Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/7.3.5.4.2
7.3.5.4.2 Feitelijke vermoedens en (in)direct bewijs
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940241:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 17 april 1991, BNB 1991/218.
Koopman 1996, par. 3.5.1.2.1, Meyjes/Van Soest, Van de Berge & Van Gelderen 1997, p. 107.
Hof ’s-Hertogenbosch 10 februari 2017, V-N 2017/24.6, r.o. 4.14, Hof ‘s-Gravenhage 14 november 1967, BNB 1968/192. Zie ook paragraaf 7.3.7.4.2.
HR 26 mei 1954, BNB 1954/235. Ook EU-rechtelijk wordt dit uitgangspunt geaccepteerd, zie HvJ EU 5 oktober 2016, nr. C-576/15, V-N 2016/55.11. Zie voorts Feteris 2007, p. 481 en Happé e.a. 2010, p. 402-403.
HR 25 juni 2021, V-N 2021/29.15, BNB 2021/125, r.o. 3.3.4.
Zie omtrent het vermoeden als bewijsmiddel bijvoorbeeld De Blieck e.a. 2009, p. 253 (degene op wie de primaire bewijslast rust, kan daar via het vermoeden aan voldoen) en Meyjes/Van Soest, Van de Berge & Van Gelderen 1997, p. 107 en 108, alsmede p. 111. Binnen het algemene bestuursrecht is de steun steviger, zie Schuurmans 2005, p. 317. Uit de recentere jurisprudentie wijs ik op Hof Den Haag 5 januari 2021, V-N 2021/14.21.11, r.o. 5.7 en Hof Den Haag 23 december 2015 (wrakingskamer), V-N 2016/14.5, r.o. 12.
Koopman 1996, par. 3.5.1.2.1. Niettemin houdt hij (voor gevallen van bewijsnood) wel degelijk rekening met de tussenstap-gedachte, zie Koopman 1996, par. 3.5.2.3 en par. 3.5.3.2, slot. Vgl. ook de Hofuitspraak (r.o. 5.3) die leidde tot HR 5 februari 2021, V-N 2021/9.7 (art. 81 Wet RO), waarin het Hof oordeelde dat de door de ene partij aangedragen omstandigheden ‘dermate sterke aanwijzingen’ opleverden dat het aan de wederpartij was om het tegendeel aannemelijk te maken.
Conclusie A-G Niessen 29 januari 2015, V-N 2015/13.5, punt 4.9. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond onder verwijzing naar art. 81 Wet RO (HR 24 april 2015, BNB 2015/159).
Feteris 2002, p. 370 stelt – mijns inziens terecht – dat er ‘in eigenlijke zin geen sprake is van een verlegging van de bewijslast’.
Zie bijvoorbeeld Hof Den Haag 5 januari 2021, V-N 2021/14.21.11, r.o. 5.7 (aannemelijk gemaakt).
Zie daaromtrent paragraaf 7.3.8.3.2.
Zie paragraaf 7.3.7.4 over het proces van bewijsvoering.
In dezelfde zin: Happé e.a. 2010, p. 403, alsmede de Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening bij V-N 2015/13.5.
HR 23 april 2004, BNB 2004/392, r.o. 3.5. Ook in andere arresten is deze lijn duidelijk te herkennen, zie HR 16 september 1992, BNB 1994/2, r.o. 3.1 en HR 13 december 1995, V-N 1996, p. 263.
Steun voor deze opvatting ontleen ik ook aan het arrest HR 23 mei 1990, BNB 1990/240, r.o. 4.5, waarover nader in paragraaf 10.2.2.2.
Als vermoedens niet voldoende blijken te zijn, ligt de oorzaak louter in de (te geringe) bewijskracht.
Zie Hof ‘s-Hertogenbosch 5 november 2015, V-N 2016/9.18, r.o. 4.9 en 4.10. Het Hof leidde uit de feiten (het vermoeden van) een schenking af, en concludeerde dat het tegenbewijs te zwak was.
Zie bijvoorbeeld HR 11 april 2014, V-N 2014/19.6, BNB 2014/167, waarin de Hoge Raad het Hofoordeel om deze reden onvoldoende gemotiveerd en onbegrijpelijk achtte. Zie voor een fraai voorbeeld waarin wél duidelijk werd gemotiveerd: Hof Amsterdam 23 februari 2016, V-N 2016/28.13, r.o. 4.9.
HR 9 juni 1993, BNB 1993/253-255. Zie voorts paragraaf 7.3.10.4.
