Einde inhoudsopgave
Personentoetsingen in de financiële sector (O&R nr. 127) 2021/1.8.1
1.8.1 Personentoetsingen
mr. drs. I. Palm-Steyerberg, datum 01-03-2021
- Datum
01-03-2021
- Auteur
mr. drs. I. Palm-Steyerberg
- JCDI
JCDI:ADS268501:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Europees financieel recht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Met externe toezichthouders wordt gedoeld op DNB, de AFM, de ECB en ESMA (zie par. 1.10).
Vergelijk bijvoorbeeld art. 2:12, eerste lid, onder a en b, 2:26b, tweede lid, onder a en b en 2:69d, eerste lid, onder a en b Wft voor de vergunningvereisten voor een bank, verzekeraar en beheerder van een icbe.
De verplichte toezichthoudertoets is neergelegd in onder meer art. 32aa, tweede lid en 33, tweede lid, Bpr Wft, art. 3, tweede lid, 89, derde lid, 95, tweede lid en 103, tweede lid BGfo Wft, art. 106, zesde lid, Pw jo art 29, eerste lid Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling en art. 8 Wtt 2018. Zie ook de bijbehorende toelichtingen (Stb. 2006/ 520, p. 127, 156 en 167 en Kamerstukken II, 2017/18, 34 910, nr. 3, p. 40).
Er is bijvoorbeeld sprake van een functieverandering als een kandidaat een voorzittersrol gaat vervullen of zitting neemt in de beleggingscommissie of de audit-/riskcommissie of als het takenpakket met bijvoorbeeld de verantwoordelijkheid voor de risicobeheer- en/of compliancefunctie wordt uitgebreid (zie https://www.dnb.nl/nieuws/dnb-nieuwsbrieven/nieuwsbrief-verzekeren/NieuwsbriefVerzekerendecember2018/dnb380877.jsp en https://www.dnb.nl/nieuws/dnb-nieuwsbrieven/nieuwsbrief-pensioenen/nieuwsbrief-pensioenen-juli-2018/dnb377297.jsp).
Houders van een gekwalificeerde deelneming in bepaalde financiële ondernemingen dienen te beschikken over een vvgb, welke uitsluitend door de toezichthouder kan worden verleend indien wordt voldaan aan, onder meer, eisen ten aanzien van de reputatie van de aanvrager van de verklaring van geen bezwaar, de betrouwbaarheid van beleidsbepalers en medebeleidsbepalers en de geschiktheid van de dagelijks beleidsbepalers. Zie art. 3:99, 3:100, eerste lid, onder a en b en 5:32d Wft, de Beleidslijn verklaring van geen bezwaar gekwalificeerde deelneming en de Gemeenschappelijke richtsnoeren inzake de prudentiële beoordeling van verwervingen en vergrotingen van gekwalificeerde deelnemingen in de financiële sector. Zie voor een toelichting op de reputatietoets Hoofdstuk 2, par. 2.2.3.
Zie L.J.J. Rogier, Preventieve bestuurlijke rechtshandhaving (oratie Rotterdam), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2006, p. 30-31.
Zie art. 3:9, tweede lid en 4:10, tweede lid Wft en vergelijkbare bepalingen in de Wtt, Pw, en Wvb en art. 1.5 van de Beleidsregel Geschiktheid. Zie ook Hoofdstuk 7, par. 7.3.1.
Zie art. 106, negende lid, Pw en 110c, negende lid, Wvb jo art. 29, derde lid, Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling, Kamerstukken II, 2017/18, 34 934, nr. 3, p. 9. Zie nader over deze niet- verplichte toetsingen Hoofdstuk 2, par. 2.2.1 en 2.2.2, Hoofdstuk 4 en het overzicht in Tabel 2.1.
Art. 4:9, vierde lid, Wft en Hoofdstuk 2 BGfo Wft.
