Einde inhoudsopgave
Morganatisch burgerschap 2019/7.2
7.2 Kolonisatie, dekolonisatie en de Nederlanden
mr. G. Karapetian, datum 16-12-2019
- Datum
16-12-2019
- Auteur
mr. G. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS181194:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De naam ‘Curaçao’ werd tot 1948 gehanteerd voor de eilandengroep bestaande uit: Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en tot slot Saba. Nadien maakten de eilanden deel uit van de Nederlandse Antillen. In 1986 trad Aruba uit de Nederlandse Antillen en verkreeg de status van land. In 2010 werden de Nederlandse Antillen ontmanteld. Dit heeft tot gevolg dat het Koninkrijk thans bestaat uit vier landen: Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten. De eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba maken deel uit van het land Nederland.
John Jansen van Galen, Afscheid van de koloniën. Het Nederlandse dekolonisatiebeleid 1942- 2012, Amsterdam/Antwerpen: Uitgeverij Atlas Contact 2013, p. 33 e.v. Andere motieven die worden genoemd door Van Galen zijn onder meer dat het uitvaren naar de Oost en de West tevens een speurtocht is geweest naar het paradijs op aarde en het verlangen om het christelijke geloof elders op de wereld te verbreiden. Van Galen vermeldt uitdrukkelijk dat ‘het verlangen om voor Nederland in den vreemde grondgebied te veroveren’ geen rol speelt bij de Nederlandse expansie naar verre oorden. Ook Van Aller onderbouwt overtuigend het standpunt dat het voornaamste motief voor de overzeese avonturen een economisch motief was: H.B. van Aller, Van kolonie tot koninkrijksdeel. de staatkundige geschiedenis van de Nederlandse Antillen en Aruba (van 1634 tot 1994), Groningen: Wolters-Noordhoff bv 1994, p. 39 e.v
Van Galen 2013, p. 38. Van Galen vermeldt in dit kader dat dit niet consequent is doorgevoerd, met als gevolg dat er alsnog een Nederlands koloniaal imperium heeft kunnen ontstaan.
Van Galen 2013, p. 42. Van Galen vervolgt op p. 42-43: “Elke commandant van een terugkerende compagnievloot moet bij de landsregering in Den Haag verslag uitbrengen. De compagnieën zijn met een moderne term privaat-publieke ondernemingen. ‘Onthouding’ is weliswaar hun parool wat betreft het verwerven en uitoefenen van politieke macht, maar geleidelijke uitbreiding van macht is de praktijk. De bewindsvoerder willen de vestiging van een bestuursapparaat bekostigen als het niet anders kan (lees: als het ter wille van de handelsbelangen strikt nodig is) en maar al te vaak lijkt het niet anders te kunnen.”
Van Galen 2013, p. 38.
Van Galen 2013, p. 38; A. Jonkers, ‘Hoofdtrekken van de ontwikkeling van Suriname en de Nederlandse Antillen’, De West-Indische Gids, 34e jaargang, 1953.
J. Tak, J.D.L. de Vries, C. van Vollenhoven, ‘Geschiedenis van de koloniale wetgeving der Staten-Generaal van de Republiek der Vereenigde Nederlanden’, Bijdragen tot Taal-, Land en Volkenkunde van Nederlandsch-Indië, Deel 89, 2e afl., 1932, p. 183-249.
De bepaling vervolgt: “Het [het uitvoerend bewind] draagt zorg dat de jaarlyksche inkomsten van alle dezelven verzekerd en in de nationaale kas gestort worden. In geen geval kan het uitvoerend bewind die goederen, bezittingen, etablissementen of colonien afstaan, vervreemden of bezwaaren.” Zie ook vergelijkbare bepalingen in de Staatsregeling uit 1801, namelijk art. 47, en de Constitutie voor het Koninkrijk Holland uit 1806, namelijk art. 36.
