Einde inhoudsopgave
Rechten van polishouders bij portefeuilleoverdracht, juridische fusie en juridische splitsing door verzekeraars (O&R nr. 148) 2024/2.2.6
2.2.6 Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993
1
mr. A.M.M. Menken, datum 01-01-2024
- Datum
01-01-2024
- Auteur
mr. A.M.M. Menken
- JCDI
JCDI:ADS950492:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 9 maart 1994, houdende vervanging van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf door de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 (Staatsblad 1994, 252). Zie Borgesius, SEW januari 1996, p. 2-11 en Clausing 1998, p. 20-25.
Artikel 240 Wet van 9 maart 1994, houdende vervanging van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf door de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 (Staatsblad 1994, 252).
Richtlijn 92/49/EEG van de Raad van 18 juni 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en houdende wijziging van de Richtlijnen 73/239/EEG en 88/357/EEG (derde richtlijn schadeverzekering), PbEU 1992, L 228.
Richtlijn 92/96/EEG van de Raad van 10 november 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe levensverzekeringsbedrijf en tot wijziging van de Richtlijnen 79/267/EEG en 90/619/EEG (Derde levensrichtlijn), PbEU 1992, L 360.
Boshuizen 1998, p. 90.
Informatieset Wtv 1993 Wetgeving – special 6 mei 1994, Verbond van Verzekeraars Den Haag.
Kamerstukken II 1992/93, 23199, nr. 3, p. 35.
Art. 121 lid 1 Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 luidde als volgt: “Een schadeverzekeraar met zetel in Nederland kan met schriftelijke toestemming van de Verzekeringskamer zonder medewerking of toestemming van degenen die aan die overeenkomsten rechten kunnen ontlenen bij akte zijn rechten en verplichtingen uit of krachtens een of meer overeenkomsten van schadeverzekering: (a) gesloten vanuit een vestiging in de Gemeenschap overdragen aan een andere verzekeraar met zetel in de Gemeenschap in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in de Gemeenschap; (b) gesloten vanuit een vestiging in Nederland overdragen aan een andere verzekeraar met zetel buiten de Gemeenschap in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een bijkantoor in Nederland; (c) gesloten vanuit een bijkantoor in een andere lid-staat overdragen aan een andere verzekeraar met zetel buiten de Gemeenschap in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een bijkantoor in de Gemeenschap indien de wetgeving van de betrokken lid-staten voorziet in een dergelijke overdracht en de betrokken toezichthoudende autoriteiten daarmee instemmen.”
Art. 129 lid 1 Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 luidde als volgt: “Een levensverzekeraar met zetel in Nederland kan slechts met schriftelijke toestemming van de Verzekeringskamer en bij akte zijn rechten en verplichtingen uit een of meer overeenkomsten van levensverzekering: (a) gesloten vanuit een vestiging in de Gemeenschap overdragen aan een andere verzekeraar met zetel in de Gemeenschap in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een vestiging in de Gemeenschap; (b) gesloten vanuit een vestiging in Nederland overdragen aan een andere verzekeraar met zetel buiten de Gemeenschap in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een bijkantoor in Nederland; (c) gesloten vanuit een bijkantoor in een andere lid-staat overdragen aan een andere verzekeraar met zetel buiten de Gemeenschap in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een bijkantoor in de Gemeenschap indien de wetgeving van de betrokken lid-staten voorziet in een dergelijke overdracht en de betrokken toezichthoudende autoriteiten daarmee instemmen.”
Art. 123 lid 4 Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 luidde als volgt: “De bij een overdracht betrokken verzekeringnemers kunnen gedurende drie maanden na de dagtekening van de Staatscourant waarin de publikatie is geplaatst de overeenkomst van schadeverzekering schriftelijk opzeggen met ingang van de dag na afloop van deze termijn. De verzekeraar geeft alsdan de vooruitbetaalde premie alsmede de voldane assurantiebelasting en de omslagbijdragen, bedoeld in de Wet medefinanciering oververtegenwoordiging oudere ziekenfondsverzekerden en de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen terug voor het gedeelte dat evenredig is aan het op de hiervoor bedoelde dag nog niet verstreken gedeelte van de termijn waarvoor de premie, de assurantiebelasting en de omslagbijdragen werden betaald.”
