Onwaardigheid
Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.3.3:2.3.3 Poging, voorbereiding en deelneming
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.3.3
2.3.3 Poging, voorbereiding en deelneming
Documentgegevens:
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859225:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Evenals bij de eerste onwaardigheidsgrond bepaalt artikel 4:3 lid 1 sub b BW dat ook de poging tot, voorbereiding van of deelneming aan een dergelijk misdrijf tot onwaardigheid leidt. Ook hier worden met deze termen de strafrechtelijke begrippen uit de artikelen 45, 46, 47 en 48 Sr bedoeld.1
In paragraaf 2.2.2 is naar voren gekomen dat enkel de voorbereiding van een misdrijf waar acht jaar of meer gevangenisstraf op is gesteld, strafbaar is en tot een veroordeling kan leiden (art. 46 lid 1 Sr). Bij de delicten die vallen onder de eerste onwaardigheidsgrond wordt deze strafbedreiging vrijwel altijd gehaald.2 Bij artikel 4:3 lid 1 sub b BW is dit minder vanzelfsprekend. Van een groot aantal delicten die in paragraaf 2.3.1 als voorbeeld zijn genoemd van misdrijven die met een maximum van ten minste vier jaren vrijheidsstraf zijn bedreigd, geldt dat zij de drempel van acht jaren niet halen. Het gaat hierbij om mishandeling, zwaar lichamelijk letsel tot gevolg hebbende (art. 300 lid 2 Sr), eenvoudige mishandeling (art. 300 lid 1 Sr) waarbij een van de strafverzwarende omstandigheden uit artikel 304 Sr van toepassing is, diefstal (art. 310 Sr), de zwaardere varianten van computervredebreuk (art. 138ab lid 2 en 3 Sr), de lichtere varianten van openlijke geweldpleging (art. 141 lid 1 en lid 2 onder 1 Sr), bepaalde varianten van bedreiging (art. 285 lid 2 en 3 Sr) en oplichting (art. 326 Sr). De voorbereiding van dergelijke misdrijven is dus niet strafbaar en kan daarom niet tot onwaardigheid leiden.