Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/10.8
10.8 Maximumboetes en gefixeerde boetes in het bestuursrecht en de evenredigheidstoetsing
mr. drs. R. Stijnen, datum 03-10-2011
- Datum
03-10-2011
- Auteur
mr. drs. R. Stijnen
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie onder meer CBb 15 december 2006, AB 2007/280 (Hajenius en Ritmeester) en 7 juni 2007, JOR 2007/185 (Les Amis de France).
Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 141.
Zie ook CBb 2 februari 2010, 1.1-N BL5463 (Tele2). In par. 5.8.3. spreekt het College van het door de OPTA met de Boetebeleidsregels invulling geven aan haar beleidsvrijheid ten aanzien van het vaststellen van de hoogte van boetes. Zie voorts De Waard, 'De matigende rechter. Evenredigheid en bestuurlijke boeten', in Bestuursrecht harmoniseren 15 jaar Awb (Den Haag, 2010), p. 469-486. De Waard meent dat de beleidsvrijheid ook hier betekent dat de bestuursrechter net als in het gewone bestuursrecht marginaal zou moeten toetsen. De rechter kan, zo stelt hij, immers slechts aangegeven wanneer de door het bestuur vastgestelde boete niet (langer) evenredig is, met dien verstande dat de rechter bij een vernietiging wel zelf de boete zal moeten vaststellen. Het betoog van De Waard kan ik niet ten volle onderschrijven. In de literatuur en de rechtspraak (mededinging daargelaten) wordt algemeen aangenomen dat de rechter zich ten volle dient te buigen over de boetehoogte. Dat is toch iets anders dan het bewaken van buitengrenzen.
Kamerstukken 11 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 141-142.
Bffiring en Naves, 'Waarborgen bij bestraffende bestuurlijke sancties: onvoltooid bestuursrecht', in: Bestuursrecht harmoniseren: 15 jaar Awb (2010), p. 460-462.
Bijvoorbeeld ABRvS 11 juli 2007, AB 2007/312 en 29 augustus 2007, AB 2009/353.
ABRvS 17 februari 2010, L1N BL4163, par. 2.5.1. Zie ook eerder de grotendeels vergelijkbare overwegingen in ABRvS 17 juni 2009, AB 2009/350.
CRvB 27 mei 2010, AB 2010/229, par. 5.2.1. Zie in gelijke zin voor een arbeidsongeschiktheidszaak CRvB 23 juli 2010, LTN BN2468 en voor een wajongzaak CRvB 24 september 2010, L/NBN8396.
Zie ook CRvB 12 februari 2002, RSV 2002/106 inzake een maatregel.
ABRvS 21 juli 2010, LJN BN1905. In gelijke zin ABRvS 15 september 2010, LJN BN6984.
In haar nog recentere rechtspraak haalt de Afdeling ter zake van de volle evenredigheidstoetsing overigens helemaal geen wetsbepalingen meer aan. Zie bijvoorbeeld ABRvS 5 januari 2011, LJN B09803 en 16 maart 2011, JB 2011/105.
Vergelijk met ABRvS 30 januari 2008, JB 2008/58 (Euro Aktief).
Vergelijk met ABRvS 11 juli 2007, AB 2007/312; 10 september 2008, LJN BF0330; 28 januari 2009, LJN BH1144 en Vz ABRvS 29 september 2010, 201007162/1/V6 en 201007162/2/V6. Een positieve uitzondering vormt ABRvS 11 maart 2009, AB 2009/143.
Zie ook ABRvS 8 oktober 2008, JV 2008/430 en 3 juni 2009, LJN BI6078.
CRvB 23 juli 2010, LJN BN2468. Hier speelde wel mee dat het Uwv zelf al tot een matiging was overgegaan omdat het terugvorderingsbedrag en daarmee de daaraan gerelateerde boete onnodig was opgelopen door de trage besluitvorming van het Uwv.
HR 22 januari 2010, LJN BL0087.
Hof Arnhem 23 februari 2010, IJNBL7203. De overweging van het gerechtshof dat de belastingsinspecteur onverkort het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (dit is een beleidsregel) dient toe te passen en alleen de rechter mag afwijken is natuurlijk volstrekte onzin en bovendien in strijd met het slotgedeelte van art. 4:84 Awb. De Afdeling en de Centrale Raad maken terecht geen verschil tussen de verplichte afstemming door het bestuursorgaan en de rechter.
ABRvS 11 november 2009, LJN BIC2951.
ABRvS 15 september 2010, LJN BN6984.
CBb 2 juli 2010, LJN BN0534 (Spam), par. 6.5.2.
Bijvoorbeeld ABRvS 30 juni 2010, LJN BM9686 en CRvB 14 december 2010, LJN B09003. In de laatstgenoemde zaak speelde dat een eerdere maatregel wegens een gedraging door een ander gezinslid doorwerkte voor de hoogte van de thans aan de orde zijnde maatregel wegens bijstandsfraude omdat het gezinsbijstand betrof.
