Einde inhoudsopgave
De concern(genoten)enquête (VDHI nr. 158) 2019/9.3
9.3 Kostenverhaal
mr. R.P. Jager, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. R.P. Jager
- JCDI
JCDI:ADS85908:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vide Handelingen II 1969/70, 62, p. 2964; Kamerstukken II 2005/06, 30413, 25, p. 14.
Evenzo M.W. Josephus Jitta, ‘Jongens ware we, maar aardige jongens, in: S. Perrick, H.-J. de Kluiver en I. Spinath (red.), Kort Juridisch. Liber Amicorum Peter Wakkie. 22 juni 2018 – 70 jaar, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 83. Vide ook Storm 2018, op. cit., p. 319-320, die vier, bij hem bekende, ingestelde – en afgewezen – gevallen noemde (voetnoot 300). Van Solinge schreef reeds in zijn noot, onder 9, bij HR 8 april 1998, JOR 1998/133, m.nt. G. van Solinge, TVVS 1998/73, m.nt. P.G.F.A. Geerts (Skipper Club) dat het onwaarschijnlijk is dat een situtaie waarin de onderzoekskosten op een verzoeker tot enquête worden verhaald, zich in de praktijk voordoet. P. van der Vlis, ‘De kosten van een enquête; wie zal dat betalen?’, TVVS 1997/8, p. 228 noemde die situatie ‘welhaast hypothetisch’, dit vanwege het reeds gegeven gegronde redenen-oordeel. Vide ook Van der Vlis 2000, op. cit., p. 321, alwaar hij spreekt van een ‘tamelijk denkbeeldig scenario’. Vide bovendien SER-advies 1988, p. 42 en P.G.F.A. Geerts, in: GS Rechtspersonen, art. 2:354 BW, aant. 8, volgens wie de hier bedoelde situatie zich ‘niet snel zal voordoen’. Soortgelijke bewoordingen treffen wij ook aan in B. Winters, in: Sdu Commentaar Ondernemingsrecht, art. 2:354 BW, aant. C.1; M.W. Josephus Jitta, in: T&C Ondernemingsrecht, art. 2:354 BW. Op het vorenbedoelde spoor zit ook Slagter (deel 2) 2013, op. cit., p. 1807. Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/779 stellen dat uit het verslag niet snel van een onredelijke grond zal blijken. Van der Heijden en Van der Grinten, op. cit., p. 822 stellen dat niet op redelijke grond gedane verzoeken in de praktijk ‘niet of nauwelijks’ zullen voorkomen.
Tweede Kamerlid Nederhorst heeft al eens door middel van het voorstellen van een amendement getracht de mogelijkheid tot kostenverhaal op de verzoekers tot enquête te schrappen, zij het vruchteloos, aangezien zijn amendement is verworpen; vide Kamerstukken II 1969/70, 9596, 12; Handelingen II 1969/70, 62, p. 2964-2965; Handelingen II 1969/70, 63, p. 2997. Vide ookKamerstukken II 1971/72, 11005, 6, p. 12 (VV); Kamerstukken II 1972/73, 11005, 7, p. 16 (MvA); C.J. van Zeben en J.W. Du Pon, Parlementaire geschiedenis van het nieuwe Burgerlijk Wetboek. Parlementaire stukken systematisch gerangschikt en van noten voorzien. Invoeringswet Boek 2. Rechtspersonen, Deventer: Kluwer 1977, p. 1481-1482. Verder noem ik Van der Vlis 2000, op. cit., p. 321 (herhaald op p. 324): ‘Het meest voor de hand ligt mijns inziens om beide bepalingen [art. 2:350, tweede lid, BW en art. 2:354 BW, toev. RPJ] te laten vervallen (…).’
Volgens Buijn en Storm, op. cit., p. 1081 (voetnoot 131) zou dat een (interim-)manager kunnen zijn. Storm 2014a, op. cit., p. 219 (voetnoot 175) voegde daar nog aan toe een (groot)aandeelhouder.
Dat degene op wie het art. 2:354 BW-verzoek gericht is, niet meer bij de geënquêteerde rechtspersoon in dienst ‘is’, staat volgens de Ondernemingskamer niet aan een veroordeling tot betaling van de onderzoekskosten in de weg, nu haars inziens ‘een redelijke uitleg van het bepaalde in artikel 2:354 BW meebrengt dat met die bepaling is bedoeld kostenverhaal mogelijk te maken op personen die ten tijde van het onjuiste beleid in enige relevante betrekking stonden tot de vennootschap en ten aanzien van wie uit het verslag is gebleken dat zij voor het onjuiste beleid of de onbevredigende gang van zaken verantwoordelijk zijn, ongeacht of die betrekking tot de vennootschap nog bestaat op het moment waarop het kostenverhaal wordt verzocht’; vide hof Amsterdam (OK) 28 juni 2001, JOR 2001/148, m.nt. F.J.P. van den Ingh, r.o. 3.25 (De Vries Robbé). Vide ook P.G.F.A. Geerts, ‘Betere regeling van de positie van de enquêteur’, TVVS 1993/2, p. 41; P.G.F.A. Geerts, in: GS Rechtspersonen, art. 2:354 BW, aant. 10.
In HR 16 augustus 1996, NJ 1997/37, m.nt. J.M.M. Maeijer, TVVS 1996/172, m.nt. P.G.F.A. Geerts, r.o. 3.3.1 (VHS) sprak de Hoge Raad – in het kielzog van plv. P-G Van Soest (vide zijn conclusie, onder 6.3 en 6.4, bij die beschikking) – van een ‘(rechts)persoon die in de sfeer van de rechtspersoon is opgetreden’. Vide daarover ook Maeijers noot, onder 4 (2e al.), en die van Van den Ingh, onder 4, bij HR 4 juni 1997, NJ 1997/671, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 1997/82, m.nt. F.J.P. van den Ingh, TVVS 1997/135, m.nt. P. van der Vlis (Text Lite). Naar het oordeel van de Hoge Raad, als uitgesproken in HR 13 april 2018, NJ 2018/354, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2018/171, m.nt. F.G.K. Overkleeft,Ondernemingsrecht 2018/82, m.nt. P.H.M. Broere, r.o. 3.3.3 (Leaderland), strookt het met de strekking van art. 2:354 BW om deze bepaling toepasselijk te achten op alle personen die in de sfeer van de (geënquêteerde) rechtspersoon zijn opgetreden en verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor zijn slechte functioneren, ook zonder dat zij dragers waren van een formele verantwoordelijkheid. Hiermee sanctioneerde hij het oordeel van de Ondernemingskamer in de beschikking a quo om zowel een juridisch bestuurder als een feitelijk bestuurder (vide ook de conclusie, onder 2.9 et seq., van A-G Wesseling-van Gent bij ’s Hogen Raads beschikking) in de onderzoekskosten te veroordelen; vide r.o. 3.2.2-3.3.4.
Kamerstukken II 1968/69, 9596, 6, p. 16 (MvA).
Hof Amsterdam (OK) 21 juli 2003, ARO 2003/141 (Polyplus). Vide ook hof Amsterdam (OK) 18 december 2002, ARO 2003/16 (Polyplus).
