Einde inhoudsopgave
De concern(genoten)enquête (VDHI nr. 158) 2019/5.1.1.5
5.1.1.5 Exclusieve bevoegdheid
mr. R.P. Jager, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. R.P. Jager
- JCDI
JCDI:ADS85931:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vide HvJ EU 12 mei 2011, C-144/10, JOR 2011/319, m.nt. J.J. Kuipers, punt 30 (JPMorgan Chase Bank); P. Vlas, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 22 Brussel I, aant. 1; M.N. van Dam, R.B. van Hees en B.F.L.M. Schim, in: Sdu Commentaar Burgerlijk Procesrecht, art. 22 EEX-Verordening, aant. A; Vlas 2017, op. cit., nr. 190 en 211; Strikwerda en Schaafsma, op. cit., p. 58. Volgens de voor- laatstgenoemde zet art. 24 EEX-Vo II alle andere bepalingen van de EEX-Verordening (II) opzij.
De exclusieve bevoegdheidsregels in art. 24 EEX-Vo II gelden dus ook indien de eiser (verzoeker) en/of de verweerder zijn of haar woonplaats op het grondgebied van een niet-lidstaat heeft. Evenzo Strikwerda en Schaafsma, op. cit., p. 85. Naast woonplaats is ook nationaliteit niet van belang; vide S.J. Schaafsma, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 24 Brussel I-bis, aant. 1c. Aldus ook reeds het rapport-Jenard, p. 104 met betrekking tot art. 16 EEX-Verdrag (thans: art. 24 EEX-Vo II). Over het punt van woonplaats in het kader van art. 24, aanhef en onderdeel 2, EEX-Vo II kom ik zo dadelijk nog te spreken.
144 Vide P. Vlas, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 22 Brussel I, aant. 2; S.J. Schaafsma, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 24 Brussel I-bis, aant. 2a. Cf. voetnoot 54 supra. Volgens eerstgenoemde zal de internationale bevoegdheid ‘[v]aak’ samenvallen met de interne bevoegdheid.
Twee opmerkingen daarover. Ten eerste is het mogelijk, inzonderheid met betrekking tot het bepaalde in art. 24, aanhef en onderdelen 1 en 2, EEX-Vo II, dat gerechten in meerdere lidstaten exclusief bevoegd zijn, welk (niet alledaags) probleem moet worden opgelost aan de hand van het bepaalde in art. 31, eerste lid, EEX-Vo II; vide S.J. Schaafsma, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 24 Brussel I-bis, aant. 2b. Ten tweede heeft art. 24 EEX-Vo II geen betrekking op de bevoegdheid van gerechten van niet-lidstaten. Dit betekent dat als een bij een gerecht van een lidstaat aanhangig gemaakte zaak ziet op, bijvoorbeeld, de geldigheid van een door de algemene vergadering van een in Peru gevestigde vennootschap, art. 24, aanhef en onderdeel 2, EEX-Vo II toepassing mist. Vide hierover P. Vlas, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 22 Brussel I, aant. 3; Vlas 2017, op. cit., p. 155 (nr. 215) en 169-170 (nr. 237); S.J. Schaafsma, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 24 Brussel I-bis, aant. 2d; Strikwerda en Schaafsma, op. cit., p. 85.
Vide Vlas’ noot, onder 1, bij HvJ EG 2 oktober 2008, C-372/07, NJ 2009/192, m.nt. P. Vlas, JOR 2009/123, m.nt. R.G.J. de Haan (Doherty); P. Vlas, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 22 Brussel I, aant. 1; Vlas 2017, op. cit., p. 152 (nr. 211). Volgens S.J. Schaafsma, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 24 Brussel I-bis, aant. 1a is de lijst van exclusieve bevoegdheidsregels ‘dwingend en uitputtend’. Vide ook Strikwerda en Schaafsma, op. cit., p. 84.
De overige laat ik buiten beschouwing.
Aangenomen wordt dat daar ook niet-rechtspersoonlijkheid bezittende organisaties, zoals hier te lande de vof en de cv, onder vallen; vide P. Vlas, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 22 Brussel I, aant. 5; Vlas 2017, op. cit., p. 137 (nr. 186) en 155 (nr. 216); S.J. Schaafsma, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 24 Brussel I-bis, aant. 6b. Stelliger: Strikwerda en Schaafsma, op. cit., p. 371. Cf. F. Ibili, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 63 Brussel I-bis, aant. 1a.
Vide Vlas 2017, op. cit., p. 156 (nr. 217) en 158 (nr. 218); S.J. Schaafsma, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 24 Brussel I-bis, aant. 6.
Vide ook S.J. Schaafsma, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 27 Brussel I-bis, aant. 2a. Vide daarnaast voetnoot 71 supra.
HvJ EG 15 november 1983, C-288/82, NJ 1984/695, m.nt. L. Wichers Hoeth en J.C. Schultsz, punt 15 (Goderbauer).
