Einde inhoudsopgave
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/6.3.4.1
6.3.4.1 Ruime beoordelingsvrijheid wetgever
dr. M. Schuver-Bravenboer, datum 01-02-2009
- Datum
01-02-2009
- Auteur
dr. M. Schuver-Bravenboer
- JCDI
JCDI:ADS413775:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Wetgeving
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 8 juli 1986, nr. 9006/80 (Litghow e.a./Verenigd Koninkrijk), Series A102, ro. 177.
Zie ook EHRM 28 november 1984, nr. 8777/79 (Rasmussen/Denemarken), NJ 1986, 4 (m.nt. Alkema en Luijten), par. 40.
O.a. EHRM 12 december 2006, nr. 13378/05 (Burden and Burden/Verenigd Koninkrijk), V-N 2007/54.5 en EHRM 22 juni 1999, nr. 46757/99 (Galeotti Ottieri della Ciaja/Italië), BNB 2002/398 (m.nt. Happé).
Zie o.a. HR 21 maart 2001, nr. 35 857, BNB 2002/51 (concl. Van Kalmthout; m.nt. Van der Geld) en HR 26 maart 2004, nr. 38 561, BNB 2004/201.
Albert 2005, p. 209.
Zie o.a. HR 21 februari 2003, nr. 38 062, BNB 2003/153 (m.nt. Van Soest), HR 11 juni 2004, nr. 39 093, BNB 2004/408 (m.nt. Happé), HR 8 juli 2005, nr. 39 870, BNB 2005/310 (concl. A-G Van Ballegooijen; m.nt. Happé).
Vgl. Van der Linde 2002b.
HR 20 oktober 1993, nr. 29 183, BNB 1993/347.
HR 15 maart 1995, nr. 30 192, BNB 1995/125 (m.nt. Van Leijenhorst), ro. 3.1.
HR 12 november 1997, nr. 30 981, BNB 1998/22 (m.nt. Wattel), ro. 3.10.
HR 15 juli 1998, nr. 31 922, BNB 1998/293, ro. 3.12 (concl. A-G Van den Berge; m.nt. Wattel).
De wetgever hoeft niet te zeer te verfijnen, zie bijv. HR 10 juni 2005, nr. 38 625, BNB 2005/319 (m.nt. Happé), ro. 3.3, HR 2 maart 2007, nr. 42 144, BNB 2007/240 (m.nt. Heithuis), ro. 3.3 en EHRM 12 december 2006, nr. 13378/05 (Burden and Burden/Verenigd Koninkrijk), FED 2007/107 (m.nt. Thomas), par. 60.
Zie o.a. Den Hollander en Kraaipoel 2003, p. 35.
Zie zijn annotatie bij HR 12 november 1997, nr. 30 981, BNB 1998/22 en EHRM 29 januari 2002, nr. 45600/99 (Auerbach/Nederland), BNB 2002/126. Vgl. de annotatie van Wattel bij HR 15 juli 1998, nr. 31 922, BNB 1998/293 (concl. A-G Van den Berge).
Bergman en Van Huijgevoort 2003, p. 1253.
Vgl. ook de conclusie van A-G van den Berge bij HR 15 juli 1998, nr. 31 922, BNB 1998/293 waarin hij in onderdeel 5.3.4 verwijst naar Duitse literatuur waarin wordt verdedigd dat onder andere ten aanzien van overgangsmaatregelen een lichtere toets zou moeten gelden.
Freudenthal in zijn aantekening bij HR 3 maart 1999, nr. 33 926, FED 1999/372.
EHRM 12 december 2006, nr. 13378/05 (Burden and Burden/Verenigd Koninkrijk), V-N 2007/54.5, par. 60; deze zaak is verwezen naar de Grote Kamer zie EHRM 29 april 2008, nr. 13378/05, V-N 2008/35.6.
Onderdeel 6 van zijn annotatie bij HR 12 juli 2002, nr. 36 254, BNB 2002/400.
Waaldijk 1994, p. 68.