Art. 131 lid 4 Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 luidde als volgt: “Indien zich niet binnen de gestelde termijn polishouders, vertegenwoordigende een vierde of meer van het betrokken verzekerd bedrag, tegen de overdracht hebben verzet en tegen de overdracht ook bij de Verzekeringskamer geen bedenkingen bestaan of aan deze bedenkingen is tegemoetgekomen, verleent de Verzekeringskamer de verzekeraar toestemming tot de overdracht. De overdracht kan dan volgen en is van kracht ten aanzien van alle belanghebbenden.”
Kamerstukken II 1992/93, 23199, nr. 3, p. 38. Deze passage betreft de schadeprocedure. In Kamerstukken II 1992/93, 23199, nr. 3, p. 40 wordt ten aanzien van de levenprocedure vermeld dat de artikelen daarvan op analoge wijze zijn aangepast als die van de schadeprocedure. Er werd daarom verwezen naar de toelichting daarop.
Rb. Rotterdam 13 februari 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:914 en Rb. Rotterdam 13 februari 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:915, JOR 2023/105, m.nt. A.M.M. Menken; PJ 2023/39, m.nt. S.H. Kuiper; Van Wijk, Vervuurt en Hamelijnck, VAST 2023/B-012; Pensioenrecht Updates 2023/30 (Eisers/DNB).
Introductie van het single licence-beginsel en het home country control beginsel
Op 1 juli 19942 trad de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 in werking ter implementatie van de derde generatie verzekeringsrichtlijnen van 18 juni 1992 (schadeverzekering)3 en 10 november 1992 (levensverzekering)4. Deze richtlijnen introduceerden het single licence-beginsel en het home country control beginsel. Voortaan had de verzekeraar nog slechts één vergunning nodig om in alle lidstaten verzekeringen te mogen sluiten. De verzekeraar heeft in beginsel alleen nog te maken met de toezichthouder in het land waar zijn zetel is gevestigd en die hem de vergunning verleent. Dat betekende dat een bijkantoor geen eigen vergunning meer hoefde te hebben. Het betekende ook dat waar voorheen in geval van dienstverrichting een vergunning werd verlangd de toezichthoudende autoriteit in het land van dienstverrichting geen vergunning meer mocht eisen.5 Het Verbond van Verzekeraars heeft destijds een informatieset Wtv 19936 gepubliceerd, waarin de nieuwe situatie ten aanzien van in Nederland verzekeren als volgt in een schema was weergegeven:
Verzekeraar met zetel in Nederland
Vergunningenplicht ex art 25 e.v. bij Vk (werkprogramma, te verstrekken informatie, rechtsvorm, deskundigheid bestuurders, solvabiliteit etc.)
In Nederland te openen bijkantoor door verzekeraar met zetel in andere lidstaat dan Nederland
Notificatieprocedure ex. art. 37, bij thuislandtoezichthouder
Verzekeraar met zetel buiten EEG d.m.v. vestiging (bijkantoor)
Vergunningenplicht op basis procedure art. 39 t/m 49. Bij Vk.