H.G. Hoogers, G. Karapetian, ‘Hoe grondrechten in het Koninkrijk zoek raakten. Een beschouwing over de binding van Koninkrijksorganen aan grondrechten’, TvCR, januari 2017, p. 6. De Grondwet van 1814 besteedt evenmin aandacht aan de gelding van grondwettelijke bepalingen in de overzeese gebieden van het Koninkrijk. Het is pas de Grondwet van 1848 die in art. 118 stelt: “De Grondwet en andere wetten zijn alleen voor het Rijk in Europa verbindende, tenzij het tegendeel daarin wordt uitgedrukt.” Hierover volgt in het navolgende meer.
Voor 1795 hebben verschillende mineure slavenopstanden plaatsgevonden in Curaçao, zoals in 1716, 1750 en 1774. Deze opstanden zijn echter hardhandig onderdrukt. Zie G. Oostindie, ‘Slave resistance, colour lines, and the impact of the French and Haitian revolutions in Curaçao’, in: W. Klooster, G. Oostindie, Curaçao in the Age of Revolutions, 1795-1800, Brill 2011, p. 2 e.v.
Oostindie 2011, p. 8: “Perhaps the fact that a treaty between the Dutch and Spanish had effectively sealed off the opportunity for slaves to take refuge in the Coro area added to a general ferment among the island’s slave population. Perhaps the island experienced another period of drought and food shortage. We simply cannot be sure. Neither do the available archival sources allow us to establish whether the eventual slave revolt resulted from a revolutionary conspiracy from the start or developed in a more spontaneous manner.”
Zie over Toussaint Louverture, paragraaf 6.3.2 (‘Slavenopstand en assimilatiepolitiek’) van dit proefschrift. Over de opstand op Curaçao zie: C. Artwell (red.), Tula: De opstand van 1795 op Curaçao, Amsterdam/Den Haag: NiNsee/Amrit 2009; L. de Hoog, Van rebellie tot revolutie: Oorzaken en achtergronden van de Curaçaose slavenopstanden in 1750 en 1795, Curaçao/Leiden: Universiteit van de Nederlandse Antillen/KITLV 1983.
Oostindie 2011, p. 10.
Hiermee wordt gedoeld op onder andere Ceylon (Sri Lanka), de Coromandelkust (India), Nederlands-Formosa (Taiwan), Nederlands-Brazilië (Brazilië), Suriname. Aan de onafhankelijkheid van Nederlands-Indië en de Nederlands-Indonesische Unie zal de nodige aandacht worden besteed om de aanvang van de statutaire verhoudingen te doorgronden en dit samenwerkingsverband in Franse perspectief te plaatsen. Suriname heeft een vrijwel parallelle ontwikkeling meegemaakt als de toenmalige Nederlandse Antillen, waardoor dit gebied niet afzonderlijk zal worden behandeld. De overige genoemde gebieden zijn ofwel in 1816 verloren, ofwel nooit teruggekregen door de Nederlanden.
Anders dan in het Franse koloniale imperium heeft het Nederlandse koloniale rijk één koloniale golf gekend. Het zijn de veroveringen van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) die opgericht is in 1602 en de West-Indische Compagnie (WIC) die opgericht is in 1621 die het begin markeren van het Nederlandse koloniale tijdperk. Deze veroveringen vingen aan in de zeventiende eeuw. In 1619 is Jayakarta (het huidige Jakarta) veroverd door de VOC en omgedoopt tot Batavia en in 1634 wordt Curaçao veroverd op de Spanjaarden.1 De overzeese avonturiers hebben verschillende drijfveren gehad, waarbij het voornaamste motief niet zozeer het verlangen was om vreemde gebieden te veroveren, maar veeleer het drijven van handel.2 Onder meer hierom hadden deze compagnieën in beginsel een gereserveerde houding ten opzichte van bijvoorbeeld de vestiging van bestuur en gezag in de overzeese gebieden.3 Hoewel deze gereserveerde houding dominant was in de overzeese politiek, waren de compagnieën wel nauw betrokken bij de binnenlandse politiek.4 Een van de redenen hiervoor was de omstandigheid dat de Staten- Generaal van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden toezicht hielden op de naleving van de verdragen die werden gesloten door de VOC en de WIC met de inheemse vertegenwoordigers van de overzeese