Onder meer CRvB 11 maart 1992, RSV 1992/258; 23 januari 1997, AB 1997/145 en 7 december 2000, RSV 2001/84.
CRvB 8 december 2010, USZ 2011/23 (E 10) en 25 mei 2011, LJN BQ5839 (E 26). Zie ook paragraaf 10.3.
Zie daarover hoofdstuk 3.
CBb 7 juli 2010, AB 2010/235, par. 3.3.5 en 3.9.4.
CBb 7 juli 2010, AB 2010/235.
CBb 18 maart 2010, LJN BM2423.
CBb 3 juli 2008, AB 2009/305 (Dierenartsencobperatie).
De mededingingsboetes zijn dan ook niet ten dele fiscaal aftrekbaar, aldus 1-11( 7 januari 2011, LJN BL0214.
CRvB 21 december 2004, RSV 2005/76 vormt een uitzondering.
Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 142-143.
CBb 7 juni 2007, JOR 2007/185 (Les Amis de France), par. 5.6.
Albers spreekt in dit verband van rechterlijke ongehoorzaamheid. Zie Albers, 'De bestuurlijke boete onder het juk van het bestuursprocesrecht', JBplus 2006/4, p. 157-160. Zie voor een matiging tot €10.000 voorts CBb 15 december 2006, AB 2007/280 (Hajenius en Ritmeester); 11 december 2008, L/NBG8906 en 12 januari 2010, JOR 2010/100 (Intertirion). Zie voor een nog verdergaande matiging Rb Rotterdam 19 oktober 2004, AB 2006/39 (Added Value Investment Services) en 18 juli 2005, JOR 2005/247 (Succes). Halvering van het standaardbedrag komt ook voor. Zie CBb 22 mei 2008, IJN BD2542 en 22 december 2008, IJN BG8869 . Onder art. 1:81 lid 3 Wft (tekst tot 1 juli 2009) is de AFM — deze jurisprudentie indachtig — in diverse gevallen afgeweken van het boetetarief van €96.000 door te matigen tot de eerstvolgende boetecategorie van€24.000. De rechtbank liet deze gematigde boetes in stand. Zie Rb Rotterdam 8 april 2010, JOR 2010/158; 2 september 2010, JOR 2011/10 en 9 december 2010, IJN B07259.
Zie CBb 5 april 2005, AB 2006/82; 24 november 2005, AB 2006/92; 21 februari 2006, AB 2006/354; 14 juli 2006, AB 2007/323 en 24 december 2009, LJN BL4453.
Zie onder meer CBb 1 april 2008, RF 2008, 65 (PGGM) en 30 januari 2009, LJN BH3320.
Zie ook D.R. Doorenbos, 'Nieuw boetestelsel financiële wetgeving', Ondernemingsrecht 2009/13, p. 538-545. In dat artikel laat Doorenbos aan de hand van een aantal voorbeelden zien dat de boetes soms 83 maal zou hoog kunnen uitvallen als voorheen. Zie voorts voor voorbeelden ter zake van de boeteafstemming en vaststelling van het wederechtelijk verkregen voordeel I. Sluiter, F. de vries en R.P.A. Kraaijeveld, 'Het nieuwe boetestelsel in de financiële toezichtwetgeving; flexibel, afschrikwekkend én effectief?', FR 2009/5-6, p. 210-217.
Uit Kamerstukken // 2008-2009, 31 458, nr. 6, p. 4 lijkt te volgen dat de regering met het nieuwe boetestelsel voor ogen heeft uitwerking te geven aan de algemene matigingsbevoegdheid. Zie voorts de Nota van toelichting bij het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector (Stb. 2009, 329), p. 25 e.v. waarin steeds wordt verwezen naar art art. 5:46 lid 3 Awb als (resterende) matigingsgrondslag. Uit andere kamerstukken waaronder Kamerstukken // 2008-2009, 31458, C, p. 3 kan echter worden opgemaakt dat de regering juist meent dat het nieuwe boetstelsel voorziet in een op maat afgestemde boete.
Rb Rotterdam 21 november 2005, JOR 2006/15. Zie in vergelijkbare zin Rb Rotterdam 9 december 2010, IJN B07259.
CBb 28 mei 2004, AB 2004/449.
Met betrekking tot de hoogte van de bestuurlijke boete wordt van oudsher onderscheid gemaakt tussen een stelsel van vaste boetetarieven en een systeem waarin de wet voorziet in een vast tarief waarbij het bestuursorgaan tot een afstemming dient te komen. Het praktische verschil tussen beide stelsels is soms miniem. Ik licht dit toe. In Tabakswetzaken en in de financiële toezichtwetgeving, waarin wordt uitgegaan van vaste tarieven, is de anti-hardheidsclausule ruim geïnterpreteerd.1 In de gevallen waarin de wet zelf enkel voorziet in boetemaxima met een opdracht aan het bestuur tot afstemming, wordt via lagere regelgeving of beleidsregels die afstemming grotendeels gefixeerd door de hoogte van de boete te koppelen aan de hoogte van hetgeen ten onrechte aan uitkering is betaald. Overigens is niet altijd duidelijk van welk stelsel sprake is.2 Thans zijn beide stelsels in algemene zin gecodificeerd met art. 5:46 Awb. Die bepaling luidt:
`1. De wet bepaalt de bestuurlijke boete die wegens een bepaalde overtreding ten hoogste kan worden opgelegd.
