Einde inhoudsopgave
Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (FM nr. 170) 2021/5.4.2
5.4.2 Het recht op (inzage in) de stukken
Anneke Els Keulemans, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
Anneke Els Keulemans
- JCDI
JCDI:ADS362936:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Beroepsfase
Fiscaal procesrecht / Procesorde
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ 7 januari 2004, zaak C-204/00 P, (Aalborg Portland), punt 68; HvJ 2 oktober 2003, zaak C-199/99 P, (Corus UK), punten 125 tot en met 128; HvJ 13 februari 1979, zaak 85/76, (Hoffmann-La Roche), punten 9 tot en met 11; Groussot 2006, onder 5.1.2; zie ook: Keulemans 2016A onder 2.2.3.
GvEA 19 februari 1998, zaak T-42/96, (Eyckeler & Malt), punten 79 tot en met 80.
Zie ook: Keulemans 2016a onder 2.2.3.
HvJ 17 januari 1984, zaken 43/82 en 63/82, (VBVB en VBBB), punt 25.
HvJ 7 januari 2004, zaak C-204/00 P, (Aalborg Portland), punt 68; HvJ 2 oktober 2003, zaak C-199/99 P, (Corus UK), punten 125 tot en met 128; HvJ 21 november 1991, zaak C-269/90, (Technische Universität München), punt 25.
HvJ 16 oktober 2019, zaak C-189/18, (Glencore), p. 53 en 54.
HvJ 13 september 2018, zaak C-358/16, (UBS Europe), punt 66; HvJ 7 januari 2004, zaken C-204/00 P, C-205/00 P, C-211/00 P, C-213/00 P, C-217/00 P en C-219/00 P, (Aalborg Portland), punt 68; HvJ 25 oktober 2011, zaak C-110/10 P, (Solvay), punt 49.
HvJ 7 januari 2004, zaak C-204/00 P, (Aalborg Portland), punt 126.
HvJ 25 oktober 2011, zaak C-110/10 P, (Solvay), punt 51; HvJ 15 oktober 2002, zaak C-238/99 P, (Limburgse Vinyl Maatschappij), punt 318.
HvJ 25 oktober 2011, zaak C-110/10 P, (Solvay), punt 51; HvJ 7 januari 2004, zaak C-204/00 P, (Aalborg Portland), punt 103; zie ook Keulemans 2016A onder 2.2.3.
GvEA 29 juni 1995, zaak T-30/91, (Solvay); HvJ 7 januari 2004, zaak C-204/00 P, (Aalborg Portland), punt 68.
HvJ 2 oktober 2014, zaak C-127/13 P, (Strack), punt 38.
HvJ 23 oktober 2014, zaak C-437/13, (Unitrading), Zie ook: Houdijker, den, en Schuurmans 2015, onder 3.2.
HvJ 9 november 2017, zaak C-298/16, (Ispas), punt 39; conclusie A-G Bobek van 7 september 2017 in de zaak C-298/16, (Ispas), punt 122; HvJ 4 juni 2020, zaak C-430/19, (SC C.F.), punt 31.
GvEA 21 mei 2014, zaak T-447/11, (Catinis), punt 61.
Zie ook: Keulemans 2016A onder 2.2.3.
2010 Report on the Application of the EU Charter of Fundamental Rights of the European Commission, p. 79.
Zie ook: Keulemans 2016A onder 2.2.3.1.
Zie bijvoorbeeld: Gerrits-Janssens 2007, p. 195/196; Widdershoven e.a. 2007, p. 80.
HvJ 24 juni 1986, zaak 53/85, (Akzo Chemie), punten 24 tot en met 29.
Zie in dit kader ook: HvJ 16 oktober 2019, zaak C-189/18, (Glencore), punt 55 e.v.
Zie bijvoorbeeld: HvJ 4 juni 2020, zaak C-430/19, (SC C.F.), punt 31; zie ook: Keulemans 2016A onder 2.2.3.1.
HvJ 1 juli 2010, zaak C-407/08 P, (Knauf Gips), punt 12 e.v.; HvJ 26 september 2013, zaak C-418/11, (Texdata Software), punt 84 e.v.; HvJ 3 juli 2014, zaken C-129/13 en C-130/13, (Kamino), punt 42 e.v.
HvJ 9 november 2017, zaak C-298/16, (Ispas).
Zie ook: artikel 41, eerste en tweede lid, aanhef en onder b, van het Handvest:“1. Eenieder heeft er het recht op dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn door de instellingen, organen en instanties van de Unie worden behandeld.2. Dit recht behelst met name:(…)b) het recht van eenieder om inzage te krijgen in het hem betreffende dossier, met inachtneming van het gerechtvaardigde belang van de vertrouwelijkheid en het beroeps- en het zakengeheim.”
