Einde inhoudsopgave
De verbintenisrechtelijke bescherming van de kleine opdrachtnemer (MSR nr. 85) 2023/4.3.2.2
4.3.2.2 De contractuele opzegtermijn
N.M.Q. van der Neut, datum 22-09-2023
- Datum
22-09-2023
- Auteur
N.M.Q. van der Neut
- JCDI
JCDI:ADS855366:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Er kan worden gedacht aan een bepaling in de trant van: “De opdrachtgever moet een opzegtermijn in acht nemen” of “Er geldt een redelijke opzegtermijn”.
HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (Ermes c.s./Haviltex).
HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:141 (Goglio/SMQ).
HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (Ermes c.s./Haviltex).
Bakker 2021, p. 13 en 45; Grosheide & Van der Neut, TAC 2022/2.
Omdat de Haviltex-maatstaf niet enkel wordt toegepast op de totstandkomingsfase, maar steeds opnieuw op relevante volgende momenten, kan dat ertoe leiden dat de rechtsverhouding anders moet worden uitgelegd en daardoor mettertijd van inhoud is veranderd (vgl. Grosheide & Van der Neut, TAC 2021/3). Valk en Schelhaas spreken in dit kader over ‘voortschrijdende Haviltex’ (Valk 2016, p. 31; Schelhaas & Valk, Uitleg van rechtshandelingen (Mon. Pr. Nr. 20) 2022/1.5.2). Daarbij geldt wel dat als de rechter vaststelt dat de inhoud van de overeenkomst in de loop der tijd is veranderd, aan de motivering van dat oordeel hogere eisen worden gesteld naarmate het verschil groter is tussen de rechtsgevolgen van de initiële overeenkomst en de nader tot stand gekomen rechtsverhouding (HR 2 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3876 (VDE/Fuchs)).
De rechter zou dit ook kunnen oplossen door aan de opdrachtnemer een aanvullende (schade)vergoeding toe te kennen (zie par. 4.3.3.1).
HR 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1134 (Pensioenfonds/Alcatel-Lucent); HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:141 (Goglio/SMQ).
Hof Amsterdam 5 juli 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2686.
De opdrachtnemer kan overigens op soortgelijke wijze worden beschermd door een (schade)vergoeding (zie par. 4.3.3.1).
De opdrachtgever en opdrachtnemer kunnen contractueel een opzegtermijn overeenkomen of deze juist uitsluiten. Ik behandel in dit kader drie situaties: (i) een opzegtermijn is contractueel geregeld zonder dat de precieze lengte daarvan is bepaald, (ii) een opzegtermijn en de lengte daarvan zijn contractueel geregeld en (iii) een opzegtermijn is contractueel uitgesloten.
Situatie i: de contractuele opzegtermijn zonder lengtespecificatie
Partijen kunnen in het contract een opzegtermijn opnemen zonder nadere specificatie over de lengte van deze termijn.1 In dat geval is de opzegtermijn zelf bepaald, maar de lengte daarvan onbepaald. Er wordt dan eerst bekeken of deze lengte kan worden vastgesteld via uitleg, wat geschiedt aan de hand van de Haviltex-maatstaf.2 Als uit de uitleg van de contractuele bepalingen in onderlinge samenhang bezien en de verklaringen en gedragingen van partijen echter niet valt op te maken welke lengte zij voor ogen hebben (gehad), laat de contractuele bepaling ruimte voor aanvulling (artikel 6:248 lid 1 BW)3 en moet de lengte van de opzegtermijn overeenkomstig paragraaf 4.3.2.1 worden bepaald.