2. Tenzij de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, stemt het bestuursorgaan de bestuurlijke boete af op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Het bestuursorgaan houdt daarbij zo nodig rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.
3. Indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, legt het bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke boete op indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.
4. (...).'
Met betrekking tot de evenredigheidstoetsing van bestuurlijke boetes als bedoeld in art. 5:46 lid 2 Awb, namelijk de situatie dat de wetgever een boetemaximum in de wet neerlegt waarbinnen het bestuur zelf de boete kan afstemmen op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en eventuele andere omstandigheden, overwoog de regering dat de rechter zijn eigen oordeel over de hoogte van de boete in de plaats mag stellen van het oordeel van het bestuursorgaan. De regering overwoog in dit verband:
`Het bestuursorgaan heeft bij bestraffende sancties geen beleids-, maar slechts beoordelingsvrijheid. Dit betekent ook, dat eventuele beleidsregels over de hoogte van de boete het karakter hebben van wetsinterpreterende beleidsregels, waaraan de rechter in beginsel niet is gebonden.'3
Deze overweging is innerlijk tegenstrijdig. Met de term beoordelingsvrijheid wordt immers gedoeld op de situatie dat het bestuur een bepaalde vrijheid heeft in het waarderen van de feiten (afgezet tegen een wettelijke norm), welke waardering de rechter terughoudend toetst. Indien bij de vaststelling van de boete wordt gesproken over beoordelingvrijheid zou dit betekenen dat het bestuur een bepaalde vrijheid heeft om te beoordelen welke boete passend is voor het beboetbare feit en dat de rechter hier dan die afweging op redelijkheid toetst. De regering vervolgt echter met de overweging dat het hier gaat om wetsinterpreterende beleidsregels waaraan de rechter in beginsel niet is gebonden. Bij zuiver wetsinterpreterend beleid is de rechter inderdaad niet aan het oordeel van het bestuursorgaan gebonden. De rechter is bij uitstek gehouden tot een zelfstandige toepassing en interpretatie van het toepasselijke recht, zodat hier geen terughoudende toetsing past. De vraag is echter of beleidsregels inzake de afstemming van de boete wel wetsinterpreterende beleidsregels zijn. Ik denk van niet. Indien de wetgever het bestuursorgaan opdraagt om zelf binnen een maximum de boete af te stemmen is gewoon sprake van beleidsvrijheid.4 In de wetsgeschiedenis wordt met betrekking tot de vraag welke boete evenredig is nog het volgende opgemerkt:
`Bij de beoordeling van de evenredigheid van de in concreto op te leggen of opgelegde boete moeten bestuur en rechter zo nodig rekening houden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. In voorkomende gevallen kan daarbij, in lijn met artikel 24 WvSr, ook de draagkracht van de overtreder een rol spelen. Dit betekent niet, dat het bestuursorgaan steeds een onderzoek naar deze draagkracht moet instellen. In de meeste gevallen zal het bestuursorgaan er van mogen uitgaan dat de draagkracht geen beletsel vormt voor het opleggen van een boete. Maar zeker bij hogere boeten zal het bestuursorgaan zich er van moeten vergewissen dat de boete, mede gelet op de draagkracht van de overtreder, geen onevenredige gevolgen heeft.’5
Bij de afstemming moet dus niet alleen worden gelet op de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid, maar ook op de omstandigheden van de overtreder. Het kan bij beleidsregels voor de vaststelling van de boetehoogte gaan om een fijnmazig systeem waarbij is voorzien in een afstemming van de boetehoogte afhankelijk van de mate van verwijtbaarheid, de ernst van de gedraging en de omstandigheden van de overtreder. Dit kan bijvoorbeeld door uit te gaan van een richtsnoerbedrag per soort gedraging, waarvan percentages worden afgetrokken bij verminderde ernst, verminderde verwijtbaarheid of financiële hardheid. De beleidsregel kan echter ook minder fijnmazig zijn. Zo wordt in de Wav gewerkt met vaste boeten per soort overtreding. Op grond van de wet zelf wordt daarbij slechts onderscheid gemaakt tussen natuurlijke en rechtspersonen. In feite gaat het dan om vaste boetetarieven. Brdring en Naves merken op dat de bestuursrechter ook bij boetes slechts tot een marginale toetsing van beleidsregels overgaat, hetgeen te verklaren zou zijn vanuit de gedachte dat de rechter liever geen algemene (beleids)regel in algemene zin buiten toepassing laat of onverbindend