Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.7.1
2.7.1 De redelijkheid en billijkheid in het erfrecht
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859149:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Hof Den Haag 7 februari 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:220.
Rb. Den Haag 16 januari 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:4.
Hof Den Haag 12 mei 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:891.
De rechtszekerheid is belangrijk in het erfrecht, maar dit tijdsargument overtuigt niet. Zie hierover bijvoorbeeld Reijnen, TE 2020/04, p. 100-104. In de navolgende paragrafen kom ik hier nader over te spreken.
Zie bijvoorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden 21 januari 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:373 waar het hof geen ruimte ziet voor de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid bij erfstellingen en G.J. Scholten in zijn noot bij HR 11 januari 1974, ECLI:NL:HR:1974:AC1781, NJ 1974/187 (Van Duin/Maria Leek) die betoogt dat een beroep op de goede trouw (redelijkheid en billijkheid) om een testamentaire beschikking niet uit te voeren niet is toegestaan. Vgl. ook Vegter, WPNR 2019/7234, p. 282-293 die geen rol ziet voor de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid op het uitlegresultaat dat aan de hand van art. 4:46 BW wordt bereikt. In dezelfde zin concluderen Luijten & Meijer, TE 2008/06, p. 83-87.
Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam 15 augustus 2002, ECLI:NL:GHAMS:2002:AF5771, NJ 2003/53 (zie hierover nader par. 2.7.4), Rb. Haarlem 19 maart 2008, ECLI:NL:RBHAA:2008:BD5329, NJF 2008/374, Rb. Utrecht 1 september 2010, ECLI:NL:RBUTR:2010:BN5787 (zie hierover nader par. 2.7.5), Hof Amsterdam 3 mei 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ4751, Rb. Den Haag 8 juni 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BU8572, Rb. Middelburg 5 oktober 2011, ECLI:NL:RBMID:2011:BU6593 (zie hierover nader par. 2.7.6) en Rb. Roermond 8 november 2011, ECLI:NL:RBROE:2011:BU3506.
Asser/Perrick 4 2021/35, Lieber, FJR 2019/11, p. 47, concl. A-G M.L.C.C. Lückers, ECLI:NL:PHR:2018:407, bij HR 6 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1102, Mollema, WPNR 2008/6773, p. 820-827, Mollema, JBN 2009/1 en Mollema, WPNR 2012/6918, p. 141-147, Van Mourik, WPNR 2007/6709, p. 407-417, F. Schols, in: Handboek Erfrecht 2020, p. 217-218. Vgl. ook Verstappen in zijn noot bij HR 6 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1102, NJ 2018/441.
Lieber, FJR 2019/11, p. 47.
Anders Rheinfeld & B. Schols die hierover het volgende opmerken: ‘Men moet de al dan niet onaanvaardbaarheid vervolgens niet zoeken in de totstandkoming en strekking van de commoriëntenregel, want die is naar de letter niet van toepassing. Dat staat buiten kijf. Dus in zoverre hoeft men ook niet naar de onderliggende wortels van de ‘Beneluxovereenkomst’ te kijken, althans dan zijn die ook niet doorslaggevend. (…) formeel is deze regel dus niet van toepassing en dus moet in het totstandkomingsproces daarvan ook niet de oplossing gezocht worden. De beginselen van de redelijkheid en billijkheid kunnen autonoom hun werk doen in dezen’, WPNR 2020/7304, p. 858. Deze mening van Rheinfeld & Schols deel ik niet. Als het hof in deze situatie corrigeert op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid dan is dat in feite een uitbreiding van de commoriëntenregel. De gedachten van de wetgever zijn daarom een relevante omstandigheid. In gelijke zin Van Wijk-Verhagen, FJR 2021/14, p. 60. Volledigheidshalve wijs ik nog op de reacties van Rieter en Van Tongeren op de bijdrage van Rheinfeld & B. Schols, WPNR 2021/7311, p. 113-114 resp. WPNR 2021/7311, p. 114 en het naschrift van Rheinfeld & B. Schols, WPNR 2021/7311, p. 115. Zie over deze uitspraak verder bijvoorbeeld Reijnen, TE 2020/04, p. 100-104 en De Jonge, JBN 2020/56, p. 15-17.
In de spraakmakende kwestie over een fatale huwelijksreis is de redelijkheid en billijkheid in het erfrecht duidelijk naar voren gekomen.