Hof Amsterdam (OK) 15 december 2011, JOR 2012/77, m.nt. J.F. Ouwehand, JIN 2012/11, m.nt. M. van den Berg, r.o. 4.132 et seq. (Landis).
Hof Amsterdam (OK) 1 mei 2014, ARO 2014/121, r.o. 5.11 (Pierson & Pierson).
Hof Amsterdam (OK) 31 juli 2002, ARO 2002/128 (Polyplus).
Hof Amsterdam (OK) 31 juli 2002, ARO 2002/128, r.o. 2.3 (Polyplus).
Vide hof Amsterdam (OK) 18 december 2002, ARO 2003/16, r.o. 1.3 (Polyplus); hof Amsterdam (OK) 21 juli 2003, ARO 2003/141, r.o. 1.4-1.5 en 3.7 (Polyplus).
Hof Amsterdam (OK) 30 oktober 2003, JOR 2003/282, m.nt. T.M. Stevens (Landis).
Tot het doen van zulk een (zelfstandig) verzoek is blijkens de tekst van art. 2:354 BW de rechtspersoon bevoegd. Is deze gefailleerd, dan kan het door de curator worden gedaan; vide hof Amsterdam (OK) 19 juni 1997, JOR 1997/83, m.nt. F.J.P. van den Ingh, TVVS 1997/136, m.nt. P.G.F.A. Geerts (Bobel); hof Amsterdam (OK) 10 december 1998, NJ 1999/390, JOR 1999/32, m.nt. M.W. Josephus Jitta (Spiegelenburg); hof Amsterdam (OK) 15 december 2011, JOR 2012/77, m.nt. J.F. Ouwehand, JIN 2012/11, m.nt. M. van den Berg, r.o. 4.136-4.137 (Landis); hof Amsterdam (OK) 15 februari 2013, JOR 2013/102, m.nt. D.A.M.H.W. Strik, r.o. 11.8 (Van der Moolen); hof Amsterdam (OK) 2 november 2015,JOR 2016/61, m.nt. P. van Schilfgaarde, AA 2016/3, m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers, r.o. 15.4 (Meavita). Hebben de enquêteverzoekers (een deel van) de onderzoekskosten betaald, dan brengt volgens de Hoge Raad een redelijke uitleg van art. 2:354 BW mee dat zij eveneens een verzoek als daarin bedoeld kunnen doen; vide HR 18 november 2016, NJ 2017/202, m.nt. H.B. Krans en P. van Schilfgaarde,JOR 2017/30, m.nt. A. Hammerstein, Ondernemingsrecht 2017/50, m.nt. M.H.C. Sinninghe Damsté, r.o. 3.5.2 (Meavita). Aangenomen mag mijns oordeels worden dat zulks mutatis mutandis ook voor een art. 282 Rv-belanghebbende geldt. Vide eveneens hof Amsterdam (OK) 11 oktober 2016, ARO 2017/69, r.o. 4.13 (Lansinkveste): ‘Het verzoek te beslissen dat de onderzoekskosten op grond van artikel 2:354 BW op bestuurder De Groot kunnen worden verhaald, wordt eveneens afgewezen, aangezien dat verzoek niet door de vennootschap is gedaan en evenmin door een partij die die kosten zelf heeft gedragen [curs. RPJ].’
Vide hof Amsterdam (OK) 30 oktober 2003, JOR 2003/282, m.nt. T.M. Stevens, r.o. 2.4 (Landis); hof Amsterdam (OK) 15 december 2011, JOR 2012/77, m.nt. J.F. Ouwehand, JIN 2012/11, m.nt. M. van den Berg, r.o. 1.3, 1.8, 4.132, 4.135-4.137, 4.142 en 4.149 (Landis).
Hof Amsterdam (OK) 11 juni 2013, ARO 2012/119 (Pierson & Pierson).
Hof Amsterdam (OK) 11 juni 2013, ARO 2012/119, r.o. 2.3 (Pierson & Pierson).
Hof Amsterdam (OK) 1 mei 2014, ARO 2014/121, r.o. 1.7 en 5.11 (Pierson & Pierson).
Vide (in die richting/gelijke zin) (ook) Van der Vlis 1997, op. cit., p. 229; G. van Solinge, ‘Tussen wanbeleid en aansprakelijkheid’ (oratie Nijmegen), in: Drie Nijmeegse redes. Beschouwingen over financiering, enquêterecht en privatisering, Vennootschaps- en rechtspersonenrecht, Serie Monografieën vanwege het Van der Heijden Instituut, deel 59, Deventer: Kluwer 1998, p. 55; P.G.F.A. Geerts, in: GS Rechtspersonen, art. 2:354 BW, aant. 9.4; Slagter (deel 2) 2013, op. cit., p. 1803; Buijn en Storm, op. cit., p. 1063 (vide ook p. 1084); C.D.J. Bulten en A.F.J.A. Leijten, ‘Een lastige doorbraakbepaling?’, in: D. Busch en M.P. Nieuwe Weme (red.), Christels koers. Liber Amicorum Prof. mr. drs. C.M. Grundmann-van de Krol. Opstellenbundel aangeboden aan Prof. mr. drs. C.M. Grundmann-van de Krol ter gelegenheid van haar afscheid als hoogleraar Effectenrecht aan de Radboud Universiteit Nijmegen, Serie Onderneming en Recht, deel 79, Deventer: Kluwer 2013, p. 182; B.F. Assink en M.J. Kroeze, ‘Kroniek enquêterecht 2015’, in: M. Holtzer, D.A.M.H.W. Strik en D.J. Oranje (red.), Geschriften vanwege de Vereniging Corporate Litigation 2015-2016, Serie vanwege het Van der Heijden Instituut, deel 134, Deventer: Kluwer 2016, p. 59-60; Y. Borrius, ‘Individualisering van wanbeleid; verhaal van onderzoekskosten en aansprakelijkheid’, in: C.D.J. Bulten et al. (red.), Marius geannoteerd. Opstellen aangeboden aan Mr. M.W. Josephus Jitta, Serie vanwege het Van der Heijden Instituut, deel 133, Deventer: Kluwer 2016, p. 71; C.D.J. Bulten, ‘Beren op de weg’, in: C.D.J. Bulten et al. (red.), Marius geannoteerd. Opstellen aangeboden aan Mr. M.W. Josephus Jitta, Serie vanwege het Van der Heijden Instituut, deel 133, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 79; J.H.M. Willems, ‘Verslag van de discussie’, p. 220, in: Eenheid en verscheidenheid in het ondernemingsrecht, Uitgave vanwege het Instituut voor Ondernemingsrecht, deel 98, Deventer: Wolters Kluwer 2016; S.J. van Calker, ‘Wanbeleid, kostenverhaal en aansprakelijkheid: een fact check’, in: G. van Solinge et al. (red.), Aansprakelijkheid van bestuurders en commissarissen. Nadere terreinverkenning in een uitdijend rechtsgebied, Serie vanwege het Van der Heijden Instituut, deel 140, Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 524 en 545; noot, onder 4-5, van Van Calker bij hof Amsterdam (OK) 31 maart 2017, JOR 2017/196, m.nt. S.J. van Calker (Leaderland); C.J-A. Seinen, ‘Verhaal van onderzoekskosten: vreemde eend in de bijt van het enquêterecht’, MvV 2017, nr. 4, p. 134; R.Y.H. Doorduyn, ‘Enige gedachten omtrent de normatieve maatstaf voor art. 2:354 BW in Leaderland-perspectief’, Bb 2018/54, p. 204. C.E.J.M. Hanegraaf, Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid. Hoe diep kan een bestuurder vallen? (diss. Leiden), Uitgave vanwege het Inistuut voor Ondernemingsrecht, deel 106, Deventer: Wolters Kluwer 2017, para 5.6.3 gaf aan het begin van die paragraaf als zijn eigen mening dat art. 2:354 BW geen grondslag van bestuurdersaansprakelijkheid is.