Vide P. Vlas, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 22 Brussel I, aant. 1, met verwijzing aldaar; Vlas 2017, op. cit., p. 153 (nr. 212), met verwijzing aldaar; S.J. Schaafsma, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 24 Brussel I-bis, aant. 1a; S.J. Schaafsma, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 27 Brussel I-bis, aant. 2 en 2c.
Daarin staat dat de Hoge Raad zich bij zijn onderzoek tot de middelen waarop het cassatieberoep steunt, bepaalt.
Vide HvJ EG 15 november 1983, C-288/82, NJ 1984/695, m.nt. L. Wichers Hoeth en J.C. Schultsz, punt 7-15 (Goderbauer); Vlas 2017, op. cit., p. 153 (nr. 212); S.J. Schaafsma, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 27 Brussel I-bis, aant. 2c.
Vide HR 18 maart 2011, NJ 2011/219, m.nt. M.V. Polak, r.o. 3.2.2, laatste al. (Bialek); S.J. Schaafsma, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 24 Brussel I-bis, aant. 1a; S.J. Schaafsma, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 27 Brussel I-bis, aant. 2a.
Vide ook HR 18 maart 2011, NJ 2011/219, m.nt. M.V. Polak, r.o. 3.2.2, laatste al. (Bialek); S.J. Schaafsma, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 24 Brussel I-bis, aant. 1a; F. Ibili, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 26 Brussel I-bis, aant. 3d; S.J. Schaafsma, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 27 Brussel I-bis, aant. 2 en 2a-2b; S.J. Schaafsma, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 28 Brussel I-bis, aant. 2b.
Vide rapport-Jenard, p. 107; Vlas 2017, op. cit., p. 154-155 (nr. 214). Vide ook, in kritische zin (‘op los zand te zijn gebouwd’), Strikwerda en Schaafsma, op. cit., p. 87.
Vide Vlas’ noot, onder 1, bij HvJ EG 2 oktober 2008, C-372/07, NJ 2009/192, m.nt. P. Vlas, JOR 2009/123, m.nt. R.G.J. de Haan (Doherty); Vlas 2017, op. cit., p. 135 (nr. 181) en 156 (nr. 217). Vide ook Kuypers, op. cit., p. 838.
Vide P. Vlas, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 22 Brussel I, aant. 5; P. Vlas, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 60 Brussel I, aant. 1 en 2; Vlas 2017, op. cit., p. 134 (nrs. 178 en 180); F. Ibili, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 63 Brussel I-bis, aant. 1 en 4.
Vide P. Vlas, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 60 Brussel I, aant. 2; Vlas 2017, op. cit., p. 134 (nr. 180). Wel kunnen in het art. 63, eerste lid, EEX-Vo II-systeem rechters van verschillende lidstaten bevoegd zijn, ten gevolge waarvan er positieve bevoegdheidsconflicten kunnen ontstaan, die moeten worden opgelost door toepassing van de bepalingen inzake aanhangigheid en samenhang (art. 29-32 EEX-Vo II); vide het hiervoor aangehaalde. Ook noem ik in dit verband Strikwerda en Schaafsma, op. cit., p. 87-88.
Vide P. Vlas, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 60 Brussel I, aant. 2; Vlas 2017, op. cit., p. 134 (nrs. 178 en 180).
Vide F. Ibili, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 63 Brussel I-bis, aant. 4, alwaar hij opmerkte dat ‘[o]m te bepalen waar een vennootschap of rechtspersoon voor de toepassing van art. 24, aanhef en sub 2 Brussel I-bis-Verordening woonplaats/plaats van vestiging [curs. RPJ] heeft, past het aangezochte gerecht de regels van het voor hem geldende internationaal privaatrecht toe’.
Vide P. Vlas, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 22 Brussel I, aant. 1: ‘In de tweede plaats is uitsluitend voor de toepassing van art. 22 sub 2 EEX-Vo ten aanzien van het bepalen van de plaats van vestiging [curs. RPJ] van een vennootschap of rechtspersoon vastgehouden aan de oude regel van art. 53 EEX-Verdrag, inhoudende dat deze plaats moet worden bepaald aan de hand van het internationaal privaatrecht van de aangezochte rechter. Art. 22 sub 2 EEX-Vo kent derhalve een ander woonplaatsbegrip dan het autonome woonplaatsbegrip van art. 60 EEX-Vo [curs. RPJ].’ Daarnaast noem ik P. Vlas, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 22 Brussel I, aant. 5, alwaar hij sprak van de – voor de toepassing van art. 22, aanhef en onderdeel 2, EEX (thans: art. 24, aanhef en onderdeel 2, EEX-Vo II) – bepaling van de ‘woonplaats’ van een vennootschap/rechtspersoon. Verder wijs ik op P. Vlas, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 60 Brussel I, aant. 1: ‘Voor de toepassing van de exclusieve bevoegdheid van art. 22 sub 2 EEX-Vo blijft de onder art. 53 EEX-Verdrag gevolgde methode gehandhaafd, waarbij de woonplaats [curs. RPJ] van de vennootschap of rechtspersoon aan de hand van het IPR van de geadieerde rechter moet worden bepaald.’ Tot slot breng ik onder de aandacht Vlas 2017, op. cit., p. 155 (nr. 215): ‘De “plaats van vestiging” van een vennootschap of rechtspersoon moet ingevolge de tweede volzin van art. 24, sub 2, EEX-Vo II worden bepaald aan de hand van het PIR van de geadieerde rechter. Deze methode van toepassing van het eigen IPR van de geadieerde rechter moet uitsluitend worden gevolgd voor de bepaling van de woonplaats [curs. RPJ] in het kader van deze exclusieve bevoegdheidsbepaling.’ Cf. Vlas 2017, op. cit., p. 138 (nrs. 188 en 190), alwaar hij achter woonplaats ‘(plaats van vestiging)’ schreef.