Het tweede deelaspect van het kenbaarmakingsbeginsel is het recht op (inzage in) de stukken.1 Net als bij het recht op informatie geldt ook voor dit deelaspect, dat het ten dienste staat van het kenbaarmakingsbeginsel.2 Het recht een standpunt naar behoren en effectief kenbaar te mogen maken, stelt niets voor als de belanghebbende geen toegang heeft tot de informatie waarover het bestuursorgaan beschikt. Het Hof van Justitie heeft al in 1984 in de zaak VBVB overwogen dat het bestuursorgaan de belanghebbende de documenten dient te verschaffen, die noodzakelijk zijn voor een effectieve verdediging.3 Hierbij is het bestuursorgaan, aldus het Hof van Justitie, niet verplicht het hele dossier aan de belanghebbende te doen toekomen. Het moet de stukken betreffen die het bestuursorgaan heeft gebruikt.4 In latere arresten heeft het Hof van Justitie echter overwogen dat het recht op (inzage in) de stukken impliceert dat de autoriteit de belanghebbende de mogelijkheid moet geven alle stukken van het dossier te onderzoeken die voor de verdediging relevant kunnen zijn.5 Dit kunnen ook stukken zijn uit een strafprocedure van een derde die het bestuursorgaan ten aanzien van de belanghebbende gebruikt.6 Het recht op (inzage in) de stukken ziet niet alleen op de stukken waarop de belastingdienst het besluit wil baseren, maar ook op ontlastende stukken.7 Dit recht gaat niet zover dat niet-relevante stukken hieronder vallen.8 De toegang tot informatie dient vooraf te gaan aan de mogelijkheid een standpunt kenbaar te mogen maken over de elementen waarop een bestuursorgaan een besluit wil baseren en vooraf te gaan aan het nemen van het bezwarende besluit.9 Indien een belanghebbende eerst tijdens de gerechtelijke procedure toegang krijgt tot de stukken wordt het recht op (inzage in) de stukken beperkt. Een dergelijke verlate kennisneming van de stukken brengt een belanghebbende niet terug in de positie waarin de belanghebbende zou zijn geweest, wanneer de belanghebbende zich vóór de indiening van de schriftelijke en mondelinge opmerkingen op die stukken had kunnen baseren.10 Het recht op (inzage in) de stukken omvat zowel het recht op de belastende als de ontlastende stukken.11 Dit recht houdt daarmee echter niet in dat een bestuursorgaan actief moet zorgen voor inzage in de stukken waarover het bestuursorgaan zelf niet beschikt.12 Als alle procesdeelnemers over dezelfde stukken beschikken, is schending van het recht op (inzage in) de stukken niet aan de orde.13 Het Hof van Justitie oordeelt in de zaak Ispas dat een bestuursorgaan de relevante documenten of informatie niet ambtshalve behoeft te verstrekken. Het nationale procedurele kader moet de belanghebbende wel in staat stellen desgewenst, dat wil zeggen op verzoek, toegang te verkrijgen tot de relevante informatie.14 Het recht op toegang tot documenten hangt daarbij niet af van de aard van het bijzondere belang dat degene die toegang verzoekt al dan niet zou kunnen hebben bij verkrijging van de vereiste informatie.15
Documenten in een andere taal
Documenten kunnen zijn opgesteld in een andere taal. De vraag is of een bestuursorgaan de stukken voor de belanghebbende moet vertalen naar de procestaal of een andere voor belanghebbende begrijpelijke taal. Het vraagstuk van de stukken in een andere taal speelt niet alleen wanneer één van de organen, instellingen of instanties van de Unie voornemens is een bezwarend besluit te nemen, maar speelt ook een steeds grotere rol wanneer de bestuursorganen van de lidstaten voornemens zijn een bezwarend besluit te nemen. Gelet op het vrij verkeer van personen binnen de Unie, en gelet op de mogelijkheid van internationale informatie-uitwisseling in bijvoorbeeld fiscale zaken is mijn verwachting dat de aanwezigheid van documenten in een vreemde taal in de toekomst zal toenemen.
Uit het rapport van de Commissie over de toepassing van de grondrechten van het Handvest van 2010 blijkt dat de eerbiediging van de rechten van de verdediging in het bijzonder garandeert dat een verdachte de strafzaak tegen hem begrijpt.16 Als de verdachte de taal van de strafprocedure niet spreekt, heeft hij recht op tolk- en vertaaldiensten.17 Voor strafzaken is in richtlijn 2010/64/EU van 20 oktober 2010 neergelegd dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat een verdachte die de taal van de strafprocedure niet verstaat, binnen een redelijke termijn een schriftelijke vertaling ontvangt van alle processtukken die essentieel zijn. Op deze wijze dient het recht van verdediging te worden gewaarborgd alsmede een eerlijk verloop van de procedure. Nu fiscale vergrijpboeten een strafrechtelijk karakter hebben, zijn de hiervoor genoemde waarborgen mijns inziens ook op fiscale vergrijpboeten van toepassing. Uit het rapport van de Commissie en uit richtlijn 2010/64/EU is echter niet af te leiden dat deze rechten op een tolk en vertaling van de stukken zich uitstrekken tot stukken die zien op (voorgenomen) bezwarende besluiten zonder strafkarakter. Vanuit de waarborgfunctie van het kenbaarmakingsbeginsel bezien, ligt het wel voor de hand dat een belanghebbende op zijn minst voldoende tijd moet krijgen deze stukken zelf te laten vertalen en het recht heeft een tolk mee te nemen tijdens een procedure. Ik denk dat als duidelijk is dat een belanghebbende deze diensten zelf niet kan betalen, het aan de staat is. Anders zouden de stukken in een andere taal tot gevolg hebben dat feitelijk geen sprake kan zijn van een adequate verdediging en het naar behoren en effectief kenbaar maken van een standpunt. Wel kan worden opgemerkt dat met moderne middelen als scanners en gratis vertaalprogramma’s het de vraag is wanneer aannemelijk is dat zonder vertaling de belanghebbende daadwerkelijk in zijn belang wordt geschaad. Daar staat tegenover dat als het omvangrijke stukken betreft en er sprake is van technische of juridische taal een simpel online vertaalprogramma vaak geen oplossing biedt. De beoordeling zal afhankelijk zijn van de feiten en omstandigheden van het specifieke geval.