Vide hof Amsterdam (OK) 1 december 1994, NJ 1995/584, r.o. 5.5 (VHS); hof Amsterdam (OK) 19 juni 1997, JOR 1997/83, m.nt. F.J.P. van den Ingh, TVVS 1997/136, m.nt. P.G.F.A. Geerts, r.o. 4.25 (Bobel); hof Amsterdam (OK) 10 december 1998, NJ 1999/390, JOR 1999/32, m.nt. M.W. Josephus Jitta, r.o. 3.12 (Spiegelenburg); hof Amsterdam (OK) 19 juli 2012, JOR 2013/7, m.nt. M.W. Josephus Jitta, r.o. 3.65 en 3.67 (Cancun); hof Amsterdam (OK) 15 februari 2013, JOR 2013/ 102, m.nt. D.A.M.H.W. Strik, r.o. 11.12 (Van der Moolen); hof Amsterdam (OK) 31 maart 2017,JOR 2017/196, m.nt. S.J. van Calker (Leaderland); hof Amsterdam (OK) 7 september 2018, ARO 2018/201, r.o. 4.17 (Loda). In de Bobel-beschikking overwoog zij ook nog het volgende: ‘Ten overvloede zij in dit verband vermeld dat – anders dan partijen soms schijnen te denken – het hier uitsluitend gaat om de beoordeling van het verzoek tot verhaal van de kosten van het noodzakelijk gebleken onderzoek, hetgeen niet – althans niet zonder meer – hoeft te betekenen dat de betrokken verweerders ook (allen) aansprakelijk zijn voor de schade die het gevolg is van het faillissement van Bobel [curs. RPJ].’
HR 4 juni 1997, NJ 1997/671, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 1997/82, m.nt. F.J.P. van den Ingh, TVVS 1997/135, m.nt. P. van der Vlis, r.o. 4.16.1 (Text Lite).
Vide de conclusie, onder 3.4.2, bij HR 8 april 1998, JOR 1998/133, m.nt. G. van Solinge, TVVS 1998/73, m.nt. P.G.F.A. Geerts (Skipper Club); de conclusie, onder 3.1.3.4, 3.1.4 en 4.3.2, bij HR 19 mei 1999, NJ 1999/658, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 1999/145, m.nt. M.W. Josephus Jitta,Ondernemingsrecht 1999/51, m.nt. P.G.F.A. Geerts (Bobel).
Vide HR 4 juni 1997, NJ 1997/671, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 1997/82, m.nt. F.J.P. van den Ingh, TVVS 1997/135, m.nt. P. van der Vlis, r.o. 4.3.1 (Text Lite); HR 13 april 2018, NJ 2018/354, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2018/171, m.nt. F.G.K. Overkleeft, Ondernemingsrecht 2018/82, m.nt. P.H.M. Broere, r.o. 3.4.2 (Leaderland). Naar het oordeel van de Hoge Raad in de eerstgenoemde beschikking is het immers niet in overeenstemming met de strekking van art. 2:354 BW, en overigens evenmin zinvol, indien naast de uitspraak van de Ondernemingskamer voor de feitelijke veroordeling de beslissing van een andere rechter zou zijn vereist. Ook plv. P-G Van Soest vermocht niet in te zien dat voor een veroordeling van de betrokkenen tot betaling van de (onderzoeks)kosten nog een afzonderlijke vordering nodig zou zijn; vide zijn conclusie, onder 10.10, bij de bovengenoemde beschikking. Nu het dictum van de beschikking van de Ondernemingskamer een veroordeling in de onderzoekskosten kan inhouden, kan de laatste zin van art. 2:354 BW, houdende dat art. 2:350, tweede lid, laatste volzin, BW, waarin staat dat voor het door de rechtspersoon instellen van een vordering tegen een verzoeker (tot enquête) mede de woonplaats geldt welke die verzoeker voor de indiening van het (enquête)verzoek heeft gekozen, van toepassing is, worden geschrapt. Immers, anders dan de procedure in art. 2:350, tweede lid, BW, die moet worden ingeleid met een dagvaarding, welke geschiedt bij exploot (videart. 111, eerste lid, Rv), dat, voor zover hier van belang, mede de woonplaats vermeldt van degene voor wie het exploot bestemd is (videart. 45, derde lid, aanhef en onderdeel d, Rv), moet de procedure in art. 2:354 BW worden ingeleid met een verzoekschrift, waarin, voor zover hier van belang, slechts de woonplaats van de verzoeker moet worden vermeld (videart. 278, eerste lid, eerste volzin, Rv). Evenzo Geerts 2004, op. cit., p. 227; P.G.F.A. Geerts, in: GS Rechtspersonen, art. 2:354 BW, aant. 7. Voor schrapping van de hogerbedoelde zin pleitte Geerts reeds in zijn noot, onder 5 (in fine), bij HR 16 augustus 1996, NJ 1997/37, m.nt. J.M.M. Maeijer, TVVS 1996/172, m.nt. P.G.F.A. Geerts (VHS), nu deze volgens hem, in dit verband, misleidend is. Van der Vlis 1997, op. cit., p. 228 (voetnoot 18) deelt de conclusie van Geerts met betrekking tot die schrapping. Vide bovendien Slagter (deel 2) 2013, op. cit., p. 1802 (voetnoot 368), volgens wie de laatste volzin van art. 2:354 BW in wezen niet goed te begrijpen is en overbodig is. Dat laatste is ook opgemerkt door B. Winters, in: Sdu Commentaar Ondernemingsrecht, art. 2:354 BW, aant. C.4. Volgens Storm 2014a, op. cit., p. 183 (voetnoot 150) berust de laatste zin van art. 2:354 BW kennelijk op een vergissing (dit staat niet (meer) in Storm 2018, op. cit., p. 319 (voetnoot 297)).
