Einde inhoudsopgave
E-arbitrage (BPP nr. VI) 2009/3.9
3.9 Arbitraal beding in algemene voorwaarden, vervolg 2: Richtlijn oneerlijke bedingen
Mr. J.P. Fokker, datum 04-05-2009
- Datum
04-05-2009
- Auteur
Mr. J.P. Fokker
- JCDI
JCDI:ADS395552:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Nederland had in 1992 een nieuw Burgerlijk Wetboek ingevoerd en meende aanvankelijk dat het Nederlandse privaatrecht in overeenstemming was met de Richtlijn. Dat was volgens de Europese Commissie echter niet het geval. De Commissie startte een inbreukprocedure, die geleid heeft tot een arrest van het HvJ EG, luidende dat Nederland in gebreke was met de verwerking van de Richtlijn (HvJ EG 10 mei 2001, AB 2001, 314, m.nt. Wissink in NTBR 2002, p. 152156). De Nederlandse regering had intussen ingezien dat wijzigingen moesten worden aangebracht; in art. 6:231 werd bepaald dat de uitzondering voor kernbedingen alleen geldt voor zover deze duidelijk en begrijpelijk zijn, terwijl aan art. 6:238 een tweede lid werd toegevoegd waarin werd bepaald dat bij een overeenkomst als bedoeld in art. 6:236 en 237 de bedingen begrijpelijk en duidelijk moeten zijn opgesteld en dat bij twijfel over de betekenis van een beding de voor de wederpartij gunstigste uitleg prevaleert.
Zie S.R. Damminga: 'De Richtlijn oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten', p. 184 in 'De invloed van het Europese recht op het Nederlands privaatrecht', Kluwer Deventer 2007.
C-478/99, Jurispr. p. 1-4147, punt 17, NJ 2003, 74.
Tot zover de eerste opmerkingen over het BW.
Nu de Europese Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. Deze beoogt evenals afdeling 6.53 BW over algemene voorwaarden, oneerlijke bedingen te weren uit overeenkomsten. De Richtlijn wil een bepaald minimum aan bescherming garanderen en zo de werking van de interne markt bevorderen.
Art. 3 van de Richtlijn bepaalt:
'Een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, wordt als oneerlijk beschouwd indien deze in strijd met de goede trouw het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort'. Art. 3 lid 3 verwijst naar de bijlage bij de Richtlijn, die 'een indicatieve en niet uitputtende lijst (bevat) van bedingen die als oneerlijk kunnen worden aangemerkt'. Punt 1 van die bijlage heeft betrekking op 'bedingen die tot doel of gevolg hebben:
(...)
q) het indienen van een beroep of het instellen van een rechtsvordering door de consument te beletten of te belemmeren (...)'.
Art. 6 van de Richtlijn verplicht de lidstaten ertoe wettelijk te bepalen dat oneerlijke bedingen in contracten waarin een consument partij is deze niet zullen binden en dat het contract voor het overige, voor zover dat mogelijk is zonder het oneerlijke beding, in stand blijft. Art. 7 van de Richtlijn verplicht de lidstaten, in het belang van consumenten en concurrenten, adequate en effectieve maatregelen te treffen om het voortduren van het gebruik van oneerlijke bedingen in contracten met consumenten te voorkomen. Mogelijk heeft de Richtlijn zijn langste tijd gehad, want op 8 oktober 2008 is een ontwerprichtlijn Consumer rights gepubliceerd. Dit is een kaderrichtlijn die het voorlopige sluitstuk vormt van de herziening van het consumentenacquis. Meer hierover in 3.11.
Afdeling 6.53 BW en de Richtlijn vertonen veel overeenkomsten, maar er zijn ook verschillen.1 De belangrijkste overeenkomsten2 zijn dat beide niet gelden voor kernbedingen (art. 6:231 sub a BW en art. 4 van de Richtlijn), dat beide toetsing aan een open norm kennen (art. 6:233 en art. 3 en 4 van de Richtlijn) en dat beide gebruik maken van lijsten van bedingen waarvan al dan niet onweerlegbaar wordt vermoed dat zij onredelijk bezwarend zijn (de grijze en zwarte lijst in het BW) of dat ze mogelijk oneerlijk zijn (de indicatieve lijst in de bijlage bij de Richtlijn). Beide kennen ook een collectieve actie (art. 6:240 e.v. BW en art. 7 van de Richtlijn).
Verschillen zijn er ook:
De Richtlijn ziet alleen op overeenkomsten met consumenten. Onder consument wordt volgens art. 2 van de Richtlijn verstaan iedere natuurlijke persoon die handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen; onder verkoper wordt verstaan iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die handelt in het kader van zijn publiekrechtelijke of privaatrechtelijke beroepsactiviteit. Afdeling 6.53 BW kent die beperking niet, kleinere bedrijven en beroepsbeoefenaren worden ook beschermd door de afdeling (zie art. 6:235 BW).
Art. 3 van de Richtlijn omschrijft met een verwijzing naar de begrippen 'goede trouw' en 'aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van partijen' slechts in abstracto de elementen die een oneerlijk karakter geven aan een contractueel beding waarover niet afzonderlijk is onderhandeld (zie in die zin het arrest van 7 mei 2002 Commissie/Zweden3).
Het BW heeft het daarentegen niet over al dan niet afzonderlijk onderhandelen, maar stelt als eis dat de bedingen zijn opgesteld om in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen (art. 6:231 sub a BW).