Verrichten van diensten naar Nederland door verzekeraar met zetel in of buiten EEG vanuit een vestiging in of buiten de EEG
Notificatieprocedure ex. art. 111 t/m 118. Bij thuisland toezichthouder (EEG) of Vk (Buiten EEG)
Door Nederlandse verzekeraar in andere EEG-lidstaat verzekeren door middel van:
verrichten van diensten door verzekeraar met zetel in Nederland naar andere EEG-lidstaten
Notificatieprocedure ex. art. 77 t/m 79 bij Verzekeringskamer
verzekeraar met zetel in Nederland die bijkantoor opent in andere lidstaat EEG
Notificatieprocedure ex. art. 80 t/m 82 bij Verzekeringskamer
dochtervennootschap in andere EEG-lidstaat
“Host” country-control (toezicht door toezichthouder van zetel dochtervennootschap, vergunning)
In de Memorie van Toelichting7 bij de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 begon de toelichting op de daarmee samenhangende wijzigingen in de regeling voor de portefeuilleoverdracht als volgt:
“De derde richtlijn schadeverzekering en de derde richtlijn levensverzekering brengen ook de regeling voor de portefeuille-overdracht in overeenstemming met het single licence-beginsel. Lid-staten moeten voorzien in een regeling van overdrachten in of naar andere lid-staten door bijkantoren van verzekeraars met zetel in de betrokken lid-staat.”
Een dergelijke regeling werd in de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 opgenomen in de artikelen 1218 tot en met 128 voor schadeverzekeringen en 1299 tot en met 135 voor levensverzekeringen. Niet alleen de verzekeraar met zetel in Nederland, maar ook het bijkantoor in een andere lidstaat van een verzekeraar met zetel in Nederland, moest zich tot de Verzekeringskamer gaan wenden als het ging om de overdracht van portefeuilles. Voor een portefeuilleoverdracht in Nederland van de verzekeraar met zetel in een andere lidstaat aan een andere verzekeraar was als gevolg van het single licence-beginsel geen toestemming van de Verzekeringskamer meer nodig. De wetgeving van het land waarin die verzekeraar zijn zetel heeft, moest dus ook bepalingen gaan bevatten op basis van het single licence-beginsel en het home country control beginsel.
Verzekeringskamer toetst de gevolgen van de portefeuilleoverdracht voor het bedrijf van zowel de overdragende verzekeraar als de overnemende verzekeraar; geen wijziging ten opzichte van eerdere wetgeving
De wettekst van de nieuwe artikelen 122 lid 2 en 130 lid 2 Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 (“Voor een overdracht aan een verzekeraar met zetel in Nederland verleent de Verzekeringskamer geen toestemming indien deze verzekeraar, mede gelet op de voorgenomen overdracht, niet beschikt over de vereiste solvabiliteitsmarge.”) impliceert in lijn met de (parlementaire geschiedenis van) eerdere wetgeving, en ook omdat andere duiding in de parlementaire geschiedenis van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 ontbreekt, dat het als een minimumvoorwaarde moet worden gezien dat de verkrijgende verzekeraar over de vereiste solvabiliteitsmarge beschikt. De Verzekeringskamer kon dus ook in verband met andere bezwaren besluiten geen toestemming te verlenen. Voor wat betreft de overdracht van een levenportefeuille zien we dat ook weer terug in de tekst van art. 131 lid 4 Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 waarin is bepaald dat de Verzekeringskamer toestemming verleent indien “tegen de overdracht ook bij de Verzekeringskamer geen bedenkingen bestaan of aan deze bedenkingen is tegemoetgekomen”.
Geen wijzigingen in opzegrecht en verzetrecht
De tekst van art. 123 lid 4 Wet toezicht verzekeringsbedrijf 199310 met betrekking tot het opzegrecht van verzekeringnemers bij een portefeuilleoverdracht van schadeverzekeringen bleef gelijk aan de tekst van art. 53 lid 4 Wet toezicht verzekeringsbedrijf. Blijkens art. 125 lid 4 Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 hadden verzekeringnemers ook nog steeds een opzegrecht in het geval van een portefeuilleoverdracht door een verzekeraar met zetel in een andere lidstaat in geval van overdracht van rechten en verplichtingen uit of krachtens een of meer schadeverzekeringen in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een bijkantoor in Nederland. Het ging dan om een opzegrecht volgens de door het recht van de betrokken andere lidstaat bepaalde wijze, en bij gebreke van een dergelijke regeling, overeenkomstig art. 123 lid 4 Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993.