De vraag die zich dan aandient, is wanneer die rente moet worden betaald: (a) vanaf de dag der indiening van het (zelfstandige) verzoek tot kostenverhaal of (b) vanaf de dag van het geven der beschikking? Geerts schreef daar in zijn noot, onder 5, bij hof Amsterdam (OK) 27 maart 1997, TVVS 1997/83, m.nt. P.G.F.A. Geerts (Skipper Club) het volgende over: ‘De vennootschap had voordat de art. 2:354 BW-procedure was aangevangen de kosten van het onderzoek betaald. De vennootschap heeft de OK verzocht Jaarsma te veroordelen tot betaling van deze kosten “vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment dat deze kosten door de vennootschap zijn voldaan”. Omtrent de te betalen wettelijke rente bepaalt de OK dat de bestuurder deze moet betalen vanaf de dag van de beschikking en niet vanaf een eerder tijdstip: de verplichting tot het betalen van de kosten van het onderzoek door de bestuurder “eerst met en tengevolge van de in dezen te nemen beslissing ontstaat”. Zie ook OK 2 november 1995, De NV 1996, p. 14. Hiermee is de OK – m.i. terecht – teruggekomen op haar beslissing in OK 7 januari 1993, NJ 1993, 412 waar zij de wettelijke rente berekend heeft vanaf de dag van de indiening van het art. 2:354 BW-verzoekschrift. Heeft de vennootschap de kosten nog niet betaald dan moet de bestuurder die in de kosten van het onderzoek is veroordeeld, de wettelijke rente betalen vanaf de dag van betaling door de vennootschap. Zie OK 2 november 1995, De NV 1996, p. 14.’ Vide ook Geerts 2004, op. cit., p. 224 (voetnoot 41). In hof Amsterdam (OK) 10 december 1998, NJ 1999/390, JOR 1999/32, m.nt. M.W. Josephus Jitta (Spiegelenburg), hof Amsterdam (OK) 19 juli 2012, JOR 2013/7, m.nt. M.W. Josephus Jitta (Cancun) en in hof Amsterdam (OK) 15 februari 2013, JOR 2013/102, m.nt. D.A.M.H.W. Strik (Van der Moolen) koos de Ondernemingskamer evenwel (weer) voor het bedoelde onder (a). Zo overwoog zij in r.o. 3.67 en r.o. 11.13 van de laastgenoemde beschikkingen dat de wettelijke rente toewijsbaar is ‘vanaf de indiening van het verzoek, dus vanaf 8 september 2011, zoals door de Vennootschap verzocht’ respectievelijk dat ‘Den Drijver en Kroon (…) over het bedrag van de onderzoekskosten wettelijke rente verschuldigd [zijn, toev. RPJ] vanaf de datum van het inleidend verzoek [curs. RPJ] van de curatoren, te weten 11 juli 2011’. In hof Amsterdam (OK) 9 juli 2014,ARO 2014/153, Ondernemingsrecht 2014/131, m.nt. M.W. Josephus Jitta, r.o. 5.15 (Groene Energie Administratie) koos zij echter (weer) voor het bedoelde onder (b): betaling van de wettelijke rente vanaf de dag van haar beschikking. Hetzelfde geldt voor hof Amsterdam (OK) 31 maart 2017, JOR 2017/196, m.nt. S.J. van Calker, r.o. 3.11, in fine (Leaderland), hof Amsterdam (OK) 26 oktober 2017, JOR 2018/69, m.nt. D.-J.F.F.M. Duynstee, r.o. 1.8 (Inter-Burgo) en hof Amsterdam (OK) 7 september 2018, ARO 2018/201 (Loda). Deze laatste vier beslissingen acht ik (de) juist(e), nu de betalingsverplichting ter zake van de onderzoekskosten pas ontstaat vanaf het geven van de (toewijzende) beslissing op het (zelfstandige) art. 2:354 BW-verzoek. Aldus ook Hermans, Winters en Van der Schrieck, op. cit., p. 48. Cf. HR 2 juni 2017, NJ 2017/239, r.o. 3.5.2 et seq. (Vano Vastgoed).
Vide hof Amsterdam (OK) 19 juni 1997, JOR 1997/83, m.nt. F.J.P. van den Ingh, TVVS 1997/136, m.nt. P.G.F.A. Geerts, r.o. 4.25 (Bobel), waarin de Ondernemingskamer – naar aanleiding hiervan dat een aantal verweerders had aangevoerd dat een veroordeling uit hoofde van art. 2:354 BW niet hoofdelijk mag of kan zijn – overwoog dat ‘[e]lk van de verweerders heeft – door handelen en/of nalaten – zodanig bijgedragen aan de omstandigheden die uiteindelijk tot de enquête hebben geleid (…), dat elk van hen voor het geheel aansprakelijk moet worden gehouden voor de kosten van het onderzoek. Daarmee is ingevolge artikel 6:6 lid 2 BW de hoofdelijkheid gegeven [curs. RPJ]’; hof Amsterdam (OK) 10 december 1998, NJ 1999/390, JOR 1999/32, m.nt. M.W. Josephus Jitta, r.o. 3.12 (Spiegelenburg); hof Amsterdam (OK) 28 juni 2001, JOR 2001/148, m.nt. F.J.P. van den Ingh, r.o. 3.26 (De Vries Robbé); hof Amsterdam (OK) 15 december 2011, JOR 2012/77, m.nt. J.F. Ouwehand, JIN 2012/11, m.nt. M. van den Berg, r.o. 4.142 (Landis); hof Amsterdam (OK) 19 juli 2012, JOR 2013/7, m.nt. M.W. Josephus Jitta, r.o. 3.67 (Cancun); hof Amsterdam (OK) 15 februari 2013, JOR 2013/102, m.nt. D.A.M.H.W. Strik, r.o. 12.2 (Van der Moolen); hof Amsterdam (OK) 9 juli 2014, ARO 2014/153, Ondernemingsrecht 2014/131, m.nt. M.W. Josephus Jitta, r.o. 5.15 (Groene Energie Administratie); HR 13 april 2018, NJ 2018/354, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2018/171, m.nt. F.G.K. Overkleeft, Ondernemingsrecht 2018/82, m.nt. P.H.M. Broere, r.o. 3.4.2 (Leaderland). Vide ook hof Amsterdam (OK) 2 november 2015, JOR 2016/61, m.nt. P. van Schilfgaarde, AA 2016/3, m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers, r.o. 15.2 (Meavita), waarin de Ondernemingskamer geen aanleiding zag voor een hoofdelijke veroordeling in de betaling van de onderzoekskosten.