Dat ligt anders ten aanzien van het bepaalde in art. 24, aanhef en onderdelen 1 en 3-5, EEX-Vo II. Daartoe geldt wél ‘[o]ngeacht de woonplaats van partijen’. Als bijvoorbeeld partijen in verschillende niet-lidstaten woonachtig zijn maar het onroerend goed is gelegen in een lidstaat, dan zijn de gerechten aldaar bevoegd luidens art. 24, aanhef en onderdeel 1, EEX-Vo II.
Volgens F. Ibili, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 63 Brussel I-bis, aant. 4 maakt de in art. 24, aanhef en onderdeel 2, EEX-Vo II opgenomen exclusieve bevoegdheidsregel een ‘uit- zondering’ (evenzo S.J. Schaafsma, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 24 Brussel I-bis, aant. 6c) op de regel dat de woonplaats van vennootschappen en rechtspersonen autonoom wordt bepaald door art. 63 EEX-Vo II. ‘Deze autonome methode geldt voor alle bepalingen van de EEX-Vo waarvoor de woonplaats van een partij van belang is, met uitzondering van art. 22 sub 2 EEX-Vo. Voor de toepassing van de exclusieve bevoegdheid van art. 22 sub 2 EEX-Vo blijft de onder art. 53 EEX-Verdrag gevolgde methode gehandhaafd, waarbij de woonplaats van de vennootschap of rechtspersoon aan de hand van het IPR van de geadieerde rechter moet worden bepaald’, aldus P. Vlas, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 60 Brussel I, aant. 1. Vlas merkte dan ook treffend op dat art. 22, aanhef en onderdeel 2, EEX-Vo derhalve ‘een ander woonplaatsbegrip dan het autonome woonplaatsbegrip van art. 60 EEX-Vo’ kent; vide P. Vlas, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 22 Brussel I, aant. 1.
Vlas 2017, op. cit., p. 155 (nr. 215). Vide ook Vlas 2017, op. cit., p. 156 (nr. 217).
Cf. Strikwerda en Schaafsma, op. cit., p. 85.
Vide ook Vlas 2017, op. cit., p. 135 (nr. 181), die sprak van ‘in tegenstelling tot’.
Dit moet onderscheiden worden van het toepassen van zijn ‘intern recht’, waarnaar wordt verwezen in art. 62, eerste lid, EEX-Vo II. Op basis daarvan zal de Nederlandse rechter aan de hand van art. 1:10-12 BW moeten bepalen of een partij woonplaats heeft in Nederland; vide F. Ibili, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 62 Brussel I-bis, aant. 2.
De positieve bevoegdheidsconflicten kunnen aan de hand van art. 31, eerste lid, EEX-Vo II, waarin is bepaald dat wanneer voor de vorderingen (verzoeken) meer dan één gerecht exclusief bevoegd is, de partijen naar het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, worden verwezen, worden opgelost. Voor de negatieve bevoegdheidsconflicten geeft de EEX-Verordening II daarentegen géén regeling; vide S.J. Schaafsma, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 24 Brussel I-bis, aant. 6c.
Vide S.F.G. Rammeloo, ‘Toepassing van de Nederlandse enquêterechtsprocedure op buitenlandse rechtspersonen? Nieuwe regelgevingen Europees recht, internationaal privaatrecht en interregionaal privaatrecht’, SV&V 2003/1, p. 8; Ibili 2007, op. cit., p. 191-192; P. Vlas, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 22 Brussel I, aant. 5; Vlas 2017, op. cit., p. 109 et seq. (nrs. 145-148, 150-154 en 157) en p. 135 (nr. 181); S.J. Schaafsma, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 24 Brussel I-bis, aant. 6c; Strikwerda en Schaafsma, op. cit., p. 369.