verklaart, dat het uiteindelijk is te doen om een evenredige beslissing in het individuele geval en dat driefasentoetsing (eerst toetsing van de beleidsregel zelf, daarvan van de toepassing van de beleidsregel en ten slotte van de inherente afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in art. 4:84 Awb) in geval van bestraffende sancties onwerkbaar is. Zij stellen dat de bestuursrechter, door met een boogje om de beleidsregel heen te lopen en zich dus toe te leggen op de omstandigheden van het geval, aansluit bij de strafrechtelijke aanpak.6 Overigens kwam de Afdeling in het kader van de Wav aanvankelijk niet tot een volle evenredigheidstoets omdat zij niet alleen het beleid marginaal pleegde te toetsen, maar voorts dit beleid vrijwel onverkort toepaste.7 Inmiddels is de Afdeling tot een ruimere beoordeling overgegaan. Gewezen kan worden op de volgende overweging in een uitspraak van 17 februari 2010:
`Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (...) vloeit het volgende voort. De minister heeft in redelijkheid de in de beleidsregels opgenomen boetenormbedragen kunnen vaststellen, zodat hij deze bij de vaststelling van de hoogte van de boete als uitgangspunt dient te nemen. Gelet op de aard van het te nemen besluit zal de minister bij de besluitvorming in het concrete geval echter ook het in artikel 3:4 van de Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel in acht dienen te nemen. Dit betekent dat de minister zich bij het vaststellen van de hoogte van een boete moet afvragen of de uit de boetenormbedragen voortvloeiende boete, gelet op alle omstandigheden van het geval, evenredig is aan het door de wetgever beoogde doel. Tot de omstandigheden van het geval behoren in ieder geval de aard en de ernst van de overtreding, de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten en de omstandigheden waaronder deze is gepleegd. Wanneer het toepassen van het boetenorm-bedrag niet evenredig is, is matiging van dit bedrag passend en geboden. Artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), dat op het opleggen van boete als waarom het hier gaat van toepassing is, brengt met zich dat de rechter zonder terughoudendheid dient te toetsen of de door de minister in het concrete geval opgelegde boete in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel. Indien de rechter van oordeel is dat dit niet het geval is en hij op die grond het besluit vernietigt, neemt hij bij het zelf bepalen van de hoogte van de boete de boete-normbedragen eveneens als uitgangspunt.’8
Voor boetes in de sociale zekerheid geldt dat met een algemene maatregel van bestuur wordt voorzien in boetepercentages en dat de boete zonodig in afwijking van het percentage moet worden afgestemd op de ernst van de gedraging, de verwijtbaarheid en de omstandigheden van betrokkene (art. 2 en 3 Boetebesluit socialezekerheidswetten). Daarnaast kan nog ingeval van dringende redenen geheel of ten dele van boeteoplegging worden afgezien. In een uitspraak van 27 mei 2010 overwoog de Centrale Raad van Beroep als volgt:
`Indien is voldaan aan de in artikel 14a van de TW gestelde voorwaarden voor het opleggen van een boete, dan moet het Uwv — zoals thans ook is vastgelegd in artikel 5:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) — bij de aanwending van deze bevoegdheid het bepalen van de hoogte van de boete afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij moet zo nodig rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. Het Uwv kan omwille van de rechtseenheid en rechtszekerheid beleid vaststellen en toepassen inzake het al dan niet opleggen van een boete en het bepalen van de hoogte daarvan. Ook indien het beleid als zodanig door de rechter niet onredelijk is bevonden, dient het Uwv bij de toepassing daarvan in elk voorkomend geval te beoordelen of die toepassing strookt met de hiervoor bedoelde eisen die aan de aanwending van de bevoegdheid tot het opleggen van een boete moeten worden gesteld. Indien dat niet het geval is, dient het Uwv de boete in aanvulling of in afwijking van het beleid vast te stellen op een bedrag dat passend en geboden is. De rechter toetst zonder terughoudendheid of het besluit van het Uwv met betrekking tot de boete voldoet aan deze eisen, en dus leidt tot een evenredige sanctie.’9