Vide hof Amsterdam (OK) 28 juli 2011, JOR 2011/329, m.nt. M.W. Josephus Jitta, r.o. 5.4 (Königsberg). In zijn noot, onder 5, bij deze beschikking vroeg Josephus Jitta zich af of de veroordeling van de rechtspersoon-bestuurder tot betaling van de onderzoekskosten als ‘aansprakelijkheid’ in de zin van art. 2:11 BW kan worden aangemerkt, waaraan hij toevoegde dat zulks in ieder geval wel praktisch is. Bartman waagt met Josephus Jitta te betwijfelen of de werking van art. 2:11 BW zo ver gaat dat ook de onderzoekskosten in een art. 2:354 BW-procedure via die route in rekening kunnen worden gebracht bij een tweedegraads bestuurder, waarbij zijns inziens komt dat de Ondernemingskamer niet aan bestuurdersaansprakelijkheid doet en dan ook niet het daartoe ontworpen instrumentarium, waaronder art. 2:11 BW, moet gebruiken. Zuiverder was volgens Bartman geweest als de Ondernemingskamer onder de term ‘bestuurder’ als bedoeld in art. 2:354 BW mede de tweedegraads bestuurders had verstaan. Vide zijn noot, onder 3, bij rb. Maastricht 1 juni 2011, JOR 2011/357, m.nt. S.M. Bartman (BAM). C.E.J.M. Hanegraaf, ‘Het verhalen van kosten van een enquête op een indirect bestuurder’, Ondernemingsrecht 2019/63, p. 335 concludeerde dat de in art. 2:354 BW bedoelde kosten niet via art. 2:11 BW op een indirecte bestuurder verhaald kunnen worden, nu het eerstgenoemde artikel geen grondslag van bestuurdersaansprakelijkheid is. Bulten en Leijten, op. cit., p. 182 zien dit anders. Zij zijn van mening dat nu art. 2:354 BW een aansprakelijkheidbepaling voor, onder andere, bestuurders bevat en art. 2:11 BW beoogt alle (Boek 2 BW-)aansprakelijkheden door te schakelen naar (dubbel-)indirecte bestuurders, dat laatste ook voor art. 2:354 BW geldt, reden waarom de Ondernemingskamer het in hun optiek bij het rechte eind heeft. Dit standpunt is, in essentie, herhaald in Bulten 2016, op. cit., p. 79. Volgens Van den Ingh kan, nu de Hoge Raad blijkens HR 4 juni 1997, NJ 1997/671, m.nt. J.M.M. Maeijer,JOR 1997/82, m.nt. F.J.P. van den Ingh, TVVS 1997, 135, m.nt. P. van der Vlis (Text Lite) van oordeel is dat functionarissen rechtstreeks tot betaling van de kosten jegens de vennootschap kunnen worden veroordeeld, art. 2:11 BW als grondslag dienen voor de gelijkstelling van een, kort gezegd, indirect bestuurder van de geënquêteerde vennootschap aan een direct bestuurder ervan; vide zijn noot, onder 3, bij hof Amsterdam (OK) 19 juni 1997, JOR 1997/83, m.nt. F.J.P. van den Ingh, TVVS 1997/136, m.nt. P.G.F.A. Geerts (Bobel). Vide ook Maeijers noot, onder 4 (in fine), bij HR 4 juni 1997, NJ 1997/671, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 1997/82, m.nt. F.J.P. van den Ingh, TVVS 1997/135, m.nt. P. van der Vlis (Text Lite); Geerts 2004, op. cit., p. 237; P.G.F.A. Geerts, in: GS Rechtspersonen, art. 2:354 BW, aant. 10. Zij wezen in dit verband ook op art. 2:11 BW. Vide voorts Buijn en Storm, op. cit., p. 1062; Storm 2018, op. cit., p. 336. Overigens noem ik Hanegraaf 2017, op. cit., p. 107 et seq., die als zijn mening gaf dat art. 2:354 BW geen grondslag van bestuurdersaansprakelijkheid is en dat deswege niet via art. 2:11 BW tot veroordeling van een tweedegraads bestuurder kan worden gekomen.
HR 18 november 2016, NJ 2017/202, m.nt. H.B. Krans en P. van Schilfgaarde, JOR 2017/30, m.nt. A. Hammerstein, Ondernemingsrecht 2017/50, m.nt. M.H.C. Sinninghe Damsté, r.o. 3.6.2 (Meavita); HR 13 april 2018, NJ 2018/354, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2018/171, m.nt. F.G.K. Overkleeft,Ondernemingsrecht 2018/82, m.nt. P.H.M. Broere, r.o. 3.3.2-3.3.3 (Leaderland). Vide mede G. van Solinge, ‘Van wanbeleid naar aansprakelijkheid’, in: G. van Solinge et al. (red.), Aansprakelijkheid van bestuurders en commissarissen. Nadere terreinverkenning in een uitdijend rechtsgebied, Serie vanwege het Van der Heijden Instituut, deel 140, Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 510-511. Vide ook de conclusie, onder 3.32, van A-G Timmerman bij de eerstgenoemde beschikking. De Hoge Raad vereist individuele en concrete verantwoordelijkheid. Daaraan zou de A-G verwijtbaarheid willen toevoegen. Zijns inziens ligt deze benadering voor de hand, omdat art. 2:354 BW een soort van lex specialis van art. 2:9 BW – waarin ernstige verwijtbaarheid als een aansprakelijkheid vestigende omstandigheid een belangrijke rol speelt – is. Vide ook zijn conclusie, onder 4.7.11 en 4.7.16, bij HR 4 april 2014, JOR 2014/290, m.nt. R.G.J. de Haan, AA 2014/6, m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers (Cancun), HR 4 april 2014, NJ 2014/286, m.nt. P. van Schilfgaarde (Cancun) en HR 4 april 2014, Ondernemingsrecht 2014/101, m.nt. A.F.J.A. Leijten (Cancun). Vide verder Van der Vlis 1997, op. cit., p. 229, die uit de VHS-procedure (vide HR 16 augustus 1996, NJ 1997/37, m.nt. J.M.M. Maeijer, TVVS 1996/172, m.nt. P.G.F.A. Geerts, r.o. 3.3.1 (VHS) en hof Amsterdam (OK) 1 december 1994, NJ 1995/584, r.o. 5.5 (VHS)) de conclusie trok dat met verantwoordelijkheid als bedoeld in art. 2:354 BW wordt gedoeld op ‘persoonlijke verwijtbaarheid’. Vide mede P.G.F.A. Geerts, in: GS Rechtspersonen, art. 2:354 BW, aant. 9.2, volgens wie de Hoge Raad met zijn oordeel in de VHS-beschikking (vide hiervoor) over ‘individuele draagplicht’ tot uitdrukking wil brengen dat een kostenverhaal alleen mogelijk is indien de bestuurder of commissaris een ‘persoonlijk (ernstig; zie slot van deze aantekening) verwijt kan worden gemaakt’. Vide tevens Geerts 2004, op. cit., p. 230-232 en 235. Vide daarnaast Slagter (deel 2) 2013, op. cit., p. 1810, die aansluiting bij de eis van een persoonlijk ernstig verwijt als toegepast in de context van art. 2:9, tweede lid, BW heeft gepleit. Volgens Assink en Kroeze, op. cit., p. 59 zou het ‘juridisch zuiverder zijn en de transparatie van haar motivering ten goede komen indien de OK zich hier voor iedere betrokkene van een contextuele ernstig verwijtmaatstaf [curs. RPJ] zou bedienen’. Vide over het ‘ernstig’ verwijt ook de conclusie, onder 2.8, van A-G Wesseling-van Gent bij de hogergenoemde Leaderland-beschikking en hof Amsterdam (OK) 19 juli 2012, JOR 2013/7, m.nt. M.W. Josephus Jitta, r.o. 3.63, 3.64.1 en 3.65 (Cancun). In de laatstgenoemde overweging lezen wij dat de Ondernemingskamer van oordeel was dat ‘de handelwijze van Roovers aldus van een in hoge mate onjuist beleid ter zake waarvan hem persoonlijk een ernstig verwijt [curs. RPJ] moet worden gemaakt’. Na het geven van ’s Hogen Raads Meavita-beschikking anders: hof Amsterdam (OK) 31 augustus 2017, JOR 2018/41, m.nt. A.F.J.A. Leijten, r.o. 4.27 (Staphorst), waarin de Ondernemingskamer als volgt overwoog: ‘De Ondernemingskamer acht, in het licht van de voorgaande overwegingen, in onderlinge samenhang bezien, voldoende feitelijke grondslag voorhanden om, zoals de onderzoeker ook als haar mening naar voren heeft gebracht, te oordelen dat het wanbeleid hoofdzakelijk is te wijten aan Welles. Aan de voorwaarde dat Welles een persoonlijk verwijt treft, is voldaan. Anders dan Welles c.s. kennelijk menen, kan daarbij in het midden blijven of sprake is van een ernstig persoonlijk verwijt [curs RPJ].’ Die ‘ernstige’ verwijtbaarheid zou mijns inziens wel aansluiten bij de opmerking van de minister dat de Ondernemingskamer moet uitmaken of een beleidsfout ‘ernstig’ genoeg is om grond tot, hetzij geheel, hetzij gedeeltelijk, verhaal te geven; vide Kamerstukken II 1968/69, 9596, 6, p. 16 (MvA). Vide ook Van Calker, op. cit., p. 525; Doorduyn, op. cit., p. 205; Leijtens noot, onder 20, bij de Staphorst-beschikking. Overigens noem ik Van Solinge 1998, op. cit., p. 55; M.W. Josephus Jitta, in: T&C Ondernemingsrecht, art. 2:354 BW.