Vide Ibili 2007, op. cit., p. 192 (voetnoot 41); P. Vlas, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 22 Brussel I, aant. 5; M.E. Koppenol-Laforce en M. Zilinsky, ‘De grenzen van art. 22 sub 2 EEX-Vo in het licht van de rechtspraak van het Hof van Justitie’, in: F. Ibili, M.E. Koppenol-Laforce en M. Zilinsky (red.), IPR in de spiegel van Paul Vlas. Opstellen aangeboden aan Prof. mr. dr. P. Vlas ter gelegenheid van zijn zilveren ambtsjubileum als Hoogleraar Internationaal Privaatrecht en Rechtsvergelijking aan de Vrije Universiteit Amsterdam, Deventer: Kluwer 2012, p. 124 (voetnoot 7); Slagter (deel 1) 2013, op. cit., p. 432; Vlas 2017, op. cit., p. 110 (nr. 144); Strikwerda en Schaafsma, op. cit., p. 88; Zilinsky 2019, op. cit., p. 514. Vlas verwoordde dit in zijn noot, onder 1, bij HvJ Egn 5 november 2002, C-208/00, NJ 2003/58, m.nt. P. Vlas (Überseering) als volgt: ‘Men behoeft niet paranormaal begaafd te zijn om te voorspellen dat dit arrest in Europa tot baanbrekende veranderingen op het gebied van het IPR-vennootschapsrecht zal leiden. De eeuwigdurende strijd tussen de aanknoping aan de leer van de werkelijke zetel (siège réel) en de incorporatieleer is thans door het HvJ EG beslecht in het voordeel van de laatste. Het stelsel van de werkelijke zetel lijkt daarmee in intra-communautaire verhoudingen ten grave te zijn gedragen [curs. RPJ]. Lidstaten die in hun IPR uitgaan van de aanknoping aan het stelsel der werkelijke zetel (…) zullen zich over de consequenties van dit arrest diepgaand moeten beraden.’ Vide ook Strikwerda en Schaafsma, loc. cit.
Vide Vlas 2017, op. cit., p. 42 (nr. 50).
In Kamerstukken II 1994/95, 24141, 3, p. 17 (MvT) lezen wij dat met ‘statutaire zetel’ niet wordt bedoeld de ‘in de statuten opgenomen zetel van de corporatie, maar de plaats die volgens het op de corporatie toepasselijke recht als plaats van vestiging [curs. RPJ] in de statuten moet worden opgenomen’. Vide ook Kamerstukken II 1994/95, 24141, 3, p. 16 (MvT); Kamerstukken II 2009/10, 32137, 3, p. 68 (MvT). Vide buitendien Vlas 2017, op. cit., p. 26 (nr. 17) en 42 (nr. 50). Vide over de (statutaire) zetel ook voetnoot 332 infra.
Aldus ook P. Vlas, in: GS Rechtspersonen, Internationaal rechtspersonenrecht, Titel 8 Boek 10 BW, art. 10:118 BW, aant. 3.
Volgens Vlas 2017, op. cit., p. 27 (nr. 19) kan een Nederlandse rechtspersoon zijn statutaire zetel niet naar het buitenland verplaatsen. Evenzo Storm 2018, p. 62. Cf. Vlas 2017, op. cit., p. 28 et seq. (nr. 20 et seq.); Strikwerda en Schaafsma, op. cit., p. 372.
Vide ook S.J. Schaafsma, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 24 Brussel I-bis, aant. 6d, die opmerkte dat de hier bedoelde bepaling niet ziet op ‘alle [curs. aut.] vennootschapsrechtelijke kwesties’.
Vide Vlas 2017, op. cit., p. 156 (nr. 217) en L. de Lima Pinheiro, in: U. Magnus and P. Mankowski (eds.), European Commentaries on Private International Law (ECPIL). Commentary, Volume I, Brussels Ibis Regulation, art. 24, note 46, die schreef dat ‘[o]ther matters related with the internal affairs (statut personnel) are excluded’. Met Buijn en Storm, op. cit., p. 979, Storm 2018, op. cit., p. 63 en Strik 2014, op. cit., p. 1019 ben ik dan ook, mede gezien de in voetnoot 180 infra aangehaalde uitspraak, van mening dat de Ondernemingskamer in hof Amsterdam (OK) 8 september 2008, JOR 2009/127, m.nt. M.W. Josephus Jitta, r.o. 3.12 (e-Traction), waarin zij sprak van ‘verzoeken (rechtsvorderingen) die beogen rechtstreeks in te grijpen in de vennootschappelijke rechtsorde ofwel het inwendige bestel van de vennootschap’, een veel te ruime interpretatie van art. 22, aanhef en onderdeel 2, EEX-Vo (thans: art. 24, aanhef en onderdeel 2, EEX-Vo II) gaf. In het Groenboek van de Europese Commissie over de herziening van de EEX-Verordening werd opgemerkt dat moest worden nagegaan of de werkingssfeer van art. 22, aanhef en onderdeel 2, EEX-Vo niet zou kunnen worden uitgebreid tot ‘andere kwesties in verband met de interne organisatie en de besluitvorming van een vennootschap’; vide COM (2009) 175 def., para 8.2. Zulks heeft echter niet tot een uitbreiding van het huidige art. 24, aanhef en onderdeel 2, EEX-Vo II geleid. Vide echter ook de noot, onder 19, van Van Solinge bij HvJ EU 7 maart 2018, C-560/16, NJ 2018/351, m.nt. G. van Solinge (E.ON Czech Holding), die – na te hebben