Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/9.3.2
9.3.2 Recht op onderwijs in de internationale normen
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977393:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
B.P. Vermeulen, ‘Rechtsbeginselen in het onderwijsrecht’, in: B. Vermeulen e.a., Rechtsbeginselen in het onderwijsrecht: een eerste verkenning. Preadvies NVOR, Den Haag: Boom 2024, p. 13-59 en Van Schoonhoven 2021, p. 11; Rb. Den Haag 2 mei 2012, ECLI:NL:RBSGR2012, BW 4736.
Trb. 1954, 152.
Artikel 2 Protocol 1 EVRM en artikel 13 IVESCR, Onderwijsraad, Advies Art. 23 Grondwet in maatschappelijk perspectief. Den Haag 2012, p. 80 e.v. en Coomans 1992.
Verdrag inzake de Rechten van het Kind van 20 november 1989, Trb. 1990, 46, 170; vgl. B.P. Vermeulen, ‘Het recht op onderwijs in het Kinderrechtenverdrag’, NJCM-Bulletin 2005, p. 775-784, De Langen 1973, p. 23, De Groof 1984, ‘Oraties, De rechtspositie van kinderen. Oratie van T. Liefaard´, RUL, NJB 2012, p. 63 en De Winter 1995, p. 52, Rapport Jeugdbeschermingsrecht, Utrecht: NFK 1971. Voor de grondwettelijke natuurrechtelijke aspecten, zie: De Bonth, ‘Het recht op ontwikkeling’, in: Van der Burg & Brom 1998, p. 157.
Trb. 1978, 177.
Burkens e.a. 2012, p. 7.
Wet van 23 juni 2021, Stb. 2021, nr. 320 (Verduidelijking van de burgerschapsopdracht aan scholen).
Inleiding
De internationale verdragen die nu besproken worden, bevatten rechtsnormen en -beginselen inzake het recht op onderwijs.1 Artikel 14 lid 1 Handvest van de grondrechten van de EU bevat de mogelijkheid een beroep te doen op het algemeen vormend onderwijs en beroepsonderwijs van hoog gehalte. Bepalingen over het recht op onderwijs staan in artikel 26 lid 1 Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM, 1948)2, artikel 2 Protocol 1, eerste volzin (1952)3 Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en Fundamentele Vrijheden (EVRM, 1950)4, artikel 13 lid 1 Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten (IVESCR,1966) en artikel 28Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK, 1989).5 Artikel 2 Protocol 1, tweede volzin EVRM en artikel 18 lid 1 en 4 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke rechten (IVBPR, 1978) bevatten in directe zin geen recht op onderwijs. Het IVBPR bepaalt in artikel 18 lid 1 dat de overheid de vrijheid van geweten, denken en godsdienst moet respecteren.6 De overige bepalingen legitimeren de ouders (door de eerbiediging van hun recht) te bepalen hoe zij het recht op onderwijs voor de schoolkeuze willen uitoefenen. Artikel 2 Protocol 1 EVRM en artikel 18 lid 1 IVBPR komen als enige bepalingen rechtstreekse werking toe. Op deze bepalingen ga ik nader in.
Menige considerans bij verdragsrechtelijke bepalingen zoals in het EVRM (1950) benadrukt de noodzaak door reproductie van kennis en principes de democratie in stand te houden en om leerlingen toe te rusten met democratische kennis, vaardigheden en attitudes. De burger percipieert idealiter de democratische rechtsstaat als een overheidsorganisatie, waarin zijn subjectieve rechten en plichten, veiligheid en persoonlijke ontwikkeling geborgd zijn. Op dezelfde wijze voelt hij aan dat het ‘samenwerken’ de continuïteit van de democratie bevordert. ‘Individualisering legt voldoende basis voor een gevoel van lotsverbondenheid in de perspectieven van de democratische rechtsstaat’, stelt Burkens.7 Het leren over de (kernwaarden van de) democratische rechtsstaat vormt in de Wet verduidelijking van de burgerschapsopdracht (2021) daarvoor de gemeenschappelijke kern.8
9.3.2.1 Artikel 14 lid 1 EU-Handvest9.3.2.2 Artikel 26 lid 1 Universele Verklaring van de Rechten van de Mens9.3.2.3 Artikel 2 Protocol 1 EVRM9.3.2.4 Artikel 13 lid 1 IVESCR9.3.2.5 Artikelen 28 en 29 IVRK9.3.2.6 General Comment No.1: The Aims of Education