HR 13 april 2018, NJ 2018/354, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2018/171, m.nt. F.G.K. Overkleeft,Ondernemingsrecht 2018/82, m.nt. P.H.M. Broere, r.o. 3.4.2 (Leaderland).
Vide HR 16 augustus 1996, NJ 1997/37, m.nt. J.M.M. Maeijer, TVVS 1996/172, m.nt. P.G.F.A. Geerts, r.o. 3.3.2 (VHS): ‘Voorts dient in het oog te worden gehouden dat de regeling van de artt. 2:350 en 2:354 BW een voorziening beoogt te treffen aangaande de vraag wie de kosten van het onderzoek moet dragen. Aldus is een bijzondere regeling getroffen voor een concrete casuspositie, hetgeen tot gevolg heeft dat de algemeen gestelde aansprakelijkheidsregeling van art. 2:9 BW niet meer aan bod komt.’ (curs. RPJ) Vide ook de conclusie, onder 8.3-8.5, van plv. P-G Van Soest bij HR 16 augustus 1996, NJ 1997/37, m.nt. J.M.M. Maeijer, TVVS 1996/172, m.nt. P.G.F.A. Geerts (VHS), volgens wie de regeling als bedoeld in art. 2:354 BW wetssystematisch naar voren komt als een lex specialis, die de lex generalis van art. 2:9 BW opzijzet. Die lex specialis gaat, zo vervolgde de plv. P-G, uit van de aanwijzbaarheid – uit het verslag – van een individuele, persoonlijke, verantwoordelijkheid, waaraan art. 2:9 BW niet af of toe kan doen. Vide voorts de conclusie, onder 3.40, van A-G Timmerman bij HR 18 november 2016, NJ 2017/202, m.nt. H.B. Krans en P. van Schilfgaarde, JOR 2017/30, m.nt. A. Hammerstein, Ondernemingsrecht 2017/50, m.nt. M.H.C. Sinninghe Damsté (Meavita), alwaar hij opmerkte art. 2:354 BW ‘een soort van lex specialis van art. 2:9 BW is’. Met andere woorden: de rechtspersoon kan de onderzoekskosten niet uit hoofde van laatstgenoemd artikel op bestuurders verhalen. Evenmin kan hij dat op de voet van art. 6:162 BW, aldus Buijn en Storm, Geerts, Maeijer en Storm; vide de noot, onder 3 (in fine), van Maeijer bij HR 16 augustus 1996, NJ 1997/37, m.nt. J.M.M. Maeijer, TVVS 1996/172, m.nt. P.G.F.A. Geerts (VHS); noot, onder 2 (voetnoot 5), van Geerts bij HR 19 mei 1999,NJ 1999/658, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 1999/145, m.nt. M.W. Josephus Jitta, Ondernemingsrecht 1999/51, m.nt. P.G.F.A. Geerts (Bobel); Buijn en Storm, op. cit., p. 1063; Storm 2014a, op. cit., p. 185. Eerstgenoemden voegden daar ook nog art. 2:8 BW aan toe. Laatstgenoemde noemde, naast de voormelde artikelen, nog art. 6:72 BW. Vide ook Storm 2018, op. cit., p. 325 (tekst is anders dan in Storm 2014a, op. cit., p. 185) en 337-338.
Evenzo A-G Timmerman in zijn conclusie onder 3.1 (voetnoot 17, i.f.), bij HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1279. Vide hierover ook Van Solinge 1998, op. cit., p. 38-42.
H.F.J. Joosten, ‘Enquête: verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van ‘functionarissen’’, in: P. Ingelse (red.), De Ondernemingskamer, Prinsengrachtreeks 1998/1, Nijmegen: Ars Aequi Libri 1998, p. 27.