Toets door externe toezichthouders
Het “systeem van personentoetsingen” is hiervoor gedefinieerd als het samenstel van de aan te toetsen personen gestelde wettelijke eisen (beoordelingscriteria), de verplichting van financiële instellingen om te beschikken over personen die aan deze eisen voldoen (instellingentoets), en de wijze waarop de externe toezichthouders toezien op de naleving van deze verplichting (toezichthoudertoets).1 Dit laatste element, de toezichthoudertoets, is doorslaggevend in de begrenzing van mijn onderzoek. De studie beperkt zich tot personentoetsingen waarbij de externe toezichthouders bevoegd dan wel gehouden zijn om te toetsen of individuele personen aan de gestelde beoordelingscriteria voldoen.
Aanvangstoetsingen en hertoetsingen
De Nederlandse toezichthouders voeren deze toetsingen uit in het kader van het verlenen van de vergunning of registratie2 en bij latere wijzigingen zoals bestuurderswisselingen.3 Dit worden ook wel “aanvangstoetsingen” genoemd, of “toetsing aan de poort”. Hieronder vallen ook toetsingen bij een (substantiële) functiewijziging.4 Daarnaast voeren de toezichthouders toetsingen uit in het kader van de aanvraag van een verklaring van geen bezwaar (vvgb).5 Aanvangstoetsingen en de naar aanleiding daarvan te nemen besluiten kunnen worden gekwalificeerd als een vorm van preventieve bestuurlijke rechtshandhaving.6
De wettelijke eisen van geschiktheid en betrouwbaarheid zijn doorlopende eisen. Ook na verkregen vergunning of registratie dient (“doorlopend”) aan deze eisen te worden voldaan. De toezichthouders zijn bevoegd om, wanneer een wijziging in de relevante feiten of omstandigheden daartoe een redelijke aanleiding geeft, een nieuwe beoordeling uit te voeren van de betrouwbaarheid en/of de geschiktheid van personen die al in functie zijn.7 In de praktijk wordt gesproken van “hertoetsingen”. Hertoetsingen en de naar aanleiding daarvan te nemen besluiten gelden als repressieve bestuursrechtelijke handhaving (toezicht op de naleving van de wet- en regelgeving).
In bepaalde gevallen beschikt de toezichthouder niet zozeer over de verplichting tot het uitvoeren van personentoetsingen, maar is hiertoe wel bevoegd. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de toetsing van personen die betrokken zijn bij het vervullen van een sleutelfunctie bij een pensioenfonds, maar zonder voor de sleutelfunctie (eind-)verantwoordelijk te zijn, en bij leden van een visitatiecommissie. In die gevallen wordt de toetsing in beginsel overgelaten aan de instelling zelf. De toezichthouder kan deze personen echter, indien zij daartoe aanleiding ziet, (alsnog) aan een individuele toets onderwerpen.8
Dit proefschrift ziet zowel op de door de toezichthouder (verplichte en niet verplichte) uit te voeren aanvangstoetsingen als hertoetsingen.
Instellingentoets
De financiële toezichtwetgeving stelt daarnaast eisen aan personen werkzaam in de financiële sector, zonder dat in een “toezichthoudertoets” is voorzien. Dergelijke eisen kunnen liggen op het vlak van integriteit, vakbekwaamheid, deskundigheid en/of onafhankelijkheid. Voorbeelden zijn de eis dat personen in een integriteitsgevoelige functie betrouwbaar zijn,9 de eis dat personen die zich rechtstreeks bezig houden met het verlenen van financiële diensten en hun leidinggevenden betrouwbaar zijn,10 vakbekwaamheidseisen (waaronder diploma-eisen) voor medewerkers die klanten adviseren over bijvoorbeeld verzekeringen, pensioen of krediet,11 en deskundigheids- en onafhankelijkheidseisen voor interne controlefuncties zoals audit of compliance.12
De beoordeling of bedoelde personen over de vereiste kwaliteiten beschikken is de verantwoordelijkheid van de financiële instellingen. De externe toezichthouders zien toe op de naleving van deze verplichting, bijvoorbeeld via de beoordeling van de beheerste en integere bedrijfsvoering,13 maar toetsen individuele personen niet zelf. Deze, door uitsluitend de financiële instellingen zelf uit te voeren toetsingen, vallen buiten het bereik van deze studie, al wordt in Hoofdstuk 4 wel op dit grensgebied gewezen.