gewezen op het vorengenoemde groenboek – opmerkte dat het Hof van Justitie in deze uitspraak, waarin het overwoog dat art. 22, punt 2, EEX-Vo (thans: art. 24, aanhef en onderdeel 2, EEX-Vo II) aldus moet worden uitgelegd dat een vordering strekkende tot toetsing van de billijkheid van de vergoeding die de meerderheidsaandeelhouder van een vennootschap – in het kader van een gedwongen aandelenoverdracht – aan de minderheidsaandeelhouders ervan moet betalen, binnen de exclusieve bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat valt waar die vennootschap is gevestigd (vide punt 45), er – met handhaving van een strikte uitleg van art. 24, aanhef en onderdeel 2, EEX-Vo II – in is geslaagd ‘de reikwijdte van de bepaling iets te verruimen. Het lijkt erop dat met het hier besproken arrest toch een klein stapje is gezet op weg naar een exclusief forum voor alle interne geschillen in de vennootschap [curs. RPJ]’. Op die lijn zit ook K.A.M. van Vught, ‘Rechtsmacht in de rechtspersoon. Twee arresten, één forum voor corporate geschillen?’, MvO 2018, nr. 8 & 9, p. 270 (vide ook p. 269), alwaar staat dat, alles tezamen, het Hof van Justitie de doelpalen wat verder uit elkaar heeft gezet. Vermeldenswaardig is ook wat daarvoor werd geschreven, namelijk: ‘Opvallend is verder, ik merkte het al op, dat het Hof zijn beslissing motiveert met een uitvoerige verwijzing naar de nauwe band die tussen het geschil en de Tsjechische rechter zou bestaan, en ook naar de Gleichlauf [curs. aut.] tussen de bevoegde rechter en het toepasselijke recht. Als die aanknopingsfactoren werkelijk de doorslag geven, verbreedt dat de scope [curs. aut.] van artikel 24 sub 2 EEX aanzienlijk. De uitstoting/uittreding, de enquête en de uitkoop zouden dan sowieso binnenboord zijn [curs. RP]. Hier past niettemin nog wel een slag om de arm [onderstr. RPJ], zou ik denken. Hoe nauw verbonden en gelijklopend een geschil ook is, daarin zal een besluit een rol moeten spelen. Hoewel het Hof in deze zaak wat heeft gegoocheld met dit besluitvereiste, blijft artikel 24 sub 2 EEX een geschil veronderstellen dat (wellicht indirect) de geldigheid van een besluit betreft. Bij de genoemde procedures zal daaraan niet steeds kunnen worden voldaan [curs. RPJ].’ (voetnoot verwijderd).
HvJ EG 2 oktober 2008, C-372/07, NJ 2009/192, m.nt. P. Vlas, JOR 2009/123, m.nt. R.G.J. de Haan, punt 18-19 (Doherty).
HvJ EG 2 oktober 2008, C-372/07, NJ 2009/192, m.nt. P. Vlas, JOR 2009/123, m.nt. R.G.J. de Haan, punt 26 (Doherty). Herhaald in HvJ EU 7 maart 2018, C-560/16, NJ 2018/351, m.nt. G. van Solinge, punt 33 (E.ON Czech Holding). Vide ook Kuypers, op. cit., p. 840; Vlas’ noot, onder 4, bij HvJ EG 2 oktober 2008, C-372/07, NJ 2009/192, m.nt. P. Vlas, JOR 2009/123, m.nt. R.G.J. de Haan (Doherty); P. Vlas, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, EEX-Verordening (‘Brussel I’), art. 22, aant. 5; Koppenol-Laforce en Zilinsky, op. cit., p. 125; Vlas 2017, op. cit., p. 158-159 (nr. 219). Procedures die gaan over de – uitvoering – van door organen van vennootschappen of rechtspersonen genomen besluiten, vallen dus niet binnen de reikwijdte van art. 24, aanhef en onderdeel 2, EEX-Vo II; vide S.J. Schaafsma, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 24 Brussel I-bis, aant. 6e; Vlas 2017, op. cit., p. 159 (nr. 220); Strikwerda en Schaafsma, op. cit., p. 87.
HvJ EU 12 mei 2011, C-144/10, JOR 2011/319, m.nt. J.J. Kuipers, punt 44 (JPMorgan Chase Bank). Vide ook rapport-Jenard, p. 104, alwaar wij lezen dat de in art. 16 EEX-Verdrag (thans: art. 24 EEX- Vo II) opgesomde gevallen in beginsel slechts exclusieve rechterlijke bevoegdheid vestigen wanneer het gerecht van ‘het bodemgeschil’ kennis moet nemen. Vide voorts rapport-Jenard, p. 107: ‘Nummer 2 van artikel 16 heeft betrekking op vennootschappen. Uitsluitend de gerechten van de staat waar een vennootschap of een rechtspersoon haar zetel heeft zijn bevoegd kennis te nemen van de rechtsvorderingen die, wat het bodemgeschil betreft [curs. RPJ], enerzijds betrekking hebben op de geldigheid, de nietigheid of de opheffing van deze vennootschappen of rechtspersonen en anderzijds op de besluiten van hun organen.’ Vide voor kritiek op de uitspraak van het Hof van Justitie Koppenol-Laforce en Zilinsky, op. cit., p. 130-133. Zij lijken in hun kritiek voorbij te zien aan het vorengeciteerde.