gebieden. Bovendien was de juridische grondslag voor de WIC en de VOC om de overzeese gebieden te besturen te vinden in een octrooi van de Staten-Generaal. Tot de Franse Revolutie behielden de WIC en de VOC het beheer over de overzeese gebieden. Bij het begin van de Franse Revolutie gingen beide compagnieën echter failliet als gevolg van wanbeheer en verscheidene commerciële tegenslagen.5 Enkele jaren later, namelijk in 1791, neemt de Staat het beheer van de overzeese gebieden over.6 Tot de installatie van de Bataafse Republiek in 1795, is het de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden die het beheer heeft over de gebieden overzee.7
De Staatsregeling voor het Bataafsche Volk regelt in art. 129 dat het uitvoerend bewind alle ‘goederen en bezittingen der republiek, gelyk mede over haare buitenlandsche etablissementen en colonien derzelver inwendig bestuur’ beheert.8 Met betrekking tot de mogelijke werking van de beginselen waarop de Republiek was gegrondvest, wordt in art. 246 Staatsregeling opgemerkt dat daarover een wet in het leven zal worden geroepen. Deze wet is echter nooit in werking getreden.9 Zoals uit het navolgende zal blijken ziet de daadwerkelijke uitvoering van de opdracht in deze bepaling van de Staatsregeling een halve eeuw later het licht, namelijk bij de Grondwet van 1848.
Anders dan de Franse houding ten aanzien van de overzeese gebieden, in het bijzonder de ‘oude koloniën’, veroverd gedurende het ancien régime, was de Nederlandse koloniale politiek niet gericht op integratie en assimilatie van de overzeese gebieden in de Nederlanden. Zoals blijkt uit het vorige hoofdstuk werd de assimilatiepolitiek van Frankrijk vermoedelijk naar aanleiding van de revolutie in Saint-Domingue in 1791 vast beleid. In de Nederlanden vond in deze jaren ook een revolutie plaats in de koloniën, namelijk in de zomer van 1795 op Curaçao.10 De directe aanleiding van deze revolutie van augustus 1795 kan niet worden vastgesteld.11 Niettemin kan gesteld worden dat de andere revoluties, zoals de Franse Revolutie en de revolutie in Saint-Domingue, invloed hadden op het ontstaan van de revolutie op Curaçao. Een indicatie hiervoor is dat verschillende Frans-revolutionaire liederen werden gezongen en de Curaçaose revolutieleider – Tula – de naam Toussaint aannam, naar de revolutieleider Toussaint Louverture in Saint-Domingue.12 Deze slavenopstand in Curaçao werd wreed onderdrukt met de dood van een honderdtal slaven tot gevolg.13 Anders dan de ontwikkelingen die in het Franse constitutionele raamwerk plaatsvonden na de revolutie van Saint-Domingue, brachten de gebeurtenissen op Curaçao in de Nederlanden geen assimilatie van Curaçao met zich.
Hierop wordt ingegaan in paragraaf 7.2.1. In het navolgende zal aan de hand van de constitutionele geschiedenis die de Nederlanden hebben gedeeld met de overzeese gebieden deze stelling worden verdedigd. Daartoe zullen enkele hoofdmomenten worden behandeld ten aanzien van de positie van de overzeese gebieden in het constitutionele raamwerk van het Koninkrijk. De bespreking hiervan dient in ieder geval twee doeleinden. Ten eerste wordt hiermee geïllustreerd dat anders dan in het Franse koloniale tijdperk, integratie en assimilatie niet hoog in het vaandel stonden in het Nederlandse koloniale beleid. Daarnaast dient de bespreking van deze hoofdmomenten ertoe de ontwikkeling te schetsen die de overzeese gebieden hebben meegemaakt in het constitutionele kader van het Koninkrijk en de rol die de autonomie van de overzeese gebieden daarbij heeft gespeeld. Bij de bespreking wordt grotendeels voorbijgegaan aan de positie van overzeese gebieden die thans ofwel soeverein zijn onder het volkenrecht ofwel onder het soevereine gezag van een andere mogendheid vallen.14
7.2.1 De koloniën en bezittingen vanaf 1814: enkele hoofdmomenten7.2.2 Dekolonisatie Nederlands-Indië en de Nederlands-Indonesische Unie