Einde inhoudsopgave
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/8.4.1.2
8.4.1.2 Het bouwverbod
mr. P.A. Fruytier, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. P.A. Fruytier
- JCDI
JCDI:ADS284648:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Overheid en privaatrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
De bepaling is per 24 december 2008 vervallen, omdat de mogelijkheid van het opleggen van een bouwverbod toen uit de LVW is geschrapt: Stb. 2008/561.
HR 19 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1972, RvdW 2018/1158 (Chipshol/Schiphol II).
Deze vordering werd afgewezen omdat volgens het advies van de deskundigen het commerciële resultaat van de commerciële exploitatie van de gronden niet op een hoger bedrag uitkomt dan het resultaat dat op basis van verkoop van de betrokken percelen tegen marktprijzen voor bouwrijpe grond kan worden verkregen. Om die reden vormde de misgelopen exploitatieschade geen zelfstandige schadepost. Of nog anders gezegd: die werd reeds vergoed door de compensatie van de waardevermindering van de grond. Het deskundigenadvies is kenbaar uit het arrest HR 19 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4476, NJ 2011/121, m.nt. P.C.E. van Wijmen (Chipshol/Schiphol I).
HR 19 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1972, RvdW 2018/1158 (Chipshol/Schiphol II).
663. Een bouwverbod kent dezelfde onrechtmatigheidsconstructie als het onteigeningsbesluit: het besluit is steeds onrechtmatig in enge zin wegens een inbreuk op een subjectief recht. Een bouwverbod zal in de regel dezelfde type rechten beperken als een onteigeningsbesluit: het eigendomsrecht, het huurrecht etc. Als het besluit geldig is, ontbreekt aansprakelijkheid. De rechtsinbreuk is dan gerechtvaardigd. Systematisch gesproken zou daarom bij bouwverboden de vraag naar de beschermingsomvang hetzelfde beantwoord moeten worden als bij het onteigeningsbesluit. De onrechtmatigheidsconstructie is immers gelijk.
664. Die hypothese vindt bevestiging in een in de wet uitgewerkte schadevergoedingsregeling voor bouwverboden. Bouwverboden rond luchthavens kenden (tot het vervallen van de regeling in december 2008)1 een eigen wettelijke schadevergoedingsregeling in art. 38 jo. art. 50 Luchtvaartwet (Lvw). Art. 38 Lvw bood de mogelijkheid om voor terreinen binnen een straal van 5000 meter van een luchtvaartterrein vergaande beperkingen te stellen aan de bouwmogelijkheden. Art. 50 Lvw bevatte een schadevergoedingsregeling:
“1 De schade, welke door:
de eigenaren der terreinen,
de rechthebbenden op een beperkt recht waaraan de terreinen zijn onderworpen,
hen, die een persoonlijk recht hebben ten aanzien van de terreinen,
waarop een verbod, als bedoeld in artikel 38, gelegd wordt, door dit verbod mocht worden geleden, wordt door de exploitant van het luchtvaartterrein vergoed.”
665. In deze regeling herkent men de rechtsinbreukconstructie terug. De regeling noemt de rechthebbenden wier recht door het rechtsinbreuk makend verbod beperkt worden: eigenaar, beperkt gerechtigden en degenen met een persoonlijk recht op het terrein. De schade van deze rechthebbenden moet worden vergoed. Art. 54 Lvw verklaarde verder een belangrijk deel van de Ow van overeenkomstige toepassing. Dat is begrijpelijk, omdat het in beide gevallen in essentie om dezelfde rechtsinbreukconstructie gaat.
666. In de (schaarse) rechtspraak over art. 50 Lvw corresponderen de toegekende schadeposten met het beschermingsbereik van het geschonden eigendomsrecht. In Chipshol/Schiphol II oordeelt de Hoge Raad dat de schade moet worden begroot in overeenstemming met de uitgangspunten van het onteigeningsrecht.2 In lijn daarmee nemen hof en Hoge Raad tot uitgangspunt dat exploitatieschade voor vergoeding in aanmerking komt.3 Ook de waardevermindering als gevolg van het verbod alsmede eventuele misgelopen waardevermeerdering gedurende de duur van het bouwverbod komen voor vergoeding in aanmerking.4 Dat strookt met de strekking van het eigendomsrecht. De Ow dient dus ook bij bouwverboden als blauwdruk.