Zo bleef ook de tekst van art. 131 lid 4 Wet toezicht verzekeringsbedrijf 199311 met betrekking tot het verzetrecht van polishouders bij een portefeuilleoverdracht van levensverzekeringen gelijk aan de tekst van art. 53c lid 4 Wet toezicht verzekeringsbedrijf. Blijkens art. 132 lid 1 Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 hadden de betrokken polishouders ook nog steeds het recht zich bij de Verzekeringskamer schriftelijk tegen de overdracht te verzetten, indien een verzekeraar met zetel in een andere lidstaat dan Nederland toestemming vroeg aan de toezichthoudende autoriteit van de lidstaat van zijn zetel om zijn rechten en verplichtingen uit een of meer overeenkomsten van levensverzekering in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een bijkantoor in Nederland over te dragen aan een andere verzekeraar.
Het opzegrecht van verzekeringnemers respectievelijk het verzetrecht van polishouders bleef dus feitelijk ongewijzigd.
Parlementaire geschiedenis van belang in twee uitspraken van de Rechtbank Rotterdam van 13 februari 2023
Bij de invoering van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 werd in de “schadeprocedure” de tekst van art. 53 lid 1 Wet toezicht verzekeringsbedrijf “Indien met toestemming van de Verzekeringskamer overdracht van rechten en verplichtingen heeft plaatsgevonden, maakt de verzekeraar die zijn rechten en verplichtingen heeft overgedragen, de overdracht bekend in de Nederlandse Staatscourant en op andere wijze, door de Verzekeringskamer te bepalen in het belang van diegenen die aan de betrokken overeenkomsten rechten kunnen ontlenen. (…)” in art. 123 lid 1 Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 gewijzigd in: “De verzekeraar die zijn rechten en verplichtingen met toestemming van de Verzekeringskamer heeft overgedragen, doet van de overdracht mededeling in de Staatscourant en op andere door de Verzekeringskamer te bepalen wijze. (…)”.
In de “levenprocedure” werd de tekst van art. 53c lid 1 Wet toezicht verzekeringsbedrijf “Indien de Verzekeringskamer tegen het ontwerp aanvankelijk geen bezwaren heeft of nadat aan deze bezwaren is tegemoetgekomen, maakt de verzekeraar zijn voornemen tot overdracht van rechten en verplichtingen bekend in de Nederlandse Staatscourant en op andere door de Verzekeringskamer in het belang van de polishouders te bepalen wijze. (…)” in art. 131 lid 1 Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 gewijzigd in: “Indien de Verzekeringskamer tegen het ontwerp aanvankelijk geen bedenkingen heeft of nadat aan deze bedenkingen is tegemoetgekomen, doet de verzekeraar van zijn voornemen tot overdracht van rechten en verplichtingen mededeling in de Staatscourant en op andere door de Verzekeringskamer te bepalen wijze. (…).
Het schrappen van de woorden “in het belang van diegenen die aan de betrokken overeenkomsten rechten kunnen ontlenen” werd in de Kamerstukken toegelicht met de opmerking:
“De redactie is bekort door schrapping van de zinsnede «in het belang van diegenen die aan de betrokken overeenkomsten rechten kunnen ontlenen». Deze zinsnede voegt niets toe aangezien de Verzekeringskamer uiteraard optreedt in het belang van de betrokkenen bij de verzekeringsovereenkomst.”12
In 2023 speelde dit deel van de wetshistorie een rol bij het oordeel van de Rechtbank Rotterdam13 over de opdracht die DNB op grond van art. 3:119 lid 1 Wft gaf bij de voorbereiding van de beschikking met betrekking tot de juridische fusie van Optas Pensioenen en Aegon Levensverzekering. Dit betrof de opdracht om advertenties te plaatsen in de Staatscourant en drie landelijke dagbladen. De eisers betoogden dat DNB met deze opdracht aan Optas/Aegon geen juiste toepassing heeft gegeven aan dit artikellid.