Einde inhoudsopgave
Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (FM nr. 170) 2021/5.1
5.1 Subjectieve reikwijdte
Anneke Els Keulemans, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
Anneke Els Keulemans
- JCDI
JCDI:ADS362884:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Beroepsfase
Fiscaal procesrecht / Procesorde
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld: HvJ 23 oktober 1974, zaak 17/74, (Transocean Marine Paint Association), punt 15; HvJ 3 juli 2014, zaken C-129/13 en C-130/13, (Kamino), punt 38; HvJ 18 december 2008, zaak C-349/07, (Sopropé), punt 49; HvJ 9 november 2017, zaak C-298/17, (Ispas), punt 26.
HvJ 10 september 2015, zaak C-687/13, (Fliesen-Zentrum Deutschland), p. 73; Zie ook: conclusie A-G Pitruzella van 4 maart 2020 inzake C-104/19 (Donex), p. 35 e.v. en HvJ 9 juli 2020, zaak C-104/19 (Donex), punt 71 e.v.
HvJ 1 oktober 2009, zaak C-141/08, (Foshan).
HvJ 18 oktober 1989, zaak 374/87, (Orkem), punt 35; Zie ook Peers e.a. 2014, p. 1073; Keulemans 2016A onder 2.1.1.
Zie ook: Keulemans 2016A onder 3.1.1.
Morijn e.a. 2015, p. 128, onder ‘eerlijk proces’ merken de auteurs op dat nog niet is uitgekristalliseerd in hoeverre naast natuurlijke personen en rechtspersonen, publiekrechtelijke rechtspersonen en lidstaten een beroep kunnen doen op grondrechten zoals neergelegd in artikel 47 van het Handvest; zie ook: Keulemans 2016A onder 3.1.1.
HvJ 22 december 2010, zaak C-279/09, (DEB), punt 38.
Zie bijvoorbeeld: HvJ 18 december 2008, zaak C-349/07, (Sopropé); HvJ 24 juni 1986, zaak 53/85, (Akzo Chemie); HvJ 3 juli 2014, zaken C-129/13 en C-130/13, (Kamino); HvJ 17 december 2015, zaak C-419/14, (WebMindLicenses).
GvEA 6 september 2013, zaak T-35/10, (Bank Melli Iran), punten 64 tot en met 70.
Een adressaat van een voorgenomen bezwarend overheidsbesluit kan het kenbaarmakingsbeginsel inroepen.1 Een adressaat moet individueel en rechtstreeks door het voorgenomen besluit worden geraakt. Daarmee is de subjectieve reikwijdte van het kenbaarmakingsbeginsel gegeven. Het DWU geeft meer duidelijkheid over wanneer sprake is van een adressaat. Indien sprake is van een beschikking op aanvraag bepaalt artikel 22, zesde lid, van het DWU dat de aanvrager in de gelegenheid moet worden gesteld zijn standpunt kenbaar te maken. Hieronder vallen geen derde-belanghebbenden die wellicht ook worden geraakt door bijvoorbeeld de afgifte van een bepaalde vergunning. Ingevolge artikel 29 van het DWU is op beschikkingen zonder voorafgaande aanvraag ook artikel 22, zesde lid, van het DWU van toepassing. Artikel 29 van het DWU in combinatie met artikel 22 van het DWU kan niet op een aanvrager zien, die is er immers niet en kan ook niet zien op een derde. Dit artikel kan dan alleen zien op degene op wiens naam de voorgenomen beschikking zal komen te staan. Het kenbaarmakingsbeginsel kan daarmee alleen worden ingeroepen door degene op wiens naam het voorgenomen bezwarende besluit zal komen te staan. Artikel 41 van het Handvest bevestigt mijns inziens deze conclusie. Het recht te worden gehoord wordt daarbij gegeven aan degene tegen wie een nadelige individuele maatregel wordt genomen en niet aan derde-belanghebbenden. In artikel 48 van het Handvest is eveneens het recht een standpunt naar behoren en effectief kenbaar te mogen maken beperkt tot degene tegen wie vervolging is ingesteld. Van een adressaat van een voorgenomen bezwarend besluit is daarmee geen sprake als degene, die een beroep doet op schending van het kenbaarmakingsbeginsel, niet heeft deelgenomen aan de procedure ten aanzien waarvan hij stelt dat het kenbaarmakingsbeginsel is geschonden.2 Een adressaat kan daarmee ook alleen het kenbaarmakingsbeginsel inroepen voor zover dat voorgenomen besluit de adressaat rechtstreeks en individueel raakt. Een voorbeeld daarvan is de zaak Foshan.3 Foshan komt op tegen een in een verordening neergelegd antidumpingrecht. Het Hof van Justitie vernietigt de verordening wegens schending van het kenbaarmakingsbeginsel, voor zover daarbij een antidumpingrecht is ingesteld op de invoer door Foshan. Het Hof van Justitie vernietigt alleen dat deel dat de belanghebbende rechtstreeks en individueel raakt.