In hof Amsterdam (OK) 8 december 2015, ARO 2016/14, r.o. 3.3 (Fuhler) heeft de Ondernemingskamer uitgemaakt dat er exart. 2:355, eerste lid, BW ook kan worden verzocht om een declaratoire uitspraak.
In die richting (kennelijk) ook Buijn en Storm, op. cit., p. 979; X.E. Kramer & H.L.E. Verhagen (m.m.v. S. van Dongen, A.P.M.J. Vonken), Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk recht. 10. Internationaal privaatrecht. Deel III. Internationaal vermogensrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2015/43; J.W. Rutgers en M. Zilinsky, ‘Boekbespreking’, WPNR 2016/7091, p. 66; Storm 2018, op. cit., p. 63. M.N. van Dam, R.B. van Hees en B.F.L.M. Schim, in: Sdu Commentaar Burgerlijk Procesrecht, art. 22 EEX-Verordening, aant. C.3.3 twijfelen. Vide ook Van Vught, op. cit., p. 269 en 272, die opmerkte dat, ofschoon zulks met de in voetnoot 179 supra genoemde uitspraak ‘wellicht’ anders ligt, de pleidooien houdende dat, inter alia, de enquêteprocedure binnen de reikwijdte van art. 24, aanhef en onderdeel 2, EEX-Vo II valt zich moeizaam verdraagt met de restrictieve lijn van het Hof van Justitie respectievelijk dat die procedure daar wel onder – zou moeten – vallen. (Kennelijk) anders: Rammeloo, op. cit., p. 8-9; Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/735; Laagland, op. cit., p. 43. Vide ook Vlas 2017, op. cit., p. 229 (nr. 330).
Vide e.g. hof Amsterdam (OK) 27 februari 2014, ARO 2014/57, r.o. 3.9 (TICA), waarin de Onder- nemingskamer vooropstelde ‘dat niet zij, maar de gewone burgerlijke rechter bevoegd is te oordelen over de vraag of een besluit nietig of vernietigbaar is omdat het niet met de vereiste meerderheid van stemmen is genomen’. Vide ook hof Amsterdam (OK) 4 mei 2017, ARO 2017/114, r.o. 3.6 (Mitralis), waarin zij overwoog dat ‘de vraag of de besluitvorming in de algemene vergadering van aandeelhouders van 4 januari 2017, waarin is besloten tot vervreemding van het 80 % belang van Parkstad in Mitralis (…), rechtsgeldig is geweest’, ter beantwoording van de gewone burgerlijke rechter staat. Vide tevens hof Amsterdam (OK) 4 juni 2018, ARO 2018/138, r.o. 3.7 (TGC), waarin de Ondernemingskamer overwoog dat niet zij maar de gewone civiele rechter bevoegd is te beslissen over de ‘(rechts)vraag of sprake is van een rechtsgeldig ontslagbesluit’. Vide als laatste voorbeeld hof Amsterdam (OK) 11 december 2018, ARO 2019/42, r.o. 2.5 en 2.9 (Nijhuis Fabel), waarin de Ondernemingskamer oordeelde dat de rechtsgeldigheid van het genomen besluit tot ontbinding van de vennootschap niet te haren beoordeling staat, maar kennelijk, zo voeg ik toe, van de gewone civiele rechter.
Vide HR 27 september 2000, JOR 2000/217, m.nt. M. Brink, Ondernemingsrecht 2000/55, m.nt. S.M. Bartman, r.o. 4.2 (Gucci), de titel van de enquêteregeling (het recht van ‘enquête’) alsmede art. 2:345, eerste lid, eerste volzin, BW in samenhang gelezen met art. 2:349a, tweede en derde lid, BW.
In andere zin Buijn en Storm, op. cit., p. 979 en Storm 2018, op. cit., p. 63, die de mening zijn toegedaan dat ‘de meeste’ van de in art. 2:356 BW genoemde voorzieningen niet onder de werkingssfeer van art. 24, aanhef en onderdeel 2, EEX-Vo II vallen, in het bijzonder niet de aandelenoverdracht ten titel van beheer. Ook anders: Asser/Kramer & Verhagen 10-III 2015/43, naar wier mening een ‘mogelijke interpretatie van art. 22 sub 2 Brussel I is dat slechts voor bepaalde voorzieningen (vernietiging van besluiten en ontbinding van de rechtspersoon) de rechter van het land van de statutaire zetel exclusief bevoegd is’. In hof Amsterdam (OK) 8 september 2008, JOR 2009/127, m.nt. M.W. Josephus Jitta, r.o. 3.12 (e-Traction) overwoog de Ondernemingskamer dat ‘ter zake van de tijdelijke overdracht van die aandelen bij wege van voorziening [een en ander op de voet van art. 2:355, eerste lid, BWiuncto art. 2:356, aanhef en onderdeel e, BW, toev. RPJ] in een enquêteprocedure (exclusieve) rechtsmacht aan de Ondernemingskamer toekomt, zulks overigens in overeenstemming met (…) artikel 22 lid 2 EEX- Verordening [curs. RPJ]’. Dit is echter juist níét in overeenstemming met dat artikel, omdat zulk een voorziening buiten de reikwijdte ervan valt. Aldus ook de eerstgenoemden.
