Einde inhoudsopgave
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/4.3.3
4.3.3 Sociale Verzekeringsraad-onderzoeksrapport Tussen schroom en daad (1991)
Datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
Kluwer
- JCDI
JCDI:ADS258941:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Sociale zekerheid werkloosheid (V)
Voetnoten
Voetnoten
Beljaars e.a., Rapport: Tussen Schroom en Daad 1991, p. 5.
Beljaars e.a., Rapport: Tussen Schroom en Daad 1991, p. 77-78.
Beljaars e.a., Rapport: Tussen Schroom en Daad 1991, p. 77.
Beljaars e.a., Rapport: Tussen Schroom en Daad 1991, p. 8, 78. Met de term ‘prestatie’ werd in dit rapport gedoeld op de uitkeringen en voorzieningen die een bedrijfsvereniging kan verstrekken. De gehanteerde werkdefinitie van sociale verzekeringsfraude was: het bewust niet, niet tijdig, onjuist of onvolledig verstrekken van gegevens aan de bedrijfsvereniging met de bedoeling het ten onrechte of te veel ontvangen van prestatie-SV dan wel het ten onrechte niet of te weinig afdragen van premie-SV (premiefraude door werkgevers). Fraudebestrijding werd in dit verband opgevat als de activiteiten die bedrijfsverenigingen verrichtten om sociale verzekeringsfraude te voorkomen, te signaleren, en af te handelen.
Beljaars e.a., Rapport: Tussen Schroom en Daad 1991, p. 76.
Beljaars e.a., Rapport: Tussen Schroom en Daad 1991, p. 82.
Beljaars e.a., Rapport: Tussen Schroom en Daad 1991, p. 83.
Beljaars e.a., Rapport: Tussen Schroom en Daad 1991, p. 83.
Beljaars e.a., Rapport: Tussen Schroom en Daad 1991, p. 80.
Beljaars e.a., Rapport: Tussen Schroom en Daad 1991, p. 75.
Beljaars e.a., Rapport: Tussen Schroom en Daad 1991, p. 75.
In het rapport Tussen schroom en daad heeft de SVr in 1991 op verzoek van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid onderzoek verricht naar organisatievormen en administratieve procedures terzake van vermoede fraude met werknemersverzekeringen. Er is onderzocht hoe de fraudebestrijding door de bedrijfsverenigingen was georganiseerd, op welke wijze daar praktisch vorm aan werd gegeven en tot welke resultaten het had geleid.1 Het onderzoek vond plaats door het analyseren van relevante beleidsdocumenten, een steekproef van ruim 400 dossiers van fraudegevallen en interviews met ca. 75 verantwoordelijke functionarissen op uitvoerings- en beleidsniveau.2
De onderzoekers signaleerden dat er een spanningsveld was tussen terughoudendheid ten aanzien van overmatige controle en mogelijke stigmatisering van cliënten (‘schroom’) en de confrontatie met een relatief autonome praktijk van opsporing en strafrechtelijke afdoening (‘daad’).3
De geconstateerde fraude in schadebedragen varieerde per bedrijfsvereniging. Bij prestatiefraude4 werd fraude met een WW-uitkering relatief gezien het meeste geconstateerd.5 Administratieve sancties werden bij fraude weinig gebruikt en opsporing en incasso waren bij de bedrijfsvereniging strikt gescheiden activiteiten, zodat er weinig inzicht binnen de bedrijfsvereniging was in de geïnde benadelingsbedragen door de opsporingsdienst. Voor wat betreft administratieve sancties bestond er binnen de bedrijfsvereniging ook weinig inzicht in de hoogte van de benadelingsbedragen die de bedrijfsvereniging daadwerkelijk inde.6 Uit de dossierstudie van de onderzoekers bleek dat circa 2 jaar na afhandeling niet meer dan 6 procent van de opgeëiste bedragen daadwerkelijk door de bedrijfsvereniging was geïnd.7 Ook was door de onderzoekers geconstateerd dat er een gebrek aan adequate informatievoorziening was tussen bedrijfsverenigingen, districtskantoren en binnen eenzelfde kantoor. Er kon daarom niet achterhaald worden in welke mate er feitelijk gebruik werd gemaakt van (strafrechtelijke) sancties en ook informatie ten aanzien van de inhoud van de sancties in relatie tot het gepleegde delict ontbrak.8
Uit de interviews met de uitvoeringsfunctionarissen bleek dat er nauwelijks expliciete richtlijnen bestonden voor het signaleren/indiceren van fraude. Dit werd aan het initiatief van de betrokken functionaris overgelaten. Diverse uitvoeringsorganen hadden wel uitdrukkelijke richtlijnen uitgevaardigd voor de behandeling van gevallen nadat signalering had plaatsgevonden.9
De geïnterviewde opsporingsfunctionarissen meenden dat door verbetering van (controle)procedures en formulieren, maar ook door vergroting van de opsporingscapaciteit het rendement van fraudebestrijding zou worden verhoogd. Ook zouden positieve effecten worden verwacht bij een meer bedrijfstakgerichte benadering van fraudebestrijding.10 De opsporingsdiensten pleitten ervoor om het proces van opsporing en inning, dat gescheiden werd afgehandeld, meer te integreren.11