Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer
Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/7.5.5.4:7.5.5.4 Conclusie
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/7.5.5.4
7.5.5.4 Conclusie
Documentgegevens:
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232769:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
In het verlengde daarvan kan de vraag opkomen of tevens sprake is van een vennootschap onder firma. Dit vereist evenwel (onder meer) optreden onder een gemeenschappelijke naam (zie artikel 16 WvK). Daar is mijns inziens bij certificering geen sprake van, omdat de STAK onder haar eigen naam optreedt.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Mijns inziens is een overeenkomst van certificering, zoals gebruikelijk vormgegeven binnen familiale context, niet te kwalificeren als overeenkomst van maatschap. De volgende elementen, die noodzakelijk zijn voor een maatschap, ontbreken in een dergelijk geval:
De wil tot samenwerking tussen de certificaathouders ontbreekt, omdat:
het (primaire) doel van de certificering het beheer van het gecertificeerde vermogen is, niet samenwerking tussen de certificaathouders;
er bij het ontstaan van de certificering geen sprake kan zijn van een maatschap, althans indien er maar één certificaathouder is, aangezien een maatschap ten minste twee maten vereist en de STAK vanwege haar rol als beheerder als zodanig niet in aanmerking komt, terwijl de enkele verkrijging van de certificaten door de opvolgende certificaathouders niet met zich brengt dat de overeenkomst zich ontwikkelt tot een overeenkomst van maatschap;
bij restrictieve administratievoorwaarden en statuten van de STAK het de certificaathouders aan voldoende zeggenschap ter zake van het gecertificeerde vermogen ontbreekt om tot de vereiste actieve samenwerking in het economische verkeer te kunnen komen; en/of
de manier waarop de certificaten zijn uitgegeven tegenover het gecertificeerde vermogen de vermogensrechtelijke posities van de certificaathouders op zodanige wijze van elkaar scheidt, dat deze samenwerking tussen hen uitsluit.
Bij familiale certificering zal in elk geval de eerste factor zich voordoen, afhankelijk van de omstandigheden in combinatie met factoren (ii), (iii) en/of (iv).
Vanwege het doel van familiale certificering, beheer en bescherming van vermogen, ontbreekt het behalen van vermogensrechtelijk voordeel als oogmerk van de certificering. Hoewel dit vermogensrechtelijke voordeel een nevendoel kan zijn, is dit naar mijn mening ondergeschikt aan het beheersoogmerk en daarmee meer een “bijkomstigheid”. Het oogmerk om vermogensrechtelijk voordeel te behalen is daarmee niet sterk genoeg om aan het desbetreffende vereiste gesteld aan een maatschap te voldoen. De aard van het gecertificeerde vermogen kan in dit verband ook een rol spelen en het oogmerk om vermogensrechtelijk voordeel te behalen uitsluiten (bijvoorbeeld bij een kunstcollectie die bijeen moet blijven).
De inbreng van vermogen moet, wil sprake zijn van een maatschap, gericht zijn op het behalen van vermogensrechtelijk voordeel. In zoverre gaat deze factor hand in hand met punt (b): indien het oogmerk om vermogensrechtelijk voordeel te behalen niet sterk genoeg is, kan de inbreng hier vanzelfsprekend ook niet op gericht zijn.
De omstandigheid dat certificering in familiale context niet als maatschap kwalificeert hangt met name samen met het doel van een dergelijke certificering, eventueel in combinatie met de aard van het vermogen, het aantal personen dat op het moment van eerste uitgifte van de certificaten als eerste certificaathouders optreedt en de wijze waarop de certificaten zich tot het gecertificeerde vermogen verhouden.
Dat gezegd hebbende, kan ook niet uitgesloten worden dat een certificering in andere context weldegelijk als een maatschap kan kwalificeren. Er zijn vele doelstellingen voor het in het leven roepen van certificering mogelijk en als bijvoorbeeld sprake is van een opzet die zich meer laat vergelijken met een beleggingsfonds (die wellicht ook als fonds voor gemene rekening kwalificeert), lijkt mij denkbaar dat inderdaad sprake is van een maatschap.1