Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.5.5
2.5.5 Dwingen
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859105:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Lindenberg 2007, p. 134.
Lindenberg 2007, p. 138.
Lindenberg 2007, p. 169.
Lindenberg 2007, p. 134.
Lindenberg 2007, p. 135.
Lindenberg 2007, p. 142. De onvermijdbaarheid hoeft niet mede door de verdachte te zijn ontstaan. Zie daarover nader Lindenberg 2007, p. 143-145.
Zie daarover par. 2.5.2.2.1.
Lindenberg 2007, p. 150-152.
Lindenberg 2007, p. 181.
Lindenberg 2007, p. 155.
Lindenberg 2007, p. 171-172. Lindenberg gaat vervolgens (p. 174-175) nog in op de eis van opzet op de wederrechtelijkheid. Ik laat dit aspect buiten beschouwing. Aangezien de dwanggevolgen in art. 4:3 lid 1 sub d BW vaststaan, kan de bepaling niet ook van toepassing zijn op veel normaal toegestane gedragingen.
Formulering geïnspireerd op de strafrechtelijke omschrijving van het begrip dwang door Lindenberg 2007, p. 177.
Niet alleen als de middelen uit artikel 4:3 lid 1 sub d BW worden geëlimineerd, maar ook in de huidige formulering ligt het zwaartepunt van de bepaling op het dwingen en beletten. Het gaat erom dat de erflater door de gedraging is gedwongen of belet een uiterste wilsbeschikking te maken.
Het middel dwang is nieuw ten opzichte van het OBW. Zoals in de inleidende opmerkingen van deze paragraaf is opgemerkt, ligt het voor de hand dat hiermee wordt aangesloten bij de strafrechtelijke pendant, artikel 284 Sr. Voor strafrechtelijke dwang is noodzakelijk dat sprake is van onvrijwilligheid aan de zijde van het slachtoffer, terwijl aan de zijde van de dwinger opzet op die onvrijwilligheid aanwezig moet zijn.1 Van onvrijwilligheid is sprake als het slachtoffer op het moment van de beïnvloeding niet wilde dat het gevolg onder die omstandigheden tot stand kwam.2 Er is alleen sprake van niet-willen wanneer het slachtoffer zijn niet-willen ten tijde van het gewraakte gevolg als zodanig heeft ervaren.3 Voorts dient er een causaal verband te bestaan tussen de gedragingen van de dwinger en het doen, niet doen of dulden van het slachtoffer.4 Wordt het slachtoffer door bedreiging gedwongen een bepaalde handeling te verrichten, dan vormen die handelingen weliswaar een uiting van zijn wil, maar deze quasi vrijwilligheid beïnvloedt de causaliteit niet.5 Een ander aspect van het bestanddeel dwingen, dat vaak nauw samenhangt met de causaliteit, betreft de onvermijdbaarheid van het gevolg. Het bestanddeel dwingen vergt niet of niet altijd absolute, volstrekte onvermijdbaarheid. Er kan ook sprake zijn van dwingen indien het slachtoffer redelijkerwijs niet anders kon handelen.6 Het begrip rederlijkwijs wordt hier – gelijk als bij bedreiging – subjectief ingevuld.7 Ook hier geldt een beperkende factor, inhoudende dat het zwichten van het slachtoffer gelet op de omstandigheden van het geval begrijpelijk moet zijn.8 Deze redelijkheidstoets brengt mee dat als het slachtoffer bijvoorbeeld wordt bedreigd met het gegeven dat bij niet-betaling van € 5.000,-, aan zijn partner zijn buitenechtelijke escapades worden verteld, geen sprake is van straffeloosheid. Het slachtoffer kan er weliswaar voor kiezen niet op de bedreiging in te gaan en zal hier wellicht ook enige tijd over nadenken, maar dat maakt niet dat van dwingen geen sprake is als hij akkoord gaat. Het strafrecht knoopt aan bij een morele interpretatie van dwang en concentreert zich op de toelaatbaarheid van het gebeurde in het licht van het beschermde rechtsgoed. De onvermijdbaarheid moet dus worden beoordeeld naar redelijkheid.9 Voorts geldt volgens Lindenberg als ondergrens de connotatie van het woord dwingen. Indien men dit woord niet meer ‘proeft’ is volgens hem van dwingen geen sprake.10
Toegespitst op het opzet van de dwinger kan nog het volgende worden opgemerkt. Naast opzet op de onvrijwilligheid, dient ook sprake te zijn van opzet op de onvermijdbaarheid. De dwinger moet willens en wetens de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat het afwenden van het gevolg voor het slachtoffer onmogelijk of zeer moeilijk zou zijn. Verder moet sprake zijn van opzet op de causaliteit.11
Bij artikel 4:3 lid 1 sub d BW kan dit strafrechtelijke beoordelingskader als uitgangspunt dienen. Belangrijk verschil is echter dat in deze onwaardigheidsbepaling het veroorzaakte dwanggevolg vaststaat. Het gevolg betreft het maken van een uiterste wilsbeschikking. Dit maakt dat het begrip dwang in deze bepaling, kort gezegd, als volgt kan worden omschreven:
het opzettelijk veroorzaken dat de erflater een uiterste wilsbeschikking maakt, hetgeen de erflater als onvrijwillig ervaart en hij redelijkerwijs niet of zeer moeilijk kan vermijden.12
2.5.5.1 Temporele aspecten