Blijkens de jurisprudentie van het Hof van Justitie uit de periode van vóór het Handvest kunnen adressaten van voorgenomen bezwarende besluiten niet alleen natuurlijke personen zijn, maar ook rechtspersonen.4 In de artikelen 41, 47 en 48 van het Handvest is het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (deels) gecodificeerd (paragraaf 5.5). Volgens de tekst van deze artikelen kan eenieder een beroep doen op de inhoud van die artikelen. Het Handvest zelf bevat geen definitie van de term ‘eenieder’.5 Alhoewel Morijn en anderen de beantwoording van de vraag of rechtspersonen een beroep kunnen doen op het Handvest afhankelijk stellen van het concrete grondrecht waarop een belanghebbende een beroep doet en de wijze waarop dat recht is geformuleerd, lijdt het geen twijfel dat rechtspersonen het kenbaarmakingsbeginsel kunnen inroepen.6 Het Hof van Justitie heeft in de zaak DEB immers overwogen dat de in de eerste twee alinea’s van artikel 47 van het Handvest gebruikte term ‘eenieder’ ziet op individuen, maar dat de term vanuit zuiver taalkundig oogpunt rechtspersonen niet uitsluit.7 Voorts wijst het Hof van Justitie erop dat artikel 47 van het Handvest te vinden is in titel VI „Rechtspleging” in welke titel andere procedurele beginselen zijn verankerd die voor zowel natuurlijke als rechtspersonen gelden. Artikel 48 van het Handvest is in dezelfde titel geplaatst als artikel 47 en gebruikt dezelfde term ‘eenieder’. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de wijze waarop ‘eenieder’ in de zin van artikel 48 van het Handvest moet worden uitgelegd niet anders zal zijn van de uitleg die het Hof van Justitie geeft aan ‘eenieder’ als bedoeld in artikel 47 van het Handvest. De deur staat daarmee open voor rechtspersonen. Artikel 41 van het Handvest bevindt zich in een andere titel in het Handvest: ‘Burgerschap’. Dat kan erop duiden dat artikel 41 van het Handvest alleen van toepassing is op burgers, zijnde natuurlijke personen. Mij lijkt het voor de hand liggend om gelijke termen in het Handvest een gelijke uitleg te geven. Dat de term ‘eenieder’ ook rechtspersonen omvat, vindt bevestiging in bijvoorbeeld de zaak Kamino, waarbij een rechtspersoon een beroep doet op het kenbaarmakingsbeginsel. Het zijn in het belastingrecht juist vaak rechtspersonen die een beroep doen op het kenbaarmakingsbeginsel.8 Gelet op het vorenstaande omvat de term ‘eenieder’, zoals gebruikt in het Handvest, niet alleen natuurlijke personen, maar ook rechtspersonen. Daaronder vallen blijkens het arrest Bank Melli Iran ook rechtspersonen die nauw verbonden zijn aan de overheid.9