Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/6.7.2
6.7.2 Congruentie fiscaalrechtelijk en civielrechtelijk begrip bedrijfswaarde
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS343127:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
HR 5 april 1989, nr. 25 186, BNB 1989/ 150, FED 1989/ 365 met noot van R. Russo.
Noot onder HR 5 april 1989 in FED 1989/365.
Zie in dit verband HR 7 december 1994, nr. 29 334 met conclusie A-G Van Soest, BNB 1995/ 88 met noot van G. Slot. De Hoge Raad overweegt in dit arrest dat het daarbij moet gaan om een vermogensverlies dat niet wordt opgeroepen door tijdelijke of lokale invloeden op de marktwaarde, doch berust op de omstandigheid dat moet worden verwacht dat het bedrijfsmiddel de bijdrage aan het resultaat van de onderneming, waarvoor het was bestemd, niet zal kunnen leveren, terwijl dit verlies ook bij verkoop van het bedrijfsmiddel — hetzij afzonderlijk, hetzij in samenhang met andere bestanddelen van het ondernemingsvermogen — niet zal kunnen worden goedgemaakt.
De gangbare omschrijving van het begrip bedrijfswaarde luidt als volgt: de waarde, welke een verkrijger bij overneming van de gehele onderneming, zou toekennen aan het afzonderlijke activum, indien hij zou uitgaan van de overnemingswaarde van het geheel en voornemens zou zijn de uitoefening van de onderneming voort te zetten. Op 5 april 19891 overweegt de Hoge Raad dat het Hof Amsterdam in deze omschrijving is uitgegaan van het going-concernbeginsel zoals dat is neergelegd in art. 2:384, derde lid, BW. Ingevolge art. 2:387, vierde lid, eerste zin BW, wordt 'bij de waardering van de vaste activa rekening gehouden met een vermindering van hun waarde, indien deze naar verwachting duurzaam is (cursivering/ GM)'. De Hoge Raad vervolgt: 'Het vorenoverwogene brengt mee dat de vermindering van de waarde naar verwachting duurzaam moet zijn en het gevolg van factoren, die zijn terug te voeren op de relatie tussen het bedrijfsmiddel en de onderneming waarin dit bedrijfsmiddel wordt aangewend. Indien de inspecteur betwist dat dit het geval is, rust op belanghebbende, die immers van de gang van zaken in zijn onderneming het beste op de hoogte is, de bewijslast.'
Is daarmee tot uitdrukking gebracht dat er een volledige congruentie bestaat tussen het fiscaalrechtelijke en het civielrechtelijke begrip bedrijfswaarde? En is daarmee de eenheid van recht gewaarborgd?
Over het algemeen vindt Russo2 het minder juist om regels uit de commerciële winstbepaling te gebruiken bij de fiscale winstbepaling. De commerciële balans dient namelijk een getrouw beeld te geven van de samenstelling van het vermogen van de onderneming, terwijl een fiscale balans slechts als hulpmiddel fungeert ter bepaling van het jaarlijkse fiscale resultaat. Hij komt op basis van de overweging van de Hoge Raad: 'wat er zij van hetgeen het hof overigens heeft overwogen' tot de conclusie, dat volgens ons hoogste rechtscollege het beroep op het Burgerlijk Wetboek door het hof wellicht niet juist is.
Onbeslist blijft derhalve of op basis van dit arrest de mogelijke congruentie wat betreft inhoud en strekking van het fiscaalrechtelijke en civielrechtelijke begrip bedrijfswaarde ook daadwerkelijk aanwezig is. Toch dient de omstandigheid dat in civielrechtelijke zin sprake moet zijn van een waardedaling die naar verwachting duurzaam is, worden gezien als een uitwerking van het realiteitsbeginsel als onderdeel van goed koopmansgebruik. Het verlies moet immers realiter geleden zijn, mag geen tijdelijke aangelegenheid zijn (in de zin van het moment van waarderen) doch dient als realiteit een meer permanent karakter te dragen. Dat het ook in fiscale zin moet gaan om een duurzaam verlies volgt tevens uit de jurisprudentie van de Hoge Raad inzake het onder omstandigheden kunnen dienen van de verkoopwaarde als grondslag voor de afwaardering van een bedrijfsmiddel op lagere bedrijfswaarde3. Tijdelijke invloeden op de marktwaarde zijn daarbij niet relevant en de omstandigheid dat het moet gaan om een bedrijfsmiddel dat zijn verwachte bijdrage aan het resultaat niet levert, duidt ook op een lange termijn (dus duurzame) benadering.