Vide HR 4 november 1987, NJ 1988/578, m.nt. J.M.M. Maeijer, r.o. 3.3; HR 4 juni 1997, NJ 1997/ 671, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 1997/82, m.nt. F.J.P. van den Ingh, TVVS 1997/135, m.nt. P. van der Vlis, r.o. 4.7.1 (Text Lite).
Vide daaromtrent P. Vlas, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 22 Brussel I, aant. 5; Vlas 2017, op. cit., p. 158-159 (nr. 219-220), met verwijzingen aldaar.
Een uitzondering op de hoofdregel als bedoeld in art. 4, eerste lid, EEX-Vo II, het algemene, formele toepassingsgebied van de bevoegdheidsregeling van de EEX- Verordening, II, vormt art. 24 EEX-Vo II, het exclusieve, formele toepassingsgebied van de bevoegdheidsregeling van de EEX-Verordening II,1 dat geldt (immers) ‘[o] ngeacht de woonplaats van partijen’ (vide echter infra).2 Dat artikel wijst aan welke ‘gerechten’, het is aan het interne (proces)recht van de desbetreffende lidstaat overgelaten om te bepalen wélk gerecht op zijn grondgebied relatief of anderszins bevoegd is,3 van een bepaalde lidstaat4 internationaal – ‘bij uitsluiting’ (m.a.w. exclusief of privatief) – bevoegd zijn.
Art. 24 EEX-Vo II bevat een limitatieve opsomming van onderwerpen waarvoor exclusieve bevoegdheidsregels gelden. Wanneer een geschil ziet op een onderwerp dat daaronder valt, is daarmee de toepasselijkheid van voornoemd artikel gegeven.5 Een van die onderwerpen6 ligt in art. 24, aanhef en onderdeel 2, EEX-Vo II. Daarin staat dat voor geschillen omtrent (a) de geldigheid, de nietigheid of de ontbinding van vennootschappen of rechtspersonen dan wel (b) de geldigheid of nietigheid van besluiten van organen van vennootschappen7 of rechtspersonen de gerechten van de lidstaat op het grondgebied van welke die vennootschappen of rechtspersonen hun plaats van vestiging hebben, privatief bevoegd zijn, een en ander ongeacht of de procedure is ingeleid met een dagvaarding dan wel met een verzoekschrift.8
Is een geschil dat ziet op een onderwerp als hier bedoeld, aanhangig gemaakt bij een niet-exclusief bevoegd gerecht van een andere lidstaat, dan dient dat gerecht ingevolge art. 27 EEX-Vo II, zodra het (ambtshalve heeft onderzocht en)9 heeft vastgesteld dat een gerecht van een andere lidstaat bevoegd is in de zin van art. 24 EEX-Vo,10 zich ambtshalve onbevoegd te verklaren, een en ander ongeacht (i) de stand van het geding,11 waardoor die onbevoegdheidsverklaring dus ook in cassatie moet worden uitgesproken indien de cassatierechter vaststelt dat de in cassatie bestreden beslissing ziet op een onderwerp als bedoeld in art. 24 EEX-Vo II waartoe een rechter in een andere lidstaat exclusief bevoegd is en de lagere rechter daar geen rekening mee heeft gehouden, zelfs indien zulks in het cassatiemiddel niet aan de orde is gesteld (het bepaalde in art. 419, eerste lid, Rv12 kan daar niet aan afdoen),13 (ii) of partijen een uitdrukkelijke forumkeuze als bedoeld in art. 25 EEX-Vo II zijn overeengekomen (deze heeft blijkens lid 4 ervan ter zake geen rechtsgevolg) en (iii) of sprake is van een stilzwijgende forumkeuze (stilzwijgende aanvaarding van internationale bevoegdheid) als bedoeld in art. 26, eerste lid, eerste volzin, EEX-Vo II doordat de verweerder voor het niet-exclusieve gerecht verschijnt en hij zijn bevoegdheid niet (langer of tijdig)14 betwist (dit voorschrift mist blijkens de laatste volzin van het eerste lid toepassing in een geval als hier aan de orde) dan wel de, al dan niet op het grondgebied van een lidstaat woonplaats hebbende, verweerder niet verschijnt (vide ook art. 28, eerste lid, EEX-Vo II).15
Door de procedure te concentreren bij de gerechten van de lidstaat op het grondgebied van welke de vennootschap of rechtspersoon is gevestigd, in die lidstaat dienen namelijk de openbaarmakingsformaliteiten van de vennootschapsaangelegenheden plaats te vinden, worden – in het belang van de rechtszekerheid – tegenstrijdige beslissingen ter zake van het bestaan van vennootschappen of rechtspersonen en de geldigheid van de besluiten van hun organen vermeden, waardoor er Gleichlauf ontstaat tussen de bevoegde rechter en het toepasselijke recht.16 Dat is de ratio achter art. 24, aanhef en onderdeel 2, EEX-Vo II.17