Ter adstructie wijs ik op het volgende, in onderling verband en samenhang beschouwd. Ten eerste heeft de Hoge Raad in HR 18 november 2005, NJ 2006/173, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2005/295, m.nt. M. Brink, Ondernemingsrecht 2006/10, m.nt. P.G.F.A. Geerts, r.o. 4.2 (Unilever) (a) herhaald dat de wetgever blijkens de onstaansgeschiedenis van de enquêteregeling als doeleinde van het enquêterecht (mede) beschouwt de vaststelling bij wie de verantwoordelijkheid berust voor mogelijk blijkend wanbeleid en (b) uitgemaakt dat tot de doeleinde van het enquêterecht niet behoort de beslechting van geschillen van vermogensrechtelijke aard en evenmin het doen van onderzoek naar de feitelijke achtergrond daarvan. Volgens L. Timmerman, ‘De begrenzers van het enquêterecht’, in: Ondernemingsrecht door en voor Mick den Boogert, Uitgaven vanwege het Instituut voor Ondernemingsrecht, deel 62, Deventer: Kluwer 2008, p. 150 betekent zulks onder andere dat ‘het enquêterecht niet bedoeld is om vragen in verband met de aansprakelijkheid [curs. RPJ] van bestuurders en andere belangrijke functionarissen van de vennootschap te beantwoorden en ook niet om onderzoek te verrichten naar feiten die van belang zijn voor het beantwoorden van dergelijke vragen’. Vide ook zijn opvatting in voetnoot 61 infra. Ten tweede heeft de Hoge Raad in HR 4 juni 1997, NJ 1997/671, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 1997/82, m.nt. F.J.P. van den Ingh, TVVS 1997/135, m.nt. P. van der Vlis, r.o. 4.1.3 (Text Lite), voor zover hier van belang, overwogen dat het door de Ondernemingskamer geven van oordelen over ‘persoonlijke aansprakelijkheid’ voor de gevolgen van mogelijkerwijs te constateren wanbeleid buiten haar bevoegdheid valt. Ten derde heeft de Hoge Raad in HR 4 april 2003, NJ 2003/538, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2003/134, m.nt. Y. Borrius, Ondernemingsrecht 2003/36, m.nt. F. Veenstra, r.o. 3.4 (Skipper Club) overwogen dat het hof met zijn oordeel, houdende dat, kort gezegd, ’s Ondernemingskamers wanbeleidbeschikking en haar art. 2:354 BW-beschikking geen directe betekenis hebben voor de in dit geding gestelde rechtsbetrekking tusen partijen, tot uitdrukking heeft gebracht dat de evengenoemde beschikkingen ‘niet (tevens) bindend doen vaststaan dat Jaarsma aansprakelijk is op de voet van art. 2:9 BW’ en dat dit oordeel juist is. Ten vierde heeft in Kamerstukken II 2010/11, 32887, 3, p. 16 en 37 (MvT) de minister van Veiligheid en Justitie, Opstelten, het volgende opgemerkt: ‘Het oordeel van de Ondernemingskamer in een enquêteprocedure over een bepaald aandeelhoudersbesluit, het gedrag van de algemene vergadering of een individuele aandeelhouder geeft overigens geen antwoord op de vraag of een individuele aandeelhouder aansprakelijk kan worden gehouden voor de gang van zaken binnen de vennootschap. Dat zal desgewenst in een aansprakelijkheidsprocedure, waarbij het gedrag van de desbetreffende aandeelhouder centraal staat, moeten worden vastgesteld.’ respectievelijk ‘Wanneer een enquêteprocedure uitmondt in de uitspraak dat sprake is van wanbeleid van het bestuur, dan staat daarmee de aansprakelijkheid van een individuele bestuurder nog niet vast. De individuele bestuurder is bij de enquêteprocedure ook geen partij. Voor de aansprakelijkstelling is derhalve een separate procedure tegen een bestuurder nodig, waarin vanzelfsprekend een eerder oordeel dat de gezamenlijke bestuurders verantwoordelijk zijn voor wanbeleid wel een belangrijke rol zal kunnen spelen.’ (curs. RPJ) Verder noem ik Van Solinge 1998, op. cit., p. 39, volgens wie het enquêterecht voorziet in een ‘bijzondere vorm van verantwoording [curs. RPJ] afleggen’. Tot besluit wijs ik op E.M. Wesseling-van Gent, ‘To Fish or not to Fish, that’s the Question’, in: M. Holtzer, A.F.J.A. Leijten en D.J. Oranje (red.), Geschriften vanwege de Vereniging Corporate Litigation 2005-2006, Serie vanwege het Van der Heijden Instituut, deel 87, Deventer: Kluwer 2006, p. 345: ‘Afgezien van strijd met de wet en de bedoeling van de wet is de enquêteprocedure als opmaat voor een aansprakelijkheidsprocedure ook niet in overeenstemming te brengen met de aard van de verzoekschriftprocedure en biedt het onderzoek te weinig waarborgen om daartoe te kunnen dienen.’ (voetnoot verwijderd)
Volgens A-G Timmerman in zijn conclusie onder 3.1, bij HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1279 maakt een bepaalde opzet de enquêteprocedure niet geschikt voor aansprakelijkheidsgeschillen. In die procedure draait het in essentie om verantwoording, terwijl het bij aansprakelijkheid gaat om de verplaatsing van schade. Dat laatste hoort zijns inziens niet thuis in het enquêterecht.
Cf. Van Solinge 1998, op. cit., p. 60.
Voor het uit de enquêteregeling verwijderen van (een deel van) art. 2:354 BW is reeds eerder gepleit; vide P.M.M. van der Grinten en M.J. Kroeze, ‘Het congres “Rechtspleging in het ondernemingsrecht”’, TVVS 1997/1, p. 13; Van der Vlis 1997, op. cit., p. 230; Van Solinge 1998, op. cit., p. 57; Van der Vlis 2000, op. cit., p. 321-322 en 324; Geerts 2004, op. cit., p. 239-240; P.G.F.A. Geerts, in: GS Rechtspersonen, art. 2:354 BW, aant. 11; Veenstra 2010, op. cit., p. 263 en 267-268; Borrius, op. cit., p. 71; Van Calker in zijn noot, onder 6, bij hof Amsterdam (OK) maart 2017, JOR 2017/196 (Leaderland); Josephus Jitta 2018b, op. cit., p. 83. Vide ook Seinen, op. cit., p. 135, die opmerkte dat de kostenverhaalsmogelijkheid eigenlijk niet in de enquêteprocedure thuishoort. In gelijke zin Van Solinge 2017, op. cit., p. 514. Vide daartegen Buijn en Storm, op. cit., p. 1085; Overkleeft in zijn noot, onder 7-8, bij HR 13 april 2018, NJ 2018/354, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2018/171, m.nt. F.G.K. Overkleeft, Ondernemingsrecht 2018/82, m.nt. P.H.M. Broere (Leaderland). Vide ook Storm 2014, op. cit., p. 184. Van Solinge, die meent dat kostenverhaal uit het enquêterecht moet verdwijnen, en zo niet, slechts in het zwaarste geval (wanbeleid) moet worden toegelaten; vide zijn noot bij HR 8 april 1998, JOR 1998/133 (Skipper Club), para 8. O.R. van Brunschot, ‘De faillissementsenquête’, in: M. Holtzer, A.F.J.A. Leijten en D.J. Oranje (red.), Geschriften vanwege de Vereniging Corporate Litigation 2007-2008, Serie vanwege het Van der Heijden Instituut, deel 97, Deventer: Kluwer 2008, p. 248 pleitte voor het overhevelen van art. 2:354 BW naar de dagvaardingsprocedure.
Vide de conclusie, onder 3.31, van A-G Timmerman bij HR 18 november 2016, NJ 2017/202, m.nt. H.B. Krans en P. van Schilfgaarde, JOR 2017/30, m.nt. A. Hammerstein, Ondernemingsrecht 2017/50, m.nt. M.H.C. Sinninghe Damsté (Meavita).
