Einde inhoudsopgave
De grenzen van het recht op nakoming (R&P nr. 167) 2008/6.3.5.3
6.3.5.3 Het minimale gebrek in de nakoming
mr. D. Haas, datum 02-12-2008
- Datum
02-12-2008
- Auteur
mr. D. Haas
- JCDI
JCDI:ADS380012:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Jacob & Youngs, Inc. v Kent [1921], 129 N.E. 889. Zie bijvoorbeeld ook Ruxley Electronics and Construction Limited v Forsyth [1995] 3 All ER HL 268, een schadevergoedingszaak over een aannemer die de bodem van een zwembad bijna 18 centimeter te ondiep had gemaakt. Het gebrek leidde niet tot vermindering van het gebruiksgenot. Het House of Lords vernietigde de uitspraak van het Court of Appeal en kende de opdrachtgever een bedrag toe aan schadevergoeding van £ 2500 in plaats van £ 21.000. Vaststond dat de schuldeiser niet van plan was met de ontvangen schadevergoeding een nieuw zwembad aan te leggen, zie Lord Berwick in Rwcley Electronics and Construction Limited v Forsyth [1995] 3 All ER HL 268, op p. 288.
Zie ook Linssen & Jansen 1996, p. 388-396.
Zo ook Huber & Faust 2002, hfdst. 13, nr. 41 in het kader van koop.
Zo ook Thunis & Wéry 1996, p. 386-387 voor het Belgische recht en zie in dezelfde zin voor het Franse recht Laithier 2004, nr. 63, p. 90-91. Voor de berekeningswijze van schadevergoeding bij een minimaal gebrek, zie Eisenberg 2006, p. 596-597.
Vgl. Müko/Busche 2005, § 635, nr. 33.
Bitter & Meidt 2001, p. 2121.
Naar Duits recht is ontbinding bij geringe tekortkomingen niet toegestaan. In Duitsland is wel aangenomen dat een gebrek dat de waarde slechts minder 3% doet dalen een `unerhebliche Mangel' oplevert, zie Müko/Westermann 2008, § 437, nr. 12.
Zo ook Jud 2001, p. 212-213; en Anw.komm./Büdenbender 2005, § 439, nr. 7.
Pateel and another v Ali and another [1984] 1 All ER Ch.D. 978, op p. 981 (Goulding J), over City of London v Nash (1747) 3 Atk 512, 26 ER 1095.
Vgl. Linzer 1981, p. 137: 'there are many values that courts, like economists, cannot quantify, particularly nonproductive ones like esthetic, humanistic, and emotional values, such as the value (...) of a living room of particular size and shape to the owners of a house.' Ook slechts esthetische gebreken kunnen een recht op nakoming van de schuldeiser indiceren, vgl. Müko/Busche 2005, § 635, nr. 33. Zie ook IIR 5 januari 2001, NJ2001, 79, to. 3.6 (Multi Vastgoed/Nethou).
Vgl. Linzer 1981, p. 134-138. Zie ook Yorio 1982, p. 1388-1405, die op economische gronden pleit voor een recht op schadevergoeding in plaats van nakoming, al meent hij dat de mijnbouwer de concrete kosten voor restauratie dient te vergoeden en niet de lagere kosten ter compensatie van de waardedaling. Het verschil met de hiervoor besproken zaak van Ocean Island is dat de slagingskans van de nakomingspoging in dit geval niet gering is.
Farnsworth 1970, p. 1172, zo ook Ulen 2002, p. 484.
Toepassing van de 130%-richtlijn zou ook tot ongewenste uitkomsten leiden, indien de schuldenaar een gebrekkige prestatie heeft geleverd die slechts een minimale waardedaling veroorzaakt. Bijvoorbeeld, een aannemer bouwt een huis en gebruikt rioolleidingen van merk A in plaats van rioolleidingen van het overeengekomen, gelijkwaardige merk B.1 Met het herstel van de rioolleiding zijn hoge kosten verbonden, omdat het huis dan grotendeels moet worden afgebroken.2 Indien de schuldenaar nakomingskosten moet maken tot 130% van het geobjectiveerde schuldeisersbelang bij de uitvoering van het contract (de bouw van het huis) zou hij waarschijnlijk gehouden zijn de rioolleidingen te vervangen. Gezien het beperkte belang van de schuldeiser bij nakoming is het onredelijk om de schuldeiser zo'n vergaande vordering te verschaffen.3 De aannemer dient in dit geval dan ook van zijn nakomingsverplichting te worden bevrijd voordat de nakomingskosten de 130%-grens overschrijden.4
