Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/6.9.2
6.9.2 Beslag op de hoofdvordering en de 403-vordering: derdenbeslag
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648968:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Voor een uitvoeriger behandeling van het onderwerp derdenbeslag zie onder meer Mijnssen Van Mierlo 2018.
Broekveldt 2003; Jansen 1990, p. 190 e.v.; Hugenholtz & Heemskerk 2018, nr. 237 e.v.; Oudelaar 2000, p. 84 e.v.; Stein 2016, 5.1 e.v. en Jongbloed & Thoe Schwartzenberg 2014.
Van het nemo-plusbeginsel wordt in de regel slechts gesproken in het kader van overdracht. Van overdracht (van de beslagene aan de beslaglegger) is bij het leggen van beslag geen sprake.
Mijnssen & Van Mierlo 2018, par 3.1: “Het beslag treft de vordering van de schuldeiser/ geëxecuteerde zoals die geldt in diens verhouding tot de schuldenaar/derde-beslagene.”
HR 30 november 2001, NJ 2002/419, AA 2002, p. 276; HR 5 november 1993, NJ 1994/640. Zie voorts: Stein 2016, par. 5.1 en Jongbloed & Thoe Schwarzenberg 2014.
Wanneer de Dochter BV en Moeder BV niet nakomen jegens Y, zal Y zelf beslag kunnen leggen onder Dochter BV en Moeder BV. In bovenstaande situatie wordt beslag gelegd op vorderingen die de schuldenaar Y op derden heeft of uit reeds bestaande rechtsverhoudingen zal verkrijgen. Dit wordt derdenbeslag genoemd en ten aanzien van derdenbeslag gelden enkele bijzondere regels.1 Derdenbeslag is geduid in artikel 475 lid 1 Rv:2
Artikel 475 Rv
Het beslag op vorderingen die de geëxecuteerde op derden mocht hebben of uit een ten tijde van het beslag reeds bestaande rechtsverhouding rechtstreeks zal verkrijgen, en op hem toebehorende roerende zaken die onder derden mochten berusten en geen registergoederen zijn, geschiedt bij een exploit van een deurwaarder dat, behalve de gewone formaliteiten, op straffe van nietigheid inhoudt:
een bevel aan de derde om het verschuldigde of de zaken onder zich te houden op straffe van onwaarde van elke in weerwil van het beslag gedane betaling of afgifte;
een vermelding van de naam, voornaam en woonplaats van de executant en de naam en woonplaats van de geëxecuteerde;
een vermelding van de titel uit hoofde waarvan het beslag wordt gelegd, en een opgave van hetgeen de geëxecuteerde krachtens deze titel aan de executant verschuldigd is;
een keuze van woonplaats ten kantore van de deurwaarder;
een vermelding dat in weerwil van het beslag de koopsom aan de notaris kan worden betaald, in geval het beslag is gelegd op de vordering tot betaling van de koopsom van een onroerende zaak, nadat de koop van de zaak is ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, op de wijze die is voorgeschreven in artikel 3 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
De regels omtrent beslag worden beheerst door twee beginselen. Ten eerste geldt het nemo plus-beginsel3 wat betekent dat de beslaglegger niet meer kan verkrijgen dan de beslagene heeft, de bestaande rechtsverhouding tussen derde-beslagene en geëxecuteerde moet worden geëerbiedigd.4 Ten tweede geldt het non peiusbeginsel wat inhoudt dat de derde-beslagene als gevolg van het beslag niet in een slechtere positie ten opzichte van de beslagene mag geraken dan waarin hij verkeerde. De toepassing van deze beginselen heeft tot gevolg dat de beslaglegger (slechts) de bevoegdheden die de beslagene jegens de derde-beslagene heeft, kan uitoefenen.5