Hier zien we zowel verschillen als overeenkomsten met de formulering van de Afdeling Wav-zaken. De overeenkomsten hoeven niet te verbazen: de Centrale Raad toetste altijd al vrij ruimhartig of een boete in concreto evenredig is. Ook de verschillen laten zich goed verklaren. Gelet op de wettelijke afstemmingsbepalingen is geen ruimte voor een aparte toetsing aan art. 3:4 lid 2 Awb.10 Die afstemmingsbepalingen bieden de rechter voldoende mogelijkheid tot een full jurisdiction. Voorts lijkt uit die bepalingen zelf ook voort te vloeien dat op het bestuur een onderzoeksplicht rust met betrekking tot de vaststelling van het boetebedrag. Een en ander verklaart wellicht waarom de Centrale Raad art. 6 EVRM niet aanhaalt met betrekking tot de hoogte van de boete. De Afdeling heeft in een uitspraak van 21 juli 2010 in een arbeidsomstandighedenzaak de overwegingen van de Centrale Raad overgenomen, waarbij zij echter, anders dan de Centrale Raad, rechtstreeks toepassing geeft aan art. 5:46 lid 2 Awb voor gedragingen die plaatsvonden voor 1 juli 2009.11 Het overgangsrecht bij de Vierde tranche (art. IV lid 1) biedt daartoe geen mogelijkheid.12 Opvallend is verder dat de Centrale Raad in zijn uitspraak van 27 mei 2010 aanzienlijk meer werk maakt van de vraag welke boete in concreto passend is dan de Afdeling doet. Anders dan de Afdeling13 acht de Centrale Raad het relevant dat de overtreding blijkbaar niet opzettelijk is gepleegd en dat de financiële positie van betrokkene vrij nijpend is.14 In overeenstemming met de Afdelingsjurisprudentie heeft de Centrale Raad verder oog voor de omstandigheid dat het gaat om een eenmalige overtreding, hetgeen afdoet aan de ernst ervan.15 De CRvB sluit vervolgens aan bij het minimumbedrag waarin het Boetebesluit socialezekerheidswetten voorziet, te weten € 52. Niet altijd komt het tot een matiging door de Centrale Raad. In een arbeidsongeschiktheidszaak waarin geen sprake was van verminderde ernst of verwijtbaarheid, maar juist van herhaald gedrag, en de overtreder niet of nauwelijks de moeite had genomen zijn omstandigheden voor het voetlicht te brengen, hield de boete van € 1.353 stand.16 Ook kan inzake art. 5:46 lid 2 Awb worden gewezen op een eerder arrest van de Hoge Raad van 22 januari 2010. Daarin werd overwogen:
`Het gaat in artikel 67c AWR om een discretionaire bevoegdheid van de inspecteur. De inspecteur moet deze bevoegdheid op een zodanige wijze uitoefenen dat hij de boete afstemt op de ernst van de gedraging waarvoor zij is opgelegd en het verwijt dat de overtreder ter zake kan worden gemaakt. Daarbij dient de inspecteur rekening te houden met de omstandigheden waaronder de gedraging is begaan (vgl. thans artikel 5:46, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht). De Inspecteur heeft de boetes beleidsmatig beperkt door per kalenderjaar slechts één verzuimboete op te leggen. Het Hof heeft geen aanleiding gezien tot een verdere matiging van de verzuimboetes. Het heeft daartoe kennelijk geoordeeld dat het bedrag van deze boetes niet onevenredig is in verhouding tot de ernst van de gedragingen waarvoor zij zijn opgelegd. Aldus beschouwd geeft het oordeel van het Hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, in aanmerking genomen dat belanghebbende 48 maal een verzuim heeft gepleegd. Voor het overige kan het oordeel van het Hof, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het middel faalt ook in zoverre.' 17
Omdat de inspecteur zelf al het grote aantal verzuimboetes had teruggebracht tot één per jaar was het totale boetebedrag aldus voldoende afgestemd om ongebreidelde cumulatie te voorkomen. Hierbij aanknopend oordeelde het Hof Arnhem dat de rechter niet is gebonden aan het beleid van de belastingdienst neergelegd in het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998, want in het kader van zijn taak om tot een passende straftoemeting te komen kan de rechter verschillende, ook niet in de beleidsregel genoemde, omstandigheden laten meewegen.18 Voor wat betreft de cumulatie van boetes in Wav-zaken toont de Afdeling zich een stuk zuiniger dan de fiscale praktijk. Nu voor elk overtreding een bestuurlijke boete kan worden overgelegd, kan per tewerkgestelde vreemdeling een boete worden opgelegd zonder plafond. De Afdeling meent dat, gelet op het systeem van de wet en de toelichting op art. 4 van de beleidsregels, het aantal vreemdelingen dat bij overtreding is betrokken geen aanleiding geeft tot matiging. De totale boete kan zo bij uitzendbureaus oplopen tot meer dan een miljoen euro.19 Ook in een arbeidstijdenzaak ging de Afdeling over tot een eenvoudige optelsom. Voor matiging wegens het aantal gedragingen was eenvoudigweg geen aanleiding.20 Een wat meer indringende evenredigheidstoetsing lijkt me hier toch wel gewenst.