M en V zijn zonder het maken van huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd. Een dag na de huwelijksvoltrekking zijn zij op huwelijksreis vertrokken naar de Dominicaanse republiek. Tijdens deze reis is het pasgetrouwde stel op dezelfde dag en vrij snel na elkaar in het ziekenhuis overleden aan de gevolgen van een voedselvergiftiging.
Het Gerechtshof Den Haag overweegt in de procedure tot benoeming van een vereffenaar in de nalatenschappen dat de volgorde van overlijden als het ware te bestempelen is als de aanwijzing van het lot. De tijdsspanne tussen het overlijden is dermate kort dat de vraag kan worden gesteld of onverkorte aansluiting bij het wettelijke erfrecht in deze passend is.1 De moeder van M beantwoordt deze vraag bevestigend en vordert bij de Rechtbank Den Haag onder meer een verklaring voor recht dat M, bij uitsluiting van ieder ander, de enig erfgenaam is van V. De Rechtbank Den Haag gaat daar niet in mee. Voor de rechtbank staat weliswaar vast dat V eerder is overleden, maar gelet op de zeer uitzonderlijke situatie dient artikel 4:10 BW buiten toepassing te blijven. Die omstandigheden zijn dat partijen slechts twee weken getrouwd waren, zij niet in een testament hun wensen inzake hun nalatenschap hebben vastgesteld en als zij dat gedaan hadden zij naar alle waarschijnlijkheid voor deze situatie iets anders hadden bepaald dan de wettelijke regeling alsmede dat zij op zeer korte termijn na elkaar aan dezelfde oorzaak zijn overleden. Het onder deze omstandigheden toepassing geven aan artikel 4:10 BW, waarbij het gehele vermogen van V en M alleen bij de familie van M terechtkomt, druist in tegen het rechtsgevoel en is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, aldus de rechtbank. De conclusie is dan ook dat M geen erfgenaam is in de nalatenschap van V, maar de familie van V.2
Tegen deze uitspraak wordt hoger beroep ingesteld door de moeder van M.3 Het hof staat eerst stil bij de toepasselijkheid van artikel 6:2 BW in het erfrecht. Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat artikel 6:2 lid 2 BW ook geldt buiten het verbintenissenrecht en in dit geval het erfrecht. Het hof verwijst hierbij naar de volgende passage uit de wetsgeschiedenis:
‘Daarmede is niet a contrario gezegd dat buiten de aangegeven gevallen voor analogische toepassing geen plaats zou zijn. […] en dus wordt het aan de vrije waardering van de rechter overgelaten daartoe over te gaan indien hij daartoe voldoende grond aanwezig acht.’ (Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 837).
Het hof voegt daaraan toe dat dit ook het heersende standpunt is in de rechtsliteratuur.
Met de bewoordingen van artikel 6:2 lid 2 BW heeft de wetgever, zo blijkt uit de wetsgeschiedenis (Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 68), tot uitdrukking gebracht dat de rechter deze mogelijkheid terughoudend moet toepassen. Volgens het hof gaat het er niet om of toepassing van de rechtsregel al dan niet onredelijk is, maar of die toepassing leidt tot onaanvaardbare gevolgen en dat wordt niet snel aangenomen. Vaste rechtspraak is dan ook dat sprake moet zijn van uitzonderlijke omstandigheden, aldus het hof. Bij de vaststelling van wat de redelijkheid en billijkheid eisen, moet de rechter rekening houden met algemeen erkende rechtsbeginselen, de in Nederland levende rechtsovertuigingen en maatschappelijke en persoonlijke belangen (art. 3:12 BW). Verder zal de rechter volgens het hof ook moeten letten op het systeem van de wet.
Specifiek ten aanzien van het erfrecht overweegt het hof nog het volgende:
‘Het erfrecht regelt de overgang van goederen (van de erflater op de erfgenamen). Dit raakt niet alleen de rechten van de erfgenamen, maar ook de rechten van anderen. Een belangrijk rechtsbeginsel in het erfrecht is dan ook het beginsel van rechtszekerheid, in de zin van zekerheid over wat de regels inhouden in een specifieke situatie. Zowel voor de erfgenamen als voor anderen (bijvoorbeeld kopers van een in de nalatenschap vallende woning) is namelijk belangrijk dat snel definitief vaststaat op wie de goederen in de nalatenschap zijn overgegaan. Onzekerheid daarover belemmert de (definitieve) afwikkeling van een nalatenschap en een ordelijk rechtsverkeer.4 Gelet op de aard van het erfrecht moet de rechter dan ook extra voorzichtig zijn om op grond van artikel 6:2 lid 2 BW een erfrechtelijke regel buiten toepassing te laten.’