Bij het verhalen van de onderzoekkosten heeft de art. 2:354 BW-gerechtigde twee mogelijkheden. De eerste betreft het verhalen van die kosten op de verzoekers tot enquête. Dit kan worden gedaan indien uit het verslag blijkt dat het enquêteverzoek niet op redelijke grond is gedaan (cf. art. 2:350, tweede lid, eerste volzin, BW). De ministers Polak en De Geus spraken hiervan dat de Ondernemingskamer ‘er als het ware is ingelopen’ respectievelijk ‘door verzoekers op een dwaalspoor is gebracht’.1 Bij mijn weten is de hier bedoelde mogelijkheid nog nooit met vrucht aangewend.2 Deze mogelijkheid tot kostenverhaal is dan ook een dode letter. Wat mij betreft, kan tot schrapping ervan worden overgegaan.3
De tweede mogelijkheid regardeert het verhalen van de onderzoekskosten op een bestuurder, een commissaris of een ander die in dienst4 van de rechtspersoon was5 of is.6 Dit kan worden gedaan indien uit het verslag blijkt dat deze verantwoordelijk is voor een onjuist beleid, welk woord op de topleiding (lees: het bestuur en, zo die er is, de raad van commissarissen) slaat, dan wel een onbevredigende gang van zaken, welke woorden op de lagere functionarissen, die niet het beleid hebben bepaald, maar die door, bijvoorbeeld, het geven van verkeerd advies of het verstrekken van onjuiste inlichtingen de evenbedoelde gang van zaken teweeg hebben gebracht, slaan, van de rechtspersoon.7
Mij zijn slechts drie beschikkingen bekend waarin de Ondernemingskamer – in een concerngenotenenquêtezaak – op die voet een verzoek tot kostenverhaal heeft toegewezen, namelijk Polyplus,8Landis9 en Pierson & Pierson.10 In de eerstbedoelde zaak gelastte de Ondernemingskamer desverzocht een onderzoek bij Polyplus Holding B.V. (hierna: Holding) en haar twee 100%-dochtermaatschappijen Polyplus Kunststoffen B.V. en Polyplus Special Products B.V., van welke vennootschappen zij tevens, kennelijk enig, bestuurder was, en bepaalde de Ondernemingskamer dat de onderzoekskosten ten laste van Holding kwamen.11 Deze laatste had nadien de Ondernemingskamer verzocht haar enig (statutair) bestuurder, G. Schokker,12 te veroordelen tot betaling van de zo-even genoemde kosten, hetwelk werd ingewilligd, nu hij verantwoordelijk kon worden gehouden voor het onjuiste beleid en de onbevredigende gang van zaken van de drie voornoemde vennootschappen.13
In de tweedebedoelde zaak gelastte de Ondernemingskamer desverzocht een onderzoek bij Landis en haar drie 100%-dochtermaatschappijen Detron, Landis International en Landis Group en bepaalde zij dat de onderzoekskosten ten laste kwamen van Landis.14 De curatoren van laatstgenoemde verzochten de Ondernemingskamer, voor zover hier van belang, een aantal (gewezen) bestuurders en commissarissen van, naar ik begrijp, Landis hoofdelijk te veroordelen tot betaling van die – uiteindelijk onverplicht ten laste van de boedel gekomen – kosten,15 hetgeen ten aanzien van een deel van hen voor honorering in aanmerking kwam en, wat de hoogte daarvan aanging, niet hoger uitkwam dan eerder door de Ondernemingskamer als maximum was bepaald.16
In de derdegenoemde zaak gelastte de Ondernemingskamer desverzocht een onderzoek bij Pierson & Pierson B.V. (hierna: Pierson & Pierson) en haar volle dochtermaatschappij Tana Netting Netherlands B.V., waarvan de eerstgenoemde vennootschap tevens enig bestuurder was, en bepaalde zij dat de onderzoekskosten ten laste van hen beide kwamen.17 Toen het tweede fase-verzoek bij de Ondernemingskamer binnenkwam verzochten beide vennootschappen om die kosten op Th.U. van der Bijl, de enig bestuurder van Pierson & Pierson,18 te kunnen verhalen, welk verzoek voor toewijzing in aanmerking kwam, nu naar het oordeel van de Ondernemingskamer aan de vereisten van art. 2:354 BW was voldaan.19 Hij werd dan ook door haar veroordeeld in de betaling daarvan.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat degene die (de iure et) de facto de onderzoekskosten draagt, de Ondernemingskamer kan verzoeken de kosten op een bestuurder en/of commissaris te mogen verhalen, waartoe zij, indien aan de vereisten van art. 2:354 BW is voldaan, een veroordeling tot betaling kan uitspreken. Financiert de moedermaatschappij het onderzoek, dan kan zij dus een art. 2:354 BW-verzoek indienen. In het geval waarin zowel zij als haar dochtermaatschappij de kosten ten behoeve van dat onderzoek moeten ophoesten, dan kunnen zij beide daartoe overgaan. Dit is conform het thans vigerende systeem.
Aandacht verdient hiernaast de aard van de art. 2:354 BW-procedure. Niettegenstaande het feit dat in dit artikel wordt gesproken van ‘verantwoordelijk’, ben ik van mening dat deze procedure in wezen een (bijzondere) aansprakelijkheidsprocedure is.20 Anders gezegd: art. 2:354 BW (2e onderdeel) is een aansprakelijkheidsbepaling gehuld in het gewaad van een verantwoordelijkheidsbepaling. Hierbij heb ik, in onderling verband en samenhang beschouwd, in aanmerking aangenomen dat (i) in zowel OK-beschikkingen21 als in een HR-beschikking22 als in conclusies (van A-G Mok)23 het woord ‘aansprakelijk(heid)’ in dit verband werd gebezigd, (ii) het dictum van ’s Ondernemingskamers beschikking een veroordeling tot betaling van de onderzoekskosten kan inhouden,24 (iii) het te betalen bedrag kan worden vermeerderd met de wettelijke rente (art. 6:119 BW),25 (iv) de betrokkenen hoofdelijk (videart. 6:6, tweede lid, BW) in de betaling van de onderzoekskosten kunnen worden veroordeeld,26 (v) een betrokkene – zonder een andersluidend geluid van de Hoge Raad – op de voet van art. 2:11 BW in de zo-even genoemde kosten kan worden veroordeeld,27 (vi) de betrokkene, voor de toepasselijkheid van betaling van art. 2:354 BW, persoonlijk een ‘verwijt’ moet kunnen worden gemaakt,28 (vii) een art. 2:354 BW-veroordeling strekt tot vergoeding van ‘schade’, bestaande in dede onderzoekskosten,29 en (viii) de art. 2:354 BW-regeling een lex specialis is die derogeert aan de aansprakelijkheidsregeling van art. 2:9 BW, de lex generalis.30
Dit aansprakelijkheidskarakter van art. 2:354 BW maakt de enquêteregeling echter onzuiver. Immers, ‘verantwoordelijkheid’ moet worden onderscheiden van ‘aansprakelijkheid’.31 Dat eerste kán tot dat laatste leiden, maar dat hoeft (dus) niet.32 Het enquêterecht – en daarmee ook de bevoegdheid van de Ondernemingskamer – vindt, voor zover hier van belang, zijn (uiterste) grens in het vaststellen van individuele verantwoordelijkheid voor mogelijk blijkend wanbeleid, waarbuiten (dus) valt het doen van onderzoek naar, het vellen van oordelen over en het (uiteindelijk) vaststellen van individuele aansprakelijkheid.33 Desondanks ziet art. 2:354 BW – naar de kern bezien – op (een bijzondere vorm van) aansprakelijkheid. Ziedaar de onzuiverheid.
Voornoemd artikel, althans het tweede onderdeel ervan, hoort, naar mijn opvatting, dan ook niet in de enquêteregeling thuis.34 Teneinde het enquêterecht zuiver te houden dient aansprakelijkheid – strikt – van verantwoordelijkheid te worden (af-) gescheiden.35 Schrapping, ook in zoverre, van art. 2:354 BW is dan ook geïndiceerd.36 De gewone civiele rechter dient te worden geadieerd. Proceseconomische redenen kunnen daar niet aan afdoen.37
Tegen de achtergrond van al het vorengaande laat ik (het bepaalde in) art. 2:354 verder rusten; er zal bij de bespreking van het enquêterecht in concernverhoudingen naar wenselijk recht bijgevolg geen aandacht aan worden besteed.