een somber beeld over onder meer de gezagsverhoudingen tussen CID-officier en CID, waardoor het functioneren van de CID ook voor de CID-officier ondoorzichtig blijft.1 Zij concludeert dat de CID teveel als autonome organisatie heeft gefunctioneerd zonder zich daarbij rekenschap te geven van de gezagsrelatie die het OM, in de functie van de CID-officier, ten aanzien van deze dienst bezit. De CID heeft zich teveel beroepen op vertrouwelijkheid van gegevens. Mede daardoor is een sfeer en cultuur van geheimzinnigheid en vertrouwelijkheid ontstaan die schade toebrengt aan het belang van een rechtstatelijke opsporing. Het is zelfs voorgekomen dat de CID-officier opzettelijk gebrekkig of misleidend is geïnformeerd.
De commissie constateert voorts dat het OM tekort is geschoten in het sturen en controleren van de CID: de CID-officier is slecht op de hoogte van de activiteiten van de CID. Zo is de identiteit van de informant in het meren-deel van de gevallen niet bekend bij de CID-officier en bekijkt hij slechts zelden informantendossiers of CID-registers. Uit het eindrapport van de Commissie Van Traa blijkt dat CID-officieren zelf ook van mening zijn dat hun sturingsmogelijkheden beperkt zijn. De zogenaamde negatieve controle van de politie zou hierbij een rol spelen: de politie selecteert wat de CIDofficier te zien krijgt. Het Hoofd CID beschikt over alle relevante informatie en de CID-officier is derhalve afhankelijk van hetgeen hem wordt verteld. Alleen bijzondere dingen worden voorgelegd aan de CID-officier en deze vertrouwt er maar op dat alle relevante zaken worden gemeld.
Met de inwerkingtreding van het CIE-regeling, opgevolgd door het Besluit verplichte politiegegevens, en de interne instructies is getracht een kentering te bewerkstelligen in de rol van de vroegere CIE-officier en de huidige TCI-officier.2 De TCI-officier bepaalt de kaders waarbinnen het TCI zijn werkzaamheden uitvoert. Tevens geeft de TCI-officier aanwijzingen, die door het TCI steeds in acht moeten worden genomen en controleert hij periodiek hoe de relevante gegevens worden verwerkt. In de instructie wordt voorts ook helder de verhouding tussen de TCI-officier en de zaaksofficier weergegeven: de TCI-officier verleent ondersteuning aan de tactische recherche en aan de zaaksofficier en draagt zorg ervoor dat de zaaksofficier wordt ingelicht over relevante TCI-activiteiten. De zaaksofficier dient op de hoogte te zijn van deze activiteiten nu hij degene is die tegenover de zittingsrechter de volledige verantwoordelijkheid draagt voor alle opsporingsactiviteiten. Hoewel aldus de verhouding op papier helder is omschreven, zal de TCIofficier in de praktijk de zaaksofficier maar zeer beperkt in kunnen lichten over de verrichte TCI-activiteiten. Het belang van afscherming van de identiteit van de informant maakt immers dat de TCI-officier slechts aan zal kunnen geven dat zich geen onrechtmatigheden hebben voorgedaan en dat hij achter het uitgegeven TCI-proces-verbaal staat. De wetenschap van de zaaksofficier over de achtergrond van het uitgegeven TCI-proces-verbaal is dus per definitie (zeer) onvolledig en in die zin kan hij de facto de TCI-officier niet controleren.
Door de genoemde regeling en instructies zijn in ieder geval op schrift grotendeels de door de Commissie Van Traa geconstateerde manco’s in de relatie TCI-officier-TCI verholpen. Gezagsverhoudingen zijn helder geformuleerd en de taak van de TCI-officier is omschreven. De huidige TCI-officier heeft een goed beeld van de werkzaamheden van het TCI. Of de TCI-officier zich een meer sturende dan wel controlerende rol aanmeet, hangt af van de individuele TCI-officier. Al moet gezegd worden dat de instructies hem wel dwingen een bepaald minimum aan controle uit te oefenen. Zoals al eerder opgemerkt is het nog steeds wel het Hoofd TCI die een centrale plaats inneemt in het geheel van het TCI. De TCI-officier is er meer voor de periodieke en steekproefsgewijze controle. Los van het voorgaande moet worden aangetekend dat de TCI-officier dezelfde belangen nastreeft als het TCI: de bestrijding van de zware (georganiseerde) criminaliteit. Met dit in het achterhoofd kan de vraag worden gesteld of, ook als het gaat integriteitsaspecten, nu juist de TCI-officier de aangewezen persoon is om het TCI op alle onderdelen te controleren.