Een vermoeden is volgens de Hoge Raad een ‘gevolgtrekking, verbonden aan vaststaande feiten en omstandigheden’.1 Vermoedens kunnen meewegen in de bewijsconstructie, mits deze aan vaststaande feiten of omstandigheden zijn ontleend.2 ‘Losse’ vermoedens en ongefundeerde veronderstellingen hebben daarom geen relevantie.3 Hetzelfde geldt voor vermoedens ontleend aan onvoldoende vaststaande feiten. De rechter mag dus uit alle hem gebleken feiten en omstandigheden vermoedens putten, mits het gaat om in rechte vaststaande of behoorlijk bewezen feiten en omstandigheden.4
In het fiscale bewijsrecht wordt veelvuldig gebruik gemaakt van dergelijke feitelijke vermoedens. Dat is vooral aan de orde ‘in gevallen waarin hetgeen moet worden bewezen niet of bezwaarlijk waarneembaar is voor de rechter of voor de partij op wie de last rust het bewijs te leveren’, aldus de Hoge Raad.5 Vrij vertaald: vermoedens zijn handig als er geen direct bewijs voorhanden is.
In het licht van het hiervoor beschreven onderscheid tussen direct en indirect bewijs, zijn de feiten en omstandigheden waaruit een vermoeden wordt afgeleid aan te merken als indirecte bewijsmiddelen. Op basis van die feiten en omstandigheden wordt immers een bepaalde gevolgtrekking gemaakt, die de hoedanigheid van een vermoeden kan hebben. Dat vermoeden staat vervolgens in een rechtstreeks verband met de te bewijzen feiten. De tussenstap die bij indirect bewijs moet worden gemaakt, neemt dan de gedaante aan van het vermoeden.
Naar mijn mening volgt hieruit, dat het vermoeden als zodanig (als gevolgtrekking) een zelfstandig bewijsmiddel is. Hoewel dat vaak niet met zoveel woorden wordt gezegd, is er in de literatuur en jurisprudentie steun voor deze opvatting te vinden.6 In de literatuur komt echter ook wel de opvatting voor dat bij gebruik van een vermoeden in wezen een uitzondering op de hoofdregel van bewijslastverdeling wordt gemaakt (er zou dan een afzonderlijke subregel gelden, inhoudende dat de partij die door een vermoeden de schijn tegen heeft, ook de (primaire) bewijslast krijgt toebedeeld),7 of dat het bewijsrechtelijke gevolg van het vermoeden is dat (alleen) het bewijsrisico naar de andere partij verschuift.8 Naar mijn mening kan het een echter niet zonder het ander: uit de bewijslastverdeling volgt de toedeling van het bewijsrisico.9 Ik ben het dan ook niet eens met deze opvattingen.
Vanwege het voorgaande meen ik dat het van groot belang is om het vermoeden te erkennen als een zelfstandig bewijsmiddel. Degene op wie de primaire bewijslast rust, kan daaraan voldoen door een vermoeden in te brengen. Als dat lukt, dan slaagt de betreffende partij in de op hem rustende bewijslast.10 Als dat niet lukt, bijvoorbeeld omdat de wederpartij tegenbewijs levert door het vermoeden te ontzenuwen,11 blijft degene op wie de primaire bewijslast rust het bewijsrisico dragen (diegene is dan terug bij af12).13 Het is dus niet zo, dat door het vermoeden de bewijslast als zodanig en daarmee het bewijsrisico bij de wederpartij is komen te liggen. De bewijslast is niet anders verdeeld.14
In mijn opvatting ontstaan vermoedens dus als een gevolgtrekking uit andere, indirecte bewijsmiddelen, en tellen ze daarna op reguliere wijze mee als zelfstandig, direct bewijsmiddel.15 Vermoedens kunnen (dus) ook zonder andersoortig (rechtstreeks) bewijs voldoende zijn om de vereiste bewijsgradatie te halen.16
Via de tussenstap van het ontstane vermoeden kunnen feiten en omstandigheden die op zichzelf onvoldoende concludent zijn, toch als grond voor de beslissing dienen.17 Het is vanwege die tussenstap wel noodzakelijk dat de rechter die een vermoeden afleidt uit bepaalde vaststaande feiten, dat expliciteert. Doet hij dat niet, dan ontbreekt er een schakel in zijn bewijsmotivering.18 Dat laat onverlet dat de vorming van vermoedens als zodanig in cassatie slechts beperkt toetsbaar is.19