Zijn er naast de mate van verwijtbaarheid, ernst, fmanciële hardheid en eventuele beperkingen inzake cumulatie nog andere omstandigheden die een matigende of juist versterkende invloed kunnen hebben op de hoogte van de boete? Waar in hoofdstuk 2 bij de bespreking van het criminal charge-begrip met betrekking tot bestuurlijke sancties in Nederland naar voren kwam dat niet steeds duidelijk is of het publiceren van boetebesluiten door bestuursorganen ook als een bestraffende sanctie moet worden aangemerkt, kan openbaarmaking van boetes door bestuursorganen en de negatieve publiciteit die dat voor de overtreder kan opleveren wel worden meegewogen als omstandigheid bij de vraag naar de evenredigheid van het boetebedrag. Zo overwoog het College in een spamzaak dat het standpunt van de betrokken onderneming dat de opgelegde boetes te hoog zijn, omdat zij ook al is gestraft door publicatie van de primaire besluiten op de website van de OPTA, niet kon worden onderschreven, omdat de boetes, gelet op de toepasselijke bandbreedte van de toepasselijke boetecategorie, dermate laag waren dat ook met inachtneming van genoemde publicatie niet kon worden gezegd dat de opgelegde boetes onevenredig hoog waren.21 Recidive zal verhogend werken. Indien niet reeds in de wet zelf is voorzien in een hoger boetemaximum ingeval van herhaling zal het bestuursorgaan veelal in een beleidsregel voorzien in een afstemming naar boven ingeval van recidive. In de jurisprudentie zien we dat de bestuursrechter daar in meegaat.22
Het ging in bovengenoemde gevallen steeds om de afstemming van een boete zonodig in afwijking van het beleid van het bestuurorgaan. Kan de rechter ook afwijken van een afstemmingsbepaling in de wetgeving zelf? In de oude Coërdinatiewetzaken toetste de Centrale Raad van Beroep de hoogte van de boete vol aan evenredigheid en achtte hij zich vrij de boete in afwijking van het zogenoemde ABC-besluit lager vast te stellen.23 In gelijke zin voelt de Centrale Raad zich vrij om af te wijken van het minimumboetebedrag van C 52 dat is neergelegd in het Boetebesluit Socialezekerheidswetten.24
De NMa heeft onder invloed van het Europese mededingingsrecht25 een traditie opgebouwd in het opleggen van hoge boetes. Art. 57 lid 1 Mededingingswet (Mw) luidt:
`De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste €450 000 of, indien dat meer is, ten hoogste 10% van de omzet van de onderneming dan wel, indien de overtreding door een ondernemersvereniging is begaan, van de gezamenlijke omzet van de ondernemingen die van de vereniging deel uitmaken, in het boekjaar voorafgaande aan de beschikking. Indien op grond van artikel 5:1, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht toepassing is gegeven aan artikel 51, tweede lid, onder 2°, van het Wetboek van Strafrecht, bedraagt voor de daar bedoelde overtreder de bestuurlijke boete ten hoogste €450 000.'
Gelet op het tweede lid van art. 57 Mw gaat het om de netto omzet. In overeenstemming met het Europese mededingingsrecht laat het College de NMa de nodige ruimte bij het vaststellen van een boetemaatstaf binnen het raamwerk van art. 57 Mw en bij het in aanmerking nemen van boeteverlagende en -verhogende factoren.26 Omdat de boete die daaruit volgt eveneens redelijk wordt geacht, is het de vraag of de rechter niet slechts het beleid inzake afstemming van de boete terughoudend toetst, maar in feite voorts terughoudend beoordeelt of de boete in concreto evenredig is. Ik noem enkele voorbeelden waarin — voor Nederlandse begrippen — hoge boetes zijn opgelegd. In één van de overtredingen in de sector grond-, weg- en waterbouw heeft het College zelf na toepassing van een korting van € 10.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn de bestuurlijke boete vastgesteld op ruim € 1,2 mln 27 Wegens het afstemmen van inschrijfgedrag, voorafgaand aan de inschrijving op de aanbesteding van installatiewerken in Nederland heeft NMa een onderneming een boete uitgedeeld van bijna € 5,6 mln. Deze hield stand.28 Inzake misbruik van een economische machtspositie door af te dwingen dat geen diergeneesmiddelen werden geleverd aan niet aangesloten dierenartsen resteerde na aftrek van 20% wegens overschrijding van de redelijke termijn een bestuurlijke boete van bijna € 7,8 mln 29 Dergelijke boetebedragen hebben duidelijk een voordeelontnemend effect, maar dat maakt niet dat de boete niet volledig zou zijn gericht op bestraffing.30
Met betrekking tot de maximumboetestelsels wijs ik ten slotte nog op de in een aantal bestuurswetten neergelegde mogelijkheid dat de rechter in afwijking van art. 8:69 Awb in beroep of hoger beroep de hoogte van de bestuurlijke boete ten nadele van de belanghebbende wijzigt (zie bijvoorbeeld art. 19d lid 4 Wav en art. 14f Toeslagen-wet). Deze bevoegdheid wordt (vrijwel) niet gebruikt door de bestuursrechter.31
Nu over naar de gefixeerde boetebedragen. Met betrekking tot art. 5:46 lid 3 Awb, het systeem van gefixeerde boetes, waarbij het bestuur wel een bevoegdheid heeft tot matiging (in uitzonderlijke gevallen), overwoog de regering:
