Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/2.2.6.2.0
2.2.6.2.0 Introductie
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977224:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
D. Langedijk, De schoolstrijd, s-Gravenhage: Van Haeringen 1935, p. 3, 199 en Bibliografie van den schoolstrijd 1795-1920, s-Gravenhage: Abr. Kuyperstg. 1931.
Vgl. M. Laemers (red.), De houdbaarheid van het duale stelsel. Overeenkomsten en verschillen tussen openbaar en bijzonder onderwijs 100 jaar na de Pacificatie, Den Haag: Sdu 2017.
Langedijk 1935, p. 15, 68, 170, 221-222.
Vermeulen 1999, p. 15-19.
Vermeulen 2007, p. 7.
Boekholt 2000, p. 18.
A.M. van der Giezen, De eerste fase van de schoolstrijd in Nederland (1795-1806), (diss. GUA), Assen: Van Gorcum 1937, s.n. Voorbericht, p. 93-94.
Ph.J. Idenburg, Schets van het Nederlandse schoolwezen, Groningen: Wolters 1964, p. VII, 25 e.v., 53 en voor necrologie van Idenburg: F. van Wieringen, ´In memoriam Ph.J. Idenburg’, PS 1996, 73, p. 3-5.
Artikel 14 bevat een sanctiebepaling bij overtreding van artikel 12, A.M. van der Giezen 1937 p. 132 en A.A. de Bruin, Het ontstaan van de schoolstrijd. Onderzoek naar de wortels van de schoolstrijd in de Noordelijke Nederlanden gedurende de eerste helft van de 19de eeuw: een cultuurhistorische studie, Barneveld: Bolland 1985.
Wet van 3 april 1806, artikel 12 (admissierecht); vgl. Idenburg 1964, p. 28, 38-39.
Wet van 8 december 1889, Stb. 1889, nr. 175 en R. Fraanje, ’Een kleine historie van de christendemocratie’, in: P. Dijkman e.a., Gemeene gratie, Amsterdam: Van Lennep 2015, p. 16.
Vermeulen 1999, p. 19.
J.D. Snel, ‘De bevrediging van 1917, Binnenhof buitenom’, CDV Winter 2017, p. 24.
Schoolstrijd en burgerschap
Historicus Langedijk omschrijft de schoolstrijd als ‘een strijd der geesten, een kamp tusschen twee wereldbeschouwingen, die anders antwoorden op de vraag: Wat dunkt U van den Christus? In zijn voornaamste, zijn diepe betekenis is ‘de kamp voor de school met den Bijbel’, een strijd der geesten, de strijd tusschen het Koninkrijk Gods en het Rijk van de wereld’.1 Uit dit oogpunt bezien is de geschiedenis van ‘het Christelijk schoolwezen’ belicht en ‘zoo alleen komt de strijd die onze vaderen hebben gevoerd tot zijn recht. Maar ook […] dat hij met de financieele gelijkstelling niet is ‘geëindigd’.2
Schoolstrijd en burgerschap ondeelbaar verbonden
In de fasering van de schoolstrijd geeft Langedijk drie perioden aan: (a) strijd om de vrijheid van onderwijs (1806-1857), (b) strijd om het karakter van de openbare school (1857-1889) en (c) strijd om de financiële gelijkstelling (1889-1920).3 Schoolstrijd en burgerschap zijn ondeelbaar verbonden. Het handelt om de uitruil van het maatschappelijk-culturele en - in verbinding met de kiesrechtkwestie - politieke burgerschap.
Vermeulen bepaalt als eerste fase 1795 tot 1848: ‘het geven van onderwijs is vrij’; als tweede 1848 tot 1889: de verkrijging van rijkssubsidie en als laatste 1889 tot 1917: de verkrijging van volledige financiële gelijkstelling en het algemeen mannenkiesrecht: de vredes-uitruil of Pacificatie.4
Deze strijd betrof meer dan de financiële gelijkstelling. Deze stond ‘model voor de omvattende aanspraak van orthodoxe christenen en katholieken om volwaardig deel te nemen aan het politieke leven, en om de samenleving in te richten langs lijnen van godsdienstige overtuigingen’.5
Boekholt hanteert, door het principe te laten prevaleren boven de vormgeving, de periode 1795 tot 1848 als de echte schoolstrijd en 1848 tot 1920 als een langdurige nastrijd.6 Van der Giezen geeft zijn dissertatie de titel De eerste fase van de schoolstrijd in Nederland (1795-1806) mee. Hij motiveert deze met ‘de verschillend gerichte componenten van de onderwijspolitiek der Bataafse Republiek en de combinering tot een resultante: de LO-wet van 1806’.7
Idenburg: opkomen tegen dominerend humanisme
Idenburg ziet als eerste fase het verzet van de burgerstand tegen de overheersing van het verbale formalisme in de openbare schoolopvoeding en het opkomen van een realistische beschouwing tegenover het dominerend humanisme (‘de eenheid onder leiding van de staat’). De tweede fase kenmerkt zich als een gespannen autocratische centralisatie (‘de eenheid onder spanning’), terwijl in de derde fase ‘de pacificerende verscheidenheid’ is erkend.8 Het humanisme oefent een krachtige invloed uit op het godsdienstig leven, het burgerschap en de ontluikende natievorming.
Kernjaren: 1795-1848-1889-1917
Als fasering van de schoolstrijd houd ik de ankerpunten van wetgeving aan:
openbare algemeen-christelijke volksschool (1795-1848/1857),
vrijheid van onderwijs en het subsidierecht (1848/1857-1889) en
financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder lager onderwijs (1889-1917).
Van 1795 tot 1806 ontwikkelt zich de openbare algemeen-christelijke school die volgens de LO-wet 1806 kan bestaan uit openbare en bijzondere scholen met wettelijke autorisatie- en sanctiebepalingen.9
Admissierecht tot 1848/1857
Voor de stichting van scholen is vanaf 1806 een vergunning van de plaatselijke (gewestelijke of landschaps)overheid als admissie verplicht (artikel 12).10 In de tweede fase van 1857 tot 1889 bestaat geen vergunningvereiste meer, en vervalt de eis van een algemeen-christelijke grondslag van de school, maar er is nog steeds geen rijkssubsidie voor het bijzonder lager onderwijs.11
Financiële gelijkstelling: het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der Regering
De laatste fase van 1889 tot 1917 eindigt met de financiële gelijkstelling (artikel 192 Gw van 1917): ‘Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der Regering’.12 Met de doorhaling van de term ‘openbaar’ en vastlegging in de Grondwet van de gelijke verplichtingen en financiële aanspraken in de leden 5 tot en met 7 voor het openbaar en bijzonder onderwijs, is de vrede getekend.13