Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/5.2.5.2
5.2.5.2 Ondervraging is niet relevant
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 7 juli 1989, appl.no. 10857/84 (Bricmont/België), § 89; EHRM 27 januari 2004, appl.no. 44484/98 (dec.) (Lorsé/Nederland), p. 14.
EHRM 25 juli 2013, appl.nos. 11082/06& 13772/05 (Khodorkovskiy & Lebedev/Rusland), § 712. Zie ook EHRM 23 september 2014, appl.no. 17362/03 (Soysal/Turkije), § 77.
In EHRM 4 juni 2013, appl.no. 14932/09 (Kostecki/Polen) onderzocht het EHRM zelfs of een goede reden had bestaan voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid terwijl – naar het mij voorkomt – de verklaring van de getuige in kwestie volledig had kunnen worden gemist in de bewijsconstructie. Onjuist lijkt mij de in bijvoorbeeld EHRM 27 februari 2014, appl.no. 5699/11 (Lučić/Kroatië), § 81 opgenomen overweging dat onderzocht moet worden of een behoorlijke en effectieve ondervragingsgelegenheid heeft bestaan omdat een getuigenverklaring van beslissende betekenis is. Dit veronderstelt immers dat voor het afwijzen van een niet-beslissende getuige geen goede reden zou hoeven te bestaan.
EHRM 25 september 2007, appl.no. 65743/01 (dec.) (Khivrenko/Oekraïne), p. 9; EHRM 2 september 2008, appl.no. 6497/04 (dec.) (Kiratli/Turkije), p. 9; ECRM 11 december 1981, NJ 1982, 142 (X/Nederland).
EHRM 3 april 2012, appl.no. 25198/06 (dec.) (Craciun/Roemenië), § 47.
In dat geval zou ook kunnen worden aangenomen dat het getuigenverzoek onvoldoende is gemotiveerd en zou het ondervragingsrecht reeds om deze reden niet geschonden kunnen worden geacht.
EHRM 13 mei 2014, appl.no. 42941/05 (dec.) (Příplata/Roemenië), § 86; EHRM 27 januari 2004, appl.no. 44484/98 (dec.) (Lorsé/Nederland), p. 14.
Zie bijvoorbeeld EHRM 1 maart 2011, appl.no. 27335/04 (Nevruz Bozkurt/Turkije), § 54, EHRM 22 juli 2010, appl.nos. 21731/03 & 1886/04 (Samoshenkov & Strokov/Rusland), § 78 en EHRM 16 november 2006, appl.no. 46503/99 (Klimentyev/Rusland), § 125.
In EHRM 24 juli 2008, appl.no. 41461/02 (Romanov/Rusland), § 105 had de getuige pas na de eerste ondervraging de verklaring afgelegd die de verdachte had betwist. In EHRM 3 februari 2009, appl.no. 36892/05 (dec.) (Baybasin/Duitsland), p. 8 was een getuige eerder ondervraagd met betrekking tot de vraag of hij was gemarteld. Het EHRM overwoog dat de verdediging niet had gesteld dat verdere ondervraging op dit punt zou hebben geleid tot nieuwe informatie.
EHRM 10 april 2012, appl.no. 8088/05 (Gabrielyan/Armenië), § 83.
De rechter bepaalt in beginsel zelf ‘whether it is necessary or advisable to call a witness’.1 In het arrest Khodorkovskiy & Lebedev overwoog het ehrm: ‘If the prosecution decides that a particular person is a relevant source of information and relies on his or her testimony at the trial (...), and if the testimony of that witness is used by the court to support a guilty verdict (...), it must be presumed that his or her personal appearance and questioning are necessary, unless the testimony of that witness is manifestly irrelevant or redundant.’2 Als uitgangspunt geldt derhalve dat alle getuigen wier verklaringen voor het bewijs worden gebruikt, moeten worden opgeroepen.3 Is niet duidelijk waarom de waarheidsvinding gebaat zou zijn bij de oproeping van een getuige, dan mag de rechter de oproeping weigeren.
Bij de beoordeling of het horen van de getuige aan de waarheidsvinding kan bijdragen, draait het in de eerste plaats om de vraag of de getuige relevant is voor de door de rechter te nemen beslissing.4 Heeft de rechter een reeds afgelegde getuigenverklaring niet voor het bewijs gebruikt, dan zal die getuige over het algemeen niet voldoende relevant zijn om zijn oproeping noodzakelijk te achten.5 Ook wanneer een getuige op zichzelf wel relevant is, zal de oproeping niet altijd noodzakelijk zijn. Dat zal bijvoorbeeld mede afhangen van de vragen die de verdediging wenst te stellen. Kunnen de antwoorden op die vragen in de ogen van de rechter niet relevant zijn voor de beoordeling van de strafzaak, dan kan worden gesteld dat de oproeping niet noodzakelijk is.6 Blijkt de informatie die de verdediging van een getuige wenst te krijgen, al overvloedig uit het dossier, dan mag een getuigenverzoek eveneens worden afgewezen.7
Daarnaast kan de noodzaak tot (hernieuwde) oproeping ontbreken wanneer de gevraagde getuige al eerder is gehoord. Als de verdediging bij die gelegenheid in staat is geweest vragen te stellen, mag een nieuw getuigenverzoek in beginsel worden afgewezen, omdat de noodzaak van het ondervragen van de getuige dan niet is gebleken.8 De reden voor het afwijzen van een getuigenverzoek is in dat geval niet zozeer gelegen in het ontbreken van relevantie van een nieuwe ondervraging, maar vooral in het belang van een snelle afronding van de strafrechtelijke procedure. In bijzondere gevallen kan een tweede ondervraging door de verdediging aangewezen zijn, bijvoorbeeld wanneer nieuwe informatie aan het licht is gekomen of wanneer tijdens de eerdere ondervraging bepaalde vragen onbeantwoord zijn gebleven.9
Wanneer de nationale rechter heeft vastgesteld dat een verhoor van een bepaalde getuige onontbeerlijk is om de zaak te berechten, betrekt het ehrm dat oordeel soms bij de beoordeling van de inspanningen van de autoriteiten. Heeft de rechter zelf een getuigenverhoor noodzakelijk geacht, dan zullen de autoriteiten veel moeten hebben ondernomen om de verdediging in staat te stellen de getuige te ondervragen.10