`De rechter moet een bestraffende sanctie volledig aan het recht kunnen toetsen, maar is daarbij natuurlijk zelf ook gebonden aan het recht, met inbegrip van eventuele wettelijke bepalingen over de hoogte van de op te leggen sanctie. Het EHRM heeft dan ook nimmer bezwaar gemaakt tegen de verplichte minimumstraffen voor bepaalde delicten, die in het strafrecht van sommige lidstaten van de Raad van Europa voorkomen. In theorie is wel denkbaar, dat de rechter tot het oordeel moet komen dat de door de wetgever voorgeschreven sanctie als regel zo onevenredig is, dat de wet wegens strijd met het EVRM of het communautaire evenredigheidsbeginsel buiten toepassing moet worden gelaten. Dat is echter iets anders dan dat de rechter in het geheel niet aan de keuze van de wetgever zou zijn gebonden. Dat is hij wel, mits kan worden gezegd dat in de wettelijke regeling zelf rekening is gehouden met het evenredigheidsbeginsel (vgl. EHRM 23 september 1998, NJCM-bull. 2000, blz. 873 e.v. (Malige v. Frankrijk)). (...) Ook het bestuur dient in beginsel uit te gaan van deze afweging door de wetgever, tenzij het bestuur sterke aanwijzingen heeft dat de hoogte van de boete in een bepaalde casus onevenredig uitpakt, bijvoorbeeld vanwege de geringe draagkracht van de overtreder.’32
Uit dit citaat en een eerder citaat uit de MvT volgt dat bij afgestemde geringe boetes het bestuur in beginsel voldoende draagkracht mag veronderstellen en bij gefixeerde boetes het dossier kan nopen tot ambtshalve toepassing van de matigingsbevoegdheid. Deze benadering kan ik op zich onderschrijven, maar in de praktijk zullen er wellicht eerder aanwijzingen zijn dat de standaardboete onevenredig uitpakt dan de regering voor ogen heeft. In de zaak Les Amis de France waarin in strijd met art. 3 Wte 1995 effecten waren aangeboden zonder een prospectus beschikbaar te stellen had de AFM de standaardboete van € 87.125 opgelegd. De rechtbank Rotterdam ging hierin mee, want zij achtte de handelwijze zeer kwalijk omdat sprake was van recidive, terwijl de overtreder onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij niet beschikte over voldoende draagkracht. Het College oordeelde:
`Zoals het College in zijn uitspraak van 29 april 2004 [LJN A09910] heeft overwogen, is de onderhavige bestuurlijke boete aan te merken als punitieve sanctie en brengt artikel 6 EVRM mee, dat de rechter dient te toetsen of de hoogte van de opgelegde boete in redelijke verhouding staat tot de ernst en de verwijtbaarheid van de overtreding. In die uitspraak heeft het College reeds geoordeeld dat de omstandigheid dat in artikel 48d, eerste en tweede lid, Wet 1995 is voorgeschreven dat het bedrag van de boete wordt bepaald door de bijlage bij die wet, er niet aan in de weg staat dat de evenredigheid binnen het bepaalde in het vierde lid van artikel 48d Wte 1995, ondanks de toelichting op dat artikellid, volledig wordt getoetst. In aanvulling op die uitspraak voegt het College daaraan toe dat ook uit de parlementaire behandeling van het op dit moment aanhangige wetsvoorstel Aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht (Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht) lijkt te kunnen worden afgeleid dat bij de beoordeling of aanleiding bestaat gebruik te maken van de bevoegdheid tot matiging van een wettelijk voorgeschreven bestuurlijke boete een meer uitgebreide schakering aan omstandigheden van belang kan worden geacht. Dit wetsvoorstel voorziet in artikel [5:46] in een matigingsbevoegdheid van wettelijk voorgeschreven bestuurlijke boeten in geval van bijzondere omstandigheden, welke bevoegdheid niet wezenlijk verschilt van die in artikel 48d, vierde lid, Wte. (.. ) Naar het oordeel van het College vormt in dit geval artikel 48d, vierde lid, Wte 1995 dan ook het kader waarbinnen kan en behoort te worden beoordeeld of de door de bijlage bij de die wet voorgeschreven boete in het concrete geval evenredig is. De omstandigheden die daarbij een rol kunnen spelen zijn de omstandigheden waarmee de wetgever bij de vaststelling van het wettelijk boetebedrag geen rekening heeft gehouden. Al naar gelang de wetgever blijkens de wetsgeschiedenis wel of geen rekening heeft gehouden met bepaalde omstandigheden, zal vergelijkbaar met een systeem van communicerende vaten - minder of meer ruimte bestaan voor toepassing van de matigingsbevoegdheid op grond van die omstandigheden. Op deze wijze zal in de regel recht kunnen worden gedaan aan de vereiste evenredigheid in concreto tussen de hoogte van de boete en de aard en ernst van de geconstateerde overtreding en de omstandigheden waaronder deze is gepleegd.’33