Met dit uitgangspunt beoordeelt het hof of in dit geval toepassing van artikel 4:10 lid 1 sub a BW leidt tot (naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid) onaanvaardbare gevolgen. Daarbij acht het hof van belang dat de wetgever een vergelijkbare situatie als in deze zaak speelt uitdrukkelijk onder ogen heeft gezien en ervoor gekozen heeft de commoriëntenregel (toch) niet aan te passen.
Het hof concludeert uiteindelijk dat niet wordt voldaan aan de hoge lat om een rechtsregel buiten toepassing te laten op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid.
Het gaat er niet zozeer om dat het hof en de rechtbank de omstandigheden van het geval anders wegen en daarmee tot een verschillende uitkomst komen. Interessant is dat het hof evenals de rechtbank ruimte ziet om onder bijzondere omstandigheden de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid een rol te laten spelen in alle facetten van het erfrecht. Hierover is in het verleden in de literatuur en rechtspraak ook wel anders gedacht.5 Uit de overwegingen van het hof – en dat blijkt ook wel uit andere rechtspraak6 en literatuur7 – wordt dus voldoende duidelijk dat er plaats is voor de redelijkheid en billijkheid in het erfrecht. Hoewel artikel 6:2 BW een verbintenisrechtelijke bepaling is, is zijn speelruimte niet tot het verbintenissenrecht beperkt. Zoals uit deze uitspraken ook volgt, en de parlementaire geschiedenis wijst daar ook op, kan deze bepaling daarbuiten eveneens toepassing vinden. In het erfrecht heeft de redelijkheid en billijkheid daarbij niet alleen vaste voet aan wal gekregen bij erfrechtelijke verbintenissen zoals een legaat of legitieme portie, maar in het gehele erfrecht. Dat betekent dat ook bij erfgenaamschap de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid corrigerend kan werken.
Uit de uitspraak van het Hof Den Haag volgt verder dat toepassing van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid niet snel in het vizier komt. Het gaat om uitzonderlijke omstandigheden. Volgens Lieber is er alleen in heel uitzonderlijke gevallen aanleiding voorbij te gaan aan wat de erflater wil of de wet bepaalt, omdat vooral boek 4 BW de meeste gevallen al regelt. Hierbij wijst hij naast de nietigheden, vernietigbaarheden en verboden beschikkingen ook op onwaardigheid. Dit zijn in wezen concrete in de wet vastgelegde toepassingen van de eisen of maatstaven van redelijkheid en billijkheid, aldus Lieber.8 Met Lieber ben ik van mening dat de redelijkheid en billijkheid al in artikel 4:3 BW verweven zit. Dat neemt echter niet weg dat de redelijkheid en billijkheid ook hier nog een rol kan vervullen.
Verder springt in het oog dat het Hof Den Haag belang hecht aan de opvattingen van de wetgever ten aanzien van de commoriëntenregeling. De regel speelt geen directe rol, maar de gedachten van de wetgever bij de aanpassing van artikel 878 lid 1 OBW aan de Benelux-overeenkomst zijn wel van betekenis. Bij de beoordeling of de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat artikel 4:10 lid 1 sub a BW buiten toepassing moet blijven, is volgens het hof dan ook van belang dat de wetgever een vergelijkbare situatie als in deze zaak speelt, uitdrukkelijk onder ogen heeft gezien en ervoor heeft gekozen de wet (toch) niet aan te passen.9 Hetzelfde geldt mijns inziens bij artikel 4:3 BW. De gedachten en overwegingen van de wetgever bij artikel 4:3 BW zijn van betekenis indien een persoon niet onwaardig is om te erven en er vervolgens bezien wordt of de eisen van redelijkheid en billijkheid ertoe leiden dat deze persoon desondanks geen voordeel mag genieten uit de nalatenschap. In de navolgende paragrafen komt dit nader aan de orde, maar nu eerst een korte blik op het huwelijksvermogensrecht.10