Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/7.4.4.3.4
7.4.4.3.4 Geen integrale werking
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940646:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 7.4.4.2.4.
HR 27 mei 2022, V-N 2022/24.12, BNB 2022/108, r.o. 4.2.5.
HR 27 mei 2022, V-N 2022/24.12, BNB 2022/108, r.o. 4.2.5 (thans via de tussenstap van de informatiebeschikking).
A-G Wattel had deze beperkte reikwijdte reeds verdedigd in zijn Conclusie van 18 oktober 2004, NTFR 2004/1770 (zie onderdeel 5.2 van de conclusie en onderdeel 10 van de bijlage).
Zie voor een overzicht Haas & Jansen 2015. Zie voor de periode vóór de informatiebeschikking bijvoorbeeld Meyjes/Van Soest, Van de Berge & Van Gelderen 1997, p. 118 en Koopman 1996, p. 159 (de omkering ziet op gehele aanslag) versus Scheltens (losbl.), p. 642 en Langereis & De Roos 2006, p. 232 (de omkering geldt slechts voor de elementen van de aanslag waartegen in termen van art. 47 e.v. AWR is gezondigd). Genuanceerder: Feteris 2007, p. 309 (zie echter ook p. 318) en Happé e.a. 2010, p. 397-398. Zie voorts Hof Amsterdam 16 februari 2012, NTFR 2012/1090 (niet integraal bij schending administratieplicht) en Hof Den Haag 18 maart 2014, NTFR 2014/2374 (partiële omkering bij schending bewaarplicht) versus Hof ‘s-Hertogenbosch 12 juni 2015, NTFR 2015/2224 (wel integrale werking bij schending administratieplicht).
In dezelfde zin de Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening bij Hof Arnhem-Leeuwarden 5 februari 2013, V-N 2013/28.5. Voor wat betreft de schending van de administratieplicht ligt dat wellicht ingewikkelder, aangezien de beoordeling of de administratieplicht is geschonden een alles-of-niets kwestie is (zie paragraaf 7.4.4.3.2 hiervoor).
Zie paragraaf 7.2 (Richtlijnen, Onderdeel 1.3) van de Handreiking, kenbaar uit V-N 2016/62.4. Zie voor de geactualiseerde versie van de Handreiking V-N 2020/28.19.
Voor wat betreft de categorie I-triggers is het alles-of-niets karakter van de omkering het uitgangspunt: staat eenmaal vast dat niet de vereiste aangifte is gedaan, dan geldt de omkering voor de gehele aanslag.1 Op dat uitgangspunt heeft de Hoge Raad in 2022 een uitzondering gemaakt voor gevallen waarin een of meer vragen in het aangiftebiljet niet of onjuist zijn beantwoord (het gaat dan om een formeel onjuiste aangifte).2 In het betreffende arrest gaf de Hoge Raad aan dat hetzelfde geldt voor gevallen waarin de inspecteur op grond van art. 47 AWR een of meer vragen heeft gesteld die de belastingplichtige niet of onjuist heeft beantwoord. Een redelijke wetstoepassing brengt mee dat de omkering dan niet geldt voor geschilpunten waarvoor het antwoord op die vraag of vragen niet van belang kan zijn.3 Voor dergelijke categorie II-triggers heeft de omkering dus slechts partiële werking.
Het is lange tijd onzeker geweest of de reikwijdte van de omkering bij categorie II-triggers moet worden beperkt tot de (inkomens)bestanddelen waarop de geschonden informatieverplichting betrekking heeft.4 De literatuur en de lagere jurisprudentie lagen niet op één lijn: zowel de partiële als de integrale werking kwamen voor.5 Hoewel de Hoge Raad zich in het arrest uit 2022 alleen uitdrukkelijk heeft uitgelaten over de verplichtingen van art. 47 AWR, ben ik geneigd om te veronderstellen dat de omkering ook ten aanzien van de overige categorie II-triggers slechts partiële werking heeft.6 Dat is tevens in lijn met de verwachting die de Staatssecretaris van Financiën in zijn hoedanigheid als medewetgever heeft uitgesproken7 en met de opvatting uit de openbaar gemaakte ‘Handreiking wet-Dezentjé’ (met instructies en richtlijnen voor de Belastingdienst).8