Einde inhoudsopgave
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/8.2.2.1
8.2.2.1 Voorkomen van positieve aankondigingseffecten
dr. M. Schuver-Bravenboer, datum 01-02-2009
- Datum
01-02-2009
- Auteur
dr. M. Schuver-Bravenboer
- JCDI
JCDI:ADS412610:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Wetgeving
Voetnoten
Voetnoten
Brief Staatssecretaris van Financiën van 27 augustus 2004, nr. AFP2004/712, V-N 2004/44.12. Bij opschorting van investeringsfaciliteiten werd in het verleden standaard gebruik gemaakt van terugwerkende kracht om economische repercussies te voorkomen, zie Van Soest 1961, p. 17.
Kamerstukken II 2000/01, 27 209, nr. 6, p. 69 en bijlage A.
Zie par. 6.2.4.4, EHRM 10 juni 2003 (M.A. e.a./Finland), FED 2003/604 (m.nt. Wattel).
O.a. HvJ EG 25 januari 1979, nr. 98/78 (Racke), ECR 1979, p. 69, par. 20, HvJ EG 30 september 1982, nr. 108/81 (Amylum), ECR 1982, p. 3107, par. 8.
HvJ EG 11 februari 1971, nr. 37/70 (Rewe), ECR 1971, p. 23.
HvJ EG 9 januari 1990, nr. 337/88 (Safa), ECR 1990, p. I-1 (concl. A-G Tesauro).
HvJ EG 26 april 2005, nr. C-376/02 (Stichting Goed Wonen), BNB 2008/36 (concl. A-G Tizzano; m.nt. Bijl), par. 38-39.
O.a. HvJ EG 30 september 1982, nr. 108/81 (Amylum), ECR 1982, p. 3107, par. 11, HvJ EG 29 april 2004, nr. C-487/02 en C-7/02 (Gemeente Leusden en Holin Groep BV), BNB 2004/260 (concl. A-G Tizzano; m.nt. Van Zadelhoff), par. 59 en HvJ EG 26 april 2005, nr. C-376/02 (Stichting Goed Wonen), BNB 2008/36 (concl. A-G Tizzano; m.nt. Bijl), par. 33.
Groussot 2006, p. 200.
Waar in de literatuur of de parlementaire geschiedenis wordt gesproken over een aankondigingseffect, wordt meestal een positief aankondigingseffect bedoeld. Een positief aankondigingseffect houdt in dat de belastingplichtige na het (gedeeltelijk) voorzienbaar worden van een wetswijziging maatregelen treft ten einde van de geldende – gunstigere – rechtsregel gebruik te kunnen maken alvorens deze wordt aangepast of afgeschaft. Enerzijds kunnen deze maatregelen inhouden dat wordt getracht een belastbaar feit waarvan reeds voorzienbaar is dat het zich ná het werkingsmoment van de nieuwe regel zal voordoen, naar voren te halen in de tijd, zodat het zich voordoet vóór het beoogde werkingsmoment. Anderzijds kan het de belastingplichtige aanzetten tot handelingen ten aanzien waarvan hij aanvankelijk nog niet had besloten deze te verrichten. Hiervoor werd bijvoorbeeld gevreesd bij de afschaffing van de pc-regeling per 1 januari 2005.1 Een voorbeeld van de eerste situatie betreft de aanpassing van de landbouwvrijstelling die met terugwerkende kracht tot 27 juni 2000 op 1 januari 2001 in werking is getreden. De staatssecretaris van Financiën vreesde ervoor dat de grond – zonder toepassing terugwerkende kracht – nog vóór de inwerkingtredingsdatum zou worden geherwaardeerd door het bijvoorbeeld in te brengen in een BV.2 Deze herwaarderingswinst zou bij invoering van de nieuwe regeling met onmiddellijke werking nog onder de landbouwvrijstelling zijn gevallen.
In beide situaties leidt het anticiperende gedrag van belastingplichtigen ertoe dat het effect van de nieuwe regeling minder zal zijn dan beoogd of dat zij zelfs een tegenovergesteld effect sorteert. Ingeval de nieuwe regeling om budgettaire redenen wordt ingevoerd, leidt een positief aankondigingseffect tot gemiste belastingopbrengsten die op enigerlei wijze zullen moeten worden gecompenseerd. In dat geval is het naar mijn mening uit oogpunt van algemeen belang gewenst dat de toepassing van de nieuwe regel voor dié gevallen die tot anticipatie zullen overgaan aanvangt op het moment dat de wetswijziging voorzienbaar is.
Het EHRM heeft in het kader van een inbreuk op het eigendomsrecht het voorkomen van een positief aankondigingseffect geaccepteerd als zijnde in het algemeen belang.3 In de zaak M.A. e.a. stond het EHRM het de wetgever namelijk toe te voorzien in een aanvullende maatregel, ten einde te voorkomen dat bepaalde belastingplichtigen de nieuwe – belastende – regel zouden kunnen ontlopen:
‘However, it appeared that some companies were planning to make arrangements to the effect that the stock options would be exercisable earlier than laid down in the original terms. Boards of Directors could also change the time of exercise by giving a collective permission to an earlier transfer without altering the original terms. The implementing provision of the 1994 Pro-vision aimed at bringing these types of arrangements within the scope of the altered tax treatment. The retrospective effect was the Parliament’s answer to the pre-emptive steps that had been taken is order to avoid the higher tax rate.
The Court finds that the main aim of the retrospective implementing pro-vision was to prevent stock option arrangements, which were originally planned to fall under the amended provision, from escaping it. It accepts that this aim was part of the aim of ensuring equal treatment of taxpayers, i.e. in this case equal treatment in comparison with those who did not bring forward the exercise date of the stock options. The Court considers that the assessment made by the legislature in this respect cannot be regarded as unreasonable.’
Ook het HvJ EG staat terugwerkende kracht toe, indien dit voor het te bereiken doel noodzakelijk is.4 Doelen die door het HvJ EG zijn geaccepteerd zijn economische redenen5, het voorkomen van speculatie6 en het voorkomen van een aankondigingseffect.7 Het HvJ EG stelt in deze wel als voorwaarde dat gerechtvaardigde verwachtingen moeten worden gerespecteerd.8 In dit kader moet worden beoordeeld of de wetswijziging op het werkingsmoment voorzienbaar was en of er op dat moment gerechtvaardigde verwachtingen op het voortbestaan van de oude regel waren. Groussot merkt op dat de voorzienbaarheid moeilijk te beoordelen is, aangezien die van verschillende elementen afhankelijk is.9 Naar mijn mening bieden de in hfdst. 5 besproken criteria evenwel een goed handvat.