Bij de toepassing van deze uitgangspunten op deze zaak achtte het College het vooral van belang dat bij het toepasselijke boetetarief door de wetgever geen onderscheid was gemaakt al naar gelang de draagkracht van de overtreder. Omdat de AFM de overtreder niet nader de gelegenheid had geboden om zijn stelling te onderbouwen dat hij niet over draagkracht beschikte en geen acht had geslagen op de omstandigheid dat er geen enkele participatie daadwerkelijk was verkocht, hetgeen afdoet aan de ernst, kon de boeteoplegging geen stand houden. Nu de overtreder in hoger beroep gegevens met betrekking tot zijn financiële situatie had overgelegd, waaruit volgde dat zijn inkomen zowel in het kader van de door de raad voor rechtsbijstand verleende toevoeging als ter berekening van de zorgtoeslag in 2007 op nihil was gesteld en de uitkering van zijn echtgenote op ruim € 20.000, stelde het College de bestuurlijke boete zelf vast op € 10.000. Een dergelijke matiging is geen uitzondering in die gevallen waar het gaat om substantiële boetebedragen.34 In warenwetzaken, waarin lage standaardboetes gelden van € 450 en € 900, moet er echt iets uitzonderlijks zijn wil het College oordelen dat de boete niet passend iS.35 Verder liet het College in zaken waarin bedrijfstakpensioenfondsen bij het aanbieden van de levensloopregeling misbruik maakten van hun wettelijke voorrangspositie (aansluitingsplicht) aanzienlijk hogere boetes van elk € 450.000 in stand, waarbij voorts sprake was van een cumulatie van deze bedragen omdat tegelijk verschillende verbods- en gebodsbepalingen waren overtreden. Hierbij was van belang dat met deze overtredingen grote concurrentievoordelen waren gemoeid.36
Met de invoering van de Wet wijziging boetestelsel financiële wetgeving op 1 augustus 2009 is voor wat betreft de zwaarste overtredingen voorzien in een basistarief van € 2 mln. Indien sprake is van verhoogde ernst (of duur) van de overtreding of verhoogde verwijtbaarheid en recidive kan de boete oplopen tot € 8 mln Indien het voordeel dat de overtreder door de overtreding heeft verkregen groter is dan € 2 mln kan in plaats daarvan de boete ook worden vastgesteld op ten hoogste twee keer het bedrag van het voordeel (art. 1:81 Wft).37 In het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector is de afstemming uitgewerkt. De parlementaire geschiedenis geeft wat dat betreft geen uitsluitstel,38 maar gelet op de systematiek van de wet en het voornoemde besluit gaat het alleen bij boetecategorie 1 om een vast boetetarief van € 10.000. Voor de categorieën 2 en 3, die een basistarief kennen van respectievelijk € 500.000 en € 2 mln, gaat het om een flexibel systeem. Het is afwachten hoe de toezichthouders AFM en DNB en de bestuursrechter zullen omgaan met dit nieuwe stelsel.
Ten slotte nog enige opmerkingen over de explicatie van strafdoelen in de overwegingen van de bestuursrechter waar het gaat om de toetsing van de boetehoogte. In de Afdelingsjurisprudentie zal men daar tevergeefs naar zoeken. Omdat de Afdeling in haar jurisprudentie telkens benadrukt dat het in de Wav en de arbowetgeving gaat om kleurloze delicten en de werkgever alleen de dans ontspringt als maximale zorg is betracht ter voorkoming van enige overtreding, is er in de Afdelingsjurisprudentie weinig ruimte voor maatwerk. Schuldgradaties zijn in feite irrelevant en de boetetarieven die in beleidsregels zijn neergelegd zijn gewoonlijk toepasbaar. De Centrale Raad buigt zich — zoals we hiervoor zagen — wel intensiever dan de Afdeling over de ernst, de verwijtbaarheid en de omstandigheden van de overtreder, maar maakt in dit verband geen expliciete koppeling met de strafdoelen. De gespecialiseerde economische bestuursrechter doet dit bij uitzondering soms wel. De rechtbank Rotterdam matigde inzake een geldtransactiekantoor de bestuurlijke boete van € 87.125 tot € 10.000 wegens financiële hardheid (betrokkene leefde van een bij standsinkomen ter hoogte van de beslagvrije voet). Zij overwoog:
`Gelet op de lange duur van de overtreding, die blijkens de stukken in ieder geval begin 2004 tamelijk frequent heeft plaatsgevonden, en waaruit eiser ook reële inkomsten heeft verworven, is de rechtbank van oordeel dat de situatie van eiser weliswaar noopt tot de vaststelling van de boete op een lager bedrag dan het standaardtarief, maar dat eiser niettemin een boete opgelegd dient te krijgen waarvan ten aanzien van hem daadwerkelijk een afschrikwekkende werking uitgaat.' 39
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven kwam in een mededingingszaak mede uit een oogpunt van speciale preventie tot een matiging omdat door wetswijziging geen kans op recidive bestond.40 Bij de beoordeling van de boeterichtsnoeren van de NMa overwoog het College verder:
`Het College is van oordeel dat het beleid dat NMa hanteert bij het opleggen van boetes wegens overtreding van de Mededingingswet niet in strijd is met het recht. Bij dit oordeel neemt het College allereerst in aanmerking dat het oogmerk dat met de Boeterichtsnoeren wordt nagestreefd, te weten generale en speciale preventie, niet onredelijk is te noemen. Voorts is niet onredelijk te achten dat daarbij in ogenschouw wordt genomen het economisch belang dat met de inbreuk is gemoeid. Dat in dat verband de hoogte van de betrokken omzet — naast de ernst en de duur van de overtreding — tot uitgangspunt wordt genomen acht het College niet onjuist:41