Situatie ii: de contractuele opzegtermijn met lengtespecificatie
De opdrachtgever en opdrachtnemer die een opzegtermijn contractueel overeenkomen, leggen in de meeste gevallen ook de lengte daarvan vast. In een dergelijk geval is de lengte die de partijen hebben bedongen, bijvoorbeeld één maand, in principe de termijn die in acht moet worden genomen. De Haviltex-maatstaf brengt echter mee dat niet alleen moet worden gekeken naar een zuiver taalkundige uitleg van de contractuele bepalingen,4 maar ook hoe partijen over en weer het overeengekomene redelijkerwijs moesten begrijpen.5 Het is dus mogelijk dat de contractuele termijn van bijvoorbeeld één maand door de verklaringen en gedragingen van partijen zo moet worden uitgelegd dat zij drie maanden hebben bedoeld. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie waarin de overeenkomst tien jaar geleden is aangegaan en het voor de hand ligt dat de lengte van de opzegtermijn zou ‘meegroeien’ met de duur van de overeenkomst, gelet op de uitleg van alle contractuele bepalingen in onderling verband bezien of de wijze waarop de opdrachtgever en opdrachtnemer zich over en weer nadien hebben gedragen. Ook is het denkbaar dat de inhoud van de overeenkomst in de loop der tijd is gewijzigd.6
In de situatie dat zowel de opzegtermijn als de lengte daarvan contractueel is bepaald, is doorgaans geen ruimte voor aanvulling (artikel 6:248 lid 1 BW). De op zichzelf heldere opzegtermijn kan in de gegeven omstandigheden nog wel worden vernietigd indien het beding kwalificeert als algemene voorwaarde en wordt aangemerkt als onredelijk bezwarend (artikel 6:233 sub a BW), dan wel terzijde worden geschoven vanwege de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 BW). Dit kan erin resulteren dat de opdrachtgever helemaal geen opzegtermijn in acht hoeft te nemen, maar het is ook mogelijk dat door het buiten toepassing verklaren van de contractuele opzegtermijn, een leemte in het contract ontstaat die aanvulling behoeft (artikel 6:248 lid 1 BW) en leidt tot een langere7 of kortere opzegtermijn dan contractueel is overeengekomen.8 Beide partijen kunnen hier een beroep op doen. De opdrachtgever kan zich erop beroepen dat de contractuele opzegtermijn te lang is, bijvoorbeeld omdat de overeenkomst in verhouding tot de lengte van de opzegtermijn maar kort heeft geduurd of omdat sprake is van een dringende reden (zie paragraaf 4.3.2.1, waarin ik de stelende opdrachtnemer en de verplichte stillegging van de economische activiteiten als voorbeelden heb gegeven). De opdrachtnemer kan juist het standpunt innemen dat de contractuele opzegtermijn te kort is, waarin hij vermoedelijk zal wijzen op de aanwezigheid van een aantal omstandigheden zoals uitgewerkt in paragraaf 4.3.2.1. In dit kader overwoog het gerechtshof Amsterdam dat de economische afhankelijkheid van de pakketbezorger (opdrachtnemer) nog niet maakte dat PostNL (opdrachtgever) daarom een langere termijn dan de contractuele opzegtermijn van één maand in acht had moeten nemen.9 Een interessante toevoeging van het hof is dat dit mogelijk anders zou zijn als de overeenkomst aanzienlijk langer had geduurd dan nu het geval is geweest (ongeveer negentien maanden) of als de opdrachtnemer in overleg met de opdrachtgever zodanige investeringen zou hebben gedaan dat hij die nimmer meer zou hebben kunnen terugverdienen.
Situatie iii: de contractuele uitsluiting van de opzegtermijn
De opdrachtgever en opdrachtnemer kunnen expliciet in de overeenkomst hebben opgenomen dat geen opzegtermijn geldt en dus dat direct kan worden opgezegd. In die situatie is vaak geen ruimte voor aanvulling (artikel 6:248 lid 1 BW) en kan de opdrachtnemer alleen nog de bescherming van een opzegtermijn genieten indien de contractuele bepaling als onredelijk bezwarend wordt aangemerkt (artikel 6:233 sub a BW), voor zover sprake is van een algemene voorwaarde, of naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (artikel 6:248 lid 2 BW).10 Hierbij wijs ik er nogmaals op dat beide toetsingsmaatstaven een zeer strenge norm inhouden.11 Als hieraan wordt voldaan en het beding wordt vernietigd, respectievelijk buiten toepassing wordt verklaard, kan een lacune ontstaan. In het geval dat die lacune aanvulling behoeft, kan worden aangevuld (artikel 6:248 lid 1 BW) overeenkomstig paragraaf 4.3.2.1, waardoor de opdrachtnemer alsnog de bescherming van een opzegtermijn kan genieten.