Geheimhouding van stukken
Geheimhouding van stukken kent in het Unierecht twee verschijningsvormen.18 Enerzijds bestaat een recht op geheimhouding van stukken als een afzonderlijk onderdeel van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel en anderzijds bestaat geheimhouding van stukken als beperking van het kenbaarmakingsbeginsel.19
Het recht op geheimhouding van stukken als afzonderlijk onderdeel van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel kent als uitgangspunt dat de instellingen, organen en instanties van de Europese Unie verplicht zijn toegang te verschaffen tot alle belastende en ontlastende documenten die in de loop van het onderzoek zijn verzameld, met uitzondering van de documenten die vertrouwelijke informatie, beroeps- en zakengeheim bevatten. Hieronder vallen naast de documenten die zakengeheimen bevatten ook interne documenten van de Commissie, informatie opgesteld door derden en informatie die is meegedeeld aan de Commissie onder de voorwaarde dat de Commissie de vertrouwelijkheid in acht neemt. Als sprake is van één van deze documenten dan heeft de belanghebbende, een onderneming of de Commissie zelf, recht op geheimhouding van stukken. Uit het Akzo Chemie-arrest blijkt dat het Hof van Justitie de vraag – of bepaalde stukken in een procedure bij de Commissie geheim kunnen blijven – plaatst in het kader van verschillende artikelen van het Gemeenschapsrecht.20 Zo verwijst het Hof van Justitie naar artikel 214 van het EEG-Verdrag, waarin is neergelegd dat ambtenaren en personeelsleden van de instellingen van de Gemeenschap gehouden zijn de inlichtingen waarover zij beschikken en die onder de geheimhoudingsplicht vallen, niet openbaar te maken. Daarnaast verwijst het Hof van Justitie naar artikel 20 van verordening nr. 17. Dit artikel ziet op de waarborging dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt niet wordt vervalst en is door het Hof van Justitie toegepast in de Akzo Chemie-zaak. Het Hof van Justitie bepaalt vervolgens dat de Commissie en de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, alsmede hun personeelsleden en functionarissen verplicht zijn de inlichtingen, welke zij bij de toepassing van deze verordening hebben ingewonnen en welke naar hun aard onder de geheimhoudingsplicht vallen, niet openbaar te maken. Het Akzo Chemie-arrest staat in het teken van specifieke Europese regelgeving waarin geheimhouding is geregeld. Dit recht op geheimhouding van stukken is geen aspect van het kenbaarmakingsbeginsel.21 Het kenbaarmakingsbeginsel is een recht van de belanghebbende op (inzage in) de stukken. Als geheimhouding van stukken daarvan een element zou zijn, dan kan alleen de belanghebbende hierop een beroep doen en niet het bestuursorgaan. Echter, zowel de belanghebbende, de organen, instellingen en instanties van de Europese Unie, lidstaten als derden kunnen, onder omstandigheden, een beroep op geheimhouding van stukken doen. Dit recht op geheimhouding van stukken valt buiten de omvang van het onderzoek.
Geheimhouding als beperking van het kenbaarmakingsbeginsel valt wel binnen de omvang van dit onderzoek.22 Zowel het Gerecht als het Hof van Justitie halen in verscheidene zaken het kenbaarmakingsbeginsel aan met betrekking tot het niet of te laat verstrekken van stukken.23 Zij plaatsen het verlaat kennisnemen van bepaalde stukken van het dossier in het kader van de vraag of dit een gerechtvaardigde beperking oplevert van het kenbaarmakingsbeginsel. In de zaak Ispas ziet het Hof van Justitie het beperken van het recht op (inzage in) de stukken als een beperking van het kenbaarmakingsbeginsel.24 Een bestuursorgaan kan onder omstandigheden het recht van de belanghebbende op (inzage in) de stukken gerechtvaardigd beperken. Een van de redenen kan zijn dat bijvoorbeeld een derde recht heeft op geheimhouding van zijn stukken. Dan concurreren het recht op geheimhouding van stukken van een derde en het recht op (inzage in) de stukken van de belanghebbende met elkaar.25 Het beperken van het kenbaarmakingsbeginsel komt in hoofdstuk 6 aan bod.