Van een minimaal gebrek in de nakoming is sprake als de waarde van de prestatie met het gebrek slechts in geringe mate afwijkt van de waarde van de prestatie zonder gebrek.5 De Duitse auteurs Bitter en Meidt doen een op het kooprecht gebaseerd voorstel om de nakomingskosten voor dit geval te maximeren. Zij stellen voor dat de nakomingskosten niet meer dan 200% van de door het gebrek veroorzaakte waardedaling mogen bedragen. Bijvoorbeeld, een verkoper verkoopt een tweedehands auto te leveren met vijf versnellingen. De waarde van deze auto is € 4000 en dat is ook de omvang van het geobjectiveerde schuldeisersbelang. Na aflevering blijkt de gekochte auto slechts vier versnellingen te bezitten. De waarde van de auto met vier versnellingen is € 3500. Toepassing van de 130%-richtlijn leidt ertoe dat de koper tot € 5200 (130% van € 4000) aan kosten moet maken om het gebrek op te heffen. Het aanwenden van € 5200 om een gebrek te verhelpen dat slechts een waardedaling van € 500 veroorzaakt, vinden Bitter en Meidt onwenselijk. De correctiefactor die Bitter en Meidt voorstellen, limiteert de van de schuldenaar te vergen nakomingskosten tot maximaal 200% van de door het gebrek veroorzaakte waardedaling. Dit betekent dat de verkoper maximaal € 1000 (200% van € 500) hoeft uit te geven om aan zijn nakomingsverplichting te voldoen.6 De richtwaarde van 200% is weliswaar willekeurig gekozen, maar kan mijns inziens wel dienst doen als vertrekpunt.7
Het minimale gebrek in de nakoming lijkt op het verweermiddel van de geringe ernst van de tekortkoming, die een schuldenaar tegen een vordering tot ontbinding (art. 6:265 lid 2), vervangende schadevergoeding (art. 6:87 lid 1), en vervanging bij koop (art. 7:21 lid 1 onder c) kan inroepen. Een verschil is echter dat het minimale gebrek in de nakoming zich niet per definitie tegen een veroordeling tot nakoming verzet. Het minimale gebrek verhindert slechts een veroordeling tot nakoming, indien de kosten om het gebrek op te heffen meer dan 200% van de waardedaling bedragen.8
Een voorbeeld uit de Engelse jurisprudentie betreft de situatie dat een aannemer een aantal huizen niet conform de overeenkomst had afgebroken en herbouwd, maar grondig had gerestaureerd. De eisers vorderden nakoming van de verplichting tot amotie. Rechter Goulding J herhaalt in een recenter arrest de achterliggende reden van de afwijzing van de vordering door Lord Hardwicke:9
Lord Hardwicke LC refused specific performance of a contract which required the demolition of houses and building of new ones, because he thought that the demolition would be public loss and of no benefit to the plaintiffs, who would be sufficiently compensated by damages at law.
Op de uitzondering van het minimale gebrek bestaat echter ook een uitzondering. Als de waardedaling minimaal is, dient de schuldenaar toch na te komen indien een veroordeling tot schadevergoeding de schuldeiser onvoldoende compenseert. Bijvoorbeeld, een aannemer zet, in afwijking van het bestek, één van de ramen in een huis te laag in. De aannemer dient het gebrek op te heffen als aannemelijk is dat het gebrek storend is, maar het bedrag aan schadevergoeding waarop de opdrachtgever aanspraak kan maken te gering is om hem in staat te stellen het gebrek op te heffen.10 De in de volgende paragraaf te bespreken uitzonderingscategorie van het ontbreken van een redelijk alternatief bouwt enige ruimte in voor de weging van deze subjectieve belangen van de schuldeiser. Als een redelijk alternatief voor nakoming ontbreekt, kunnen meer nakomingskosten van een schuldenaar worden gevergd dan de 130%-grens of de 200%-grens aangeven.
De enkele reden dat de nakomingskosten aanmerkelijk hoger blijken te zijn dan het waardesurplus dat door nakoming wordt gecreëerd, leidt niet tot een minimaal gebrek. Bijvoorbeeld een mijnbouwondernemer komt met een grondeigenaar overeen steenkool te winnen uit land dat aan de grondeigenaar toebehoort tegen betaling van € 100.000. Voorts verbindt de mijnbouwer zich ertoe het land na afloop van het contract in de oude staat terug te brengen. Na afloop van de steenkoolwinning blijken de kosten van herstel van de grond € 30.000 te bedragen, terwijl het herstel van de grond slechts een waardestijging van € 5000 teweegbrengt. In dit geval dient de mijnbouwer mijns inziens de nakomingskosten te dragen tot 130% van het geobjectiveerde schuldeisersbelang, dat gesteld kan worden op het bedrag dat de grondeigenaar in dit geval aan vervangende schadevergoeding kan vorderen (€ 30.000).11 Ook volgens Farnsworth moet de schuldenaar in dit geval de kosten dragen die met het herstel van het land zijn gemoeid, omdat deze kosten als primaire verbintenis voor de schuldenaar uit de overeenkomst voortvloeien. De grondeigenaar had ook een derde kunnen inschakelen om de grond te herstellen, maar in dat geval had hij van de mijnbouwer wel een hogere prijs bedongen waarin de kosten van deze derde waren verdisconteerd. Met Farnsworth zie ik geen reden waarom de mijnbouwer zich in dit geval aan zijn primaire contractsverplichting zou mogen onttrekken.12