Einde inhoudsopgave
Een Nederlandse personenvennootschap met beperkte aansprakelijkheid (IVOR nr. 81) 2011/2.4.3
2.4.3 Harmonisatie en deregulering in het vennootschapsrecht
mr.drs. I.S. Wuisman, datum 13-01-2011
- Datum
13-01-2011
- Auteur
mr.drs. I.S. Wuisman
- JCDI
JCDI:ADS394336:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
'Teneinde de vrijheid van vestiging voor een bepaalde werkzaamheid te verwezenlijken, besluiten het Europees Parlement en de Raad (.) bij wege van richtlijnen' (artikel 50 lid 1 VWEU). De harmonisatie dient ertoe `(..) de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in die rechtspersonen als van derden, teneinde die waarborgen gelijkwaardig te maken' (artikel 50 lid 2 sub g VWEU).
Zie: Commissie van de Europese Gemeenschappen (2003), 'Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement; Modernisering van het vennootschapsrecht en verbetering van de corporate governance in de Europese Unie — Een actieplan', COM (2003) 284, blz. 6.
Timmermans, C.W.A. (2002), 'Europees vennootschapsrecht', SEW 2002, blz. 249-252.
Kroeze, M.J. en H.M. Vletter — van Dort (2006), 'Eenvormig vennootschapsrecht: een oud deuntje of toekomstmuziek', in: F. de Ly, et al. (2006), 'Eenvormig bedrijfsrecht: realiteit of utopie?', Den Haag: Boom Juridische Uitgevers, blz. 73-92.
McCahery, J.A. en E.P.M. Vermeulen (2001b), 'The Evolution of Closely Held Business Forms in Europe', 26 Joumal of Corporation Law, blz. 855-878. Zie ook: E.P.M. Vermeulen (2003), 'The Evolution of Legal Business Forms in Europe and the United States; Venture Capital, Joint Venture and Partnership Structures', Proefschrift Universiteit van Tilburg, Den Haag: Kluwer Law International, blz. 150 en J.A. McCahery en E.P.M. Vermeulen (2004), 'The Changing Landscape of EU Company Law', TILEC Discussion Paper no. 2004-023, blz. 23.
De lidstaten hebben van oudsher voor de ontwikkeling en het creëren van vennootschapsrecht autonome bevoegdheden gehad, waardoor een verscheidenheid aan nationale vennootschapsregels is ontstaan. De lidstaten moeten bij het vormgeven van hun nationale vennootschapsrecht rekening houden met de vier vrijheden van het VWEU, met name de vrijheid van vestiging van vennootschappen. Ook in het vennootschapsrecht wordt de vrijheid gewaarborgd door ofwel een verbod op belemmeringen ofwel door harmonisatie. De verplichting dat lidstaten geen beperkingen kunnen stellen aan de vrijheid van vestiging van vennootschappen is opgenomen in artikel 49 jo. 54 VWEU. Het verbod neergelegd in deze artikelen heeft rechtstreekse werking. Met de artikelen 50 en 114 VWEU is de rechtsbasis ontstaan voor de harmonisering van het vennootschapsrecht. De harmonisatie van het vennootschapsrecht dient te resulteren in een betere werking van de interne markt door een afname van de verschillen tussen nationale vennootschapsrechtelijke stelsels.1 Niet alleen worden hierdoor statelijke belemmeringen van de interstatelijke handel geëlimineerd, ook ontstaat er zekerheid voor vennootschappen omdat zij weten waar ze aan toe zijn en welke regels de transacties beheersen.2 Het streven naar meer uniform recht had ook een andere impliciete reden. Door de afname van verschillen in het recht van de lidstaten zou een ontwikkeling van een competitie tussen de rechtstelsels worden belemmerd en een race-to-the-bottom worden voorkomen.3 Voornamelijk Frankrijk was hiervoor verantwoordelijk omdat dit land vreesde dat Nederland, dat een meer flexibel vennootschapsrecht en een aantrekkelijk belastingregime voor buitenstatelijke vennootschappen had, de Europese Delaware zou worden.
Inmiddels zijn er in de Europese Unie diverse harmoniserende verordeningen en richtlijnen op het terrein van het vennootschapsrecht tot stand gekomen en zijn er over de vrijheid van vestiging van vennootschappen een reeks aan arresten door Europese Hof gewezen; allen in het kader van, en met als rechtsbasis, de gemeenschappelijke markt. Door de harmonisatie zijn delen van het vennootschapsrecht in de diverse lidstaten meer op elkaar gaan lijken, voornamelijk de regels voor de beursvennootschappen. Echter, de verschillen tussen de rechtstelsels overheersen. Deze verschillen liggen op het gebied van het algemene vermogensrecht, de structuur van vennootschapsvormen, de volstrekt unieke regelingen geldend alleen in specifieke lidstaten (zoals de structuurregeling in Nederland), en bijvoorbeeld verschillen in de rechten van diverse belangengroepen zoals werknemers.4 Dit kan ertoe leiden dat voor bepaalde (toekomstige) vennootschappen de regelgeving van de ene lidstaat aantrekkelijker is dan de regelgeving van een andere lidstaat. Een van de belangrijkste discussies in het kader van het Europees vennootschapsrecht is dan ook of een 'markt voor vennootschapsrecht' uiteindelijk zal ontstaan binnen de EU, en als het zo is, of het gebaseerd zal zijn op een Delawaregelijkend model waarin vennootschappen vrij de staat van oprichting kunnen kiezen.5