Bij de beoordeling of sprake is van een objectieve en redelijke rechtvaardiging geniet de wetgever, evenals het geval is bij toetsing aan het eigendomsrecht (par. 6.2.4.1), een ruime beoordelingsvrijheid. In de zaak Lithgow e.a. oordeelt het EHRM dat de wetgever een zekere mate van beoordelingsvrijheid heeft:1
‘Furthermore, the Contracting States enjoy a certain margin of appreciation in assessing whether and to what extent differences in otherwise similar situations justify a different treatment in law; the scope of this margin will vary according to the circumstances, the subject-matter and its background (...).’
De omvang van de marge is afhankelijk van de omstandigheden, het onderwerp en zijn achtergrond en het antwoord op de vraag of de regel past binnen het beleid van de andere lidstaten.2 Voor belastingzaken geldt hierdoor een ruime beoordelingsvrijheid:3
‘The Contracting State enjoys a margin of appreciation in assessing whether and to what extent differences in otherwise similar situations justify a different treatment, and this margin is usually wide when it comes to general measures of economic or social strategy.’
De Hoge Raad beperkt zich in belastingzaken niet tot het gebruik van de term ‘ruime beoordelingsvrijheid’ maar gebruikt eveneens de term ‘zekere beoordelingsvrijheid.’4 Albert vermoedt dat sprake is van een verschrijving en dat de Hoge Raad met het gebruik van de term ‘zekere’ niet tot uitdrukking heeft willen brengen dat hij voortaan stringenter aan het gelijkheidsbeginsel zal toetsen.5 Ik deel die mening aangezien de Hoge Raad zowel in arresten van eerdere als in arresten van latere datum spreekt over een ‘ruime beoordelingsvrijheid’.6
Het oordeel van het EHRM dat de beoordelingsmarge van de wetgever afhangt van de omstandigheden, het onderwerp en zijn achtergrond heeft de Hoge Raad niet expliciet overgenomen.7 Wel lijkt de Hoge Raad een kwantitatieve toets aan te leggen. Eerst bij een kwantitatief belangrijke benadeling of bevoordeling kan sprake zijn van een schending van art. 14 EVRM of art. 26 IVBPR. In HR 20 oktober 1993, nr. 29 183 oordeelde de Hoge Raad dat bij een afvalstoffenheffing van ƒ 88,20 per jaar een gelijke behandeling van ongelijke gevallen geen door art. 26 IVBPR verboden discriminatie oplevert.8 In 1995 wees de Hoge Raad een arrest aangaande de gemeentelijke heffingen waarbij hij overwoog:9
‘Bij deze klachten is van belang dat de hier van toepassing zijnde tarieven f 342 en f 206,70 gelet op hun hoogte een door artikel 26 IVBPR verboden discriminatie niet uitsluiten (arrest van de Hoge Raad van 20 oktober 1993, nr. 29 183, BNB 1993/347).’
In HR 12 november 1997, nr. 30 981 oordeelde de Hoge Raad evenwel dat voor beoordeling van het kwantitatieve aspect niet moet worden gekeken naar het belang van de belanghebbende die in casu een uitzonderlijk geval vormde, doch moet worden gekeken naar de ‘gewone’ gevallen en dat het voorts moet gaan om in absolute of in relatieve zin belangrijke bedragen:10
‘Voor de beoordeling van de kwantitatieve aspecten van de onderhavige regeling dient te worden uitgegaan van “gewone” gevallen zodat kan worden voorbijgegaan aan uitzonderlijke gevallen als het onderhavige waarin over een grote afstand is gereisd. In die benadering is er geen aanleiding om te veronderstellen dat het bij de geconstateerde ongelijke behandeling zal gaan om in absolute of in relatieve zin belangrijke bedragen.’
In HR 15 juli 1998, nr. 31 922, inzake de regeling van het autokostenforfait toetste de Hoge Raad wederom of de ongelijke behandeling leidde tot een kwantitatief belangrijke bevoordeling.11 In casu was een belang van circa ƒ 650 voldoende voor een – geslaagd – beroep op art. 26 IVBPR en art. 14 EVRM.
