Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/VII.4.3.4.b
VII.4.3.4.b Geen verwijt dat de uitkering is gedaan
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242724:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Zoals ik in § V.3 al schreef, is een taakverdeling (ook) in het geval van een one tier board niet verplicht. Zijn de bestuurstaken niet over de uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders verdeeld, dan vallen mijns inziens alle bestuurstaken binnen het takenpakket van de niet-uitvoerende bestuurder. De niet-uitvoerende bestuurder kan zich in dat geval dus niet succesvol op een taakverdeling beroepen. Wel kan hij andere feiten en omstandigheden aandragen die meebrengen dat hem persoonlijk geen verwijt treft.
Evenzo Bulten 2012, p. 26.
Asser/Van Olffen & Rensen 2-IIa 2019/208 en 211. Idem Cappelle, V&O 2013, afl. 7, p. 120-121.
Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 33.1, p. 600-601; en Bier 2019, p. 38.
Zie in deze zin ook Kamerstukken I 2011/12, 31 058, E, p. 11 (Nadere MvA).
Idem Bier 2019, p. 38.
Evenzo, zij het meer in algemene zin, Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 13.2, p. 235-236; Schild & Timmerman, WPNR 2014/7011, p. 273; en Strik, Ondernemingsrecht 2012/91.
Zie ook HR 10 januari 1997, NJ 1997, 360 m.nt. Maeijer (Staleman/Van de Ven).
Onder anderen Olaerts, TvOB 2012, afl. 6, p. 174; Strik 2010, p. 92; en Verdam 2011, p. 31, die zijn standpunt later herhaalt in Verdam, Ondernemingsrecht 2013/102. Evenzo Timmerman, Ondernemingsrecht 2011/52, die daaraan toevoegt dat het vertrouwen van de bestuurder niet blind mag zijn. Voor een uitgebreide bespreking van de disculpatiemogelijkheid van de niet-uitvoerende bestuurder in de situatie waarin aansprakelijkheid is gebaseerd op een kwestie die tot de algemene gang van zaken behoort, verwijs ik naar § VII.3.2.5.b.
Vgl. Asser/Van Olffen & Rensen 2-IIa 2019/213; Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 13.2, p. 235; Bier 2019, p. 38; en Boschma & Schutte-Veenstra, Ondernemingsrecht 2012/116.
Wil de niet-uitvoerende bestuurder aansprakelijkheid ontlopen, dan dient hij in de eerste plaats aan te tonen dat het niet aan hem te wijten is dat de uitkering is gedaan. Anders dan art. 2:9 lid 2 BW, rept art. 2:216 lid 3 BW niet van een taakverdeling. Betekent dit dat de taakverdeling de niet-uitvoerende bestuurder geen comfort biedt?1 Het antwoord op deze vraag hangt ervan af of de beoordeling van de toelaatbaarheid van de uitkering en de bevoegdheid tot het nemen van het goedkeuringsbesluit kunnen worden toebedeeld aan een uitvoerend bestuurder.2 De wetsgeschiedenis zwijgt op dit punt. In de literatuur zijn de standpunten verdeeld.
Van Olffen en Rensen menen dat zowel de beoordeling van de toelaatbaarheid van de goedkeuring als de besluitvormingsbevoegdheid ter zake kunnen worden toebedeeld aan een uitvoerend bestuurder. Ter onderbouwing van hun standpunt wijzen zij erop dat de wet niet aan een zodanige toebedeling in de weg staat.3 Deze opvatting komt de niet-uitvoerende bestuurder goed van pas. Een beroep op de taakverdeling helpt hem uit de nesten indien de beoordeling van de toelaatbaarheid van een uitkering is toebedeeld aan de uitvoerende bestuurders en hij niet feitelijk betrokken is geweest bij de goedkeuring.
Zoals ik in § VII.4.3.2 al schreef, zijn Assink en Bier een andere opvatting toegedaan. Volgens hen valt de goedkeuringsbevoegdheid onder de ‘algemene gang van zaken’ in de zin van art. 2:9 lid 2 BW.4 Gelet op de argumenten die ik reeds in § VII.4.3.2 gaf, kan ik mij in deze opvatting vinden. Ik meen dan ook dat het beoordelen van de toelaatbaarheid van de goedkeuring een aangelegenheid van het gehele bestuur is.5
Het voorgaande heeft tot gevolg dat een beroep op de taakverdeling de niet-uitvoerende bestuurder niet baat.6 Dit wil uiteraard niet zeggen dat disculpatie van de baan is.7 Ik breng in herinnering dat de niet-uitvoerende bestuurder andere feiten en omstandigheden kan aanvoeren om aan te tonen dat hem geen verwijt treft.8
Zoals hiervoor in § VII.3.2.5.b vermeld, zou de niet-uitvoerende bestuurder bijvoorbeeld kunnen aanvoeren dat hij is afgegaan op de adviezen en informatie die hij heeft ontvangen van een medebestuurder die vanwege zijn specialistische kennis belast is met de voorbereiding van het goedkeuringsbesluit.9 Ook treft de niet-uitvoerende bestuurder mijns inziens geen persoonlijk verwijt indien hij gemotiveerd tegen de goedkeuring van de uitkering heeft gestemd. Wordt hij overstemd, dan is het niet aan hem te wijten dat de uitkering heeft plaatsgevonden.10