De regel dat bij de beoordeling van de kwantitatieve aspecten moet worden uitgegaan van de ‘gewone’ gevallen, behoort naar mijn mening ook de leidraad te zijn in overgangssituaties. Bij het vaststellen van het overgangsregime kan de wetgever immers slechts rekening houden met de voor- en nadelen die belastingplichtigen gemiddeld genomen bij een wetswijziging zullen ondervinden (zie par. 5.2.4.1). Indien in een uitzonderlijk geval sprake is van een meer dan gemiddelde benadeling, zou dit geval niet tot een schending van het gelijkheidsbeginsel mogen leiden.12 Wat betreft de omvang van de kwantitatieve eis, zou als regel moeten gelden dat beperkte nadelen ten gevolge van wetswijzigingen voor lief moeten worden genomen (zie ook het vereiste van schade in par. 5.2.1).
In de literatuur is een aantal keer geopperd dat niet is uit te sluiten dat de Hoge Raad bij ‘niet-fundamentele kwesties’ de wetgever een ruimere beoordelingsvrijheid gunt.13 Op grond van het kniesoorbeginsel zou de rechter met een minder stringente toetsing aan het gelijkheidsbeginsel kunnen volstaan in zaken waarin het niet gaat om fundamentele vrijheden doch om fiscaal-technocratisch wegwerprecht waarbij het belang niet meer dan een paar honderd euro beloopt, aldus Wattel.14 Er zijn evenwel ook tegenstanders van toepassing van het kniesoorbeginsel te vinden. Korthals Altes stelt in een interview dat hij gaf bij zijn vertrek als vice-president van de Belastingkamer van de Hoge Raad, dat in de ontstaansgeschiedenis van art. 26 IVBPR elk spoor van zoiets als een kniesoorbeginsel ontbreekt en dat dit beginsel voorts ook niet opgesloten ligt in het begrip discriminatie.15 Naar mijn mening dient de Hoge Raad niet uit te gaan van een subjectief beginsel als het kniesoorbeginsel. De door het EHRM gegeven omstandigheden die de beoordelingsvrijheid van de wetgever bepalen – met name de omstandigheden, het onderwerp en zijn achtergrond – vormen naar mijn mening een beter aanknopingspunt. Gelet op het omvangrijke instrumentarium van de wetgever en de vele belangen waarmee hij rekening dient te houden, vraagt het vaststellen van een overgangsregime zijn bijzondere aandacht. Indien de wetgever zijn taak zorgvuldig heeft uitgevoerd, zou – mede gelet op de ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever – geen sprake mogen zijn van verboden discriminatie.16 Freudenthal stelt in dit verband: 17
‘[dat] het ontbreken van overgangsregelingen niet iets is waarvoor men op het gelijkheidsbeginsel snel een beroep kan doen.’
Uit de beslissing van het EHRM in de zaak Burden en Burden leid ik af dat niet van doorslaggevend belang is of een alternatief – minder ingrijpend – overgangsregime ook mogelijk was geweest:18
‘However, the central question under the Convention is not whether different criteria could have been chosen for the grant of an inheritance tax exemption, but whether the scheme actually chosen by the legislature, to treat differently for tax purposes those who were married or who were parties to a civil partnership from other persons living together, even in a long-term settled relationship, exceeded any acceptable margin of appreciation.’
Happé vermeldt meer in het algemeen dat:19
‘wetgeving waarbij met normale zorgvuldigheid is nagedacht over het “waarom” van wettelijke onderscheidingen steeds valt onder de ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever.’
Vereist is evenwel dat de wetgever door middel van een goede motivering laat blijken op welke wijze hij zijn afweging heeft gemaakt. Waaldijk stelt in dit verband dat ongelijke behandeling niet alleen gerechtvaardigd moet zijn, maar ook gerechtvaardigd moet worden.20