Voor vennootschappen en rechtspersonen geeft art. 63, eerste lid, EEX-Vo II een – autonome – definitie,18 teneinde negatieve bevoegdheidsconflicten (vide infra) te voorkomen,19 van het begrip ‘woonplaats’, houdende dat voor de toepassing van de EEX-Verordening II zij woonplaats hebben op de plaats van (a) hun statutaire zetel, (b) hun hoofdbestuur of (c) hun hoofdvestiging. Zodra een vennootschap of rechtspersoon aan een van deze drie criteria voldoet, er is geen sprake van een onderlinge hiërarchie, heeft deze aldaar zijn of haar woonplaats.20 In art. 24 EEX- Vo II wordt in de aanhef gesproken van ‘woonplaats’, maar in onderdeel 2 van de ‘plaats van vestiging’. Luidens de laatste volzin daarvan past het gerecht ter bepaling van die plaats zijn eigen IPR-regels (dus niet art. 63 EEX-Vo II) toe (vide infra). Zulks was ook opgenomen in art. 53 EEX-Verdrag. Eveneens was daarin bepaald dat voor de toepassing van het EEX-Verdrag de plaats van vestiging van vennootschappen en rechtspersonen ‘gelijkgesteld [wordt, toev. RPJ] met de woonplaats’. Ofschoon dat niet (met zoveel woorden) in art. 24, aanhef en onderdeel 2, EEX-Vo II staat, houd ik het er dan ook voor, met steun van Ibili21 en Vlas,22 dat met ‘plaats van vestiging’ wordt bedoeld de ‘woonplaats’. De in dat artikel bedoelde vennootschappen of rechtspersonen moeten, voor de toepasselijkheid van dat artikel, hun vestigingsplaats/woonplaats in een ‘lidstaat’ hebben. Zulk een juridische entiteit kan, zoals in enquêteprocedures het geval is, de verwerende partij zijn. Dit een ander voert mij dan tot de slotsom dat – in weerwil van de aanhef van art. 24 EEX-Vo II – de woonplaats van de verweerder in het kader van art. 24, aanhef en onderdeel 2, EEX-Vo II wel degelijk van belang23 is en dat de wijze ter bepaling daarvan een andere is dan die in art. 63, eerste lid, EEX-Vo II.24 Ligt die woonplaats niet op het grondgebied van een lidstaat, dan vindt art. 24, aanhef en onderdeel 2, EEX-Vo II geen toepassing.25 Alsdan wordt in beginsel teruggevallen op de hoofdregel in art. 4 EEX-Vo II.26
Bij het vaststellen van de plaats van vestiging (vide infra), oftewel de woonplaats, van een vennootschap of rechtspersoon dient de aangezochte rechter – in afwijking van art. 63, eerste lid, EEX-Vo II –27ingevolge art. 24, aanhef en onderdeel 2, laatste volzin, EEX-Vo II de regels van ‘het voor hem geldende internationaal privaatrecht’28 toe te passen. Hierdoor kunnen positieve bevoegdheidsconflicten en negatieve bevoegdheidsconflicten ontstaan,29 omdat sommige lidstaten, zoals Estland, Frankrijk, Griekenland, Luxemburg, Oostenrijk, Portugal en Spanje, de leer van de werkelijke zetel aanhangen terwijl andere lidstaten, zoals België, Bulgarije, Ierland, Nederland, Slowakije, Tsjechië en Zweden, (een variant van) de incorporatieleer aanhangen (vide nader § 5.2.1),30 waarbij zij opgemerkt dat een aantal auteurs – onder verwijzing naar HvJ EG 5 november 2002, C-208/00,NJ 2003/58, m.nt. P. Vlas (Überseering) – van mening is dat de eerstgenoemde leer onder (zware) druk is komen te staan in de Unie-lidstaten.31 De eerstbedoelde conflicten kunnen ontstaan in geval van een vennootschap die haar werkelijke zetel op het grondgebied van een lidstaat die de leer van de werkelijke zetel aanhangt, heeft, terwijl zij haar statutaire zetel op het grondgebied van een lidstaat die de incorporatieleer aanhangt, heeft.
Een voorbeeld. Een vennootschap is opgericht naar Nederlands recht, met (dus) alhier haar statutaire zetel, en heeft haar werkelijke zetel in Spanje. Naar Nederlandse IPR- regels geldt als vestigingsplaats Nederland, terwijl naar Spaanse IPR-regels als vestigingsplaats Spanje geldt. Gevolg: zowel de Nederlandse gerechten als de Spaanse gerechten zijn exclusief bevoegd onder art. 24, aanhef en onderdeel 2, EEX-Vo II.
De laatstbedoelde conflicten kunnen ontstaan in geval van een vennootschap die haar werkelijke zetel op het grondgebied van een lidstaat die de incorporatieleer aanhangt, heeft, terwijl zij haar statutaire zetel op het grondgebied van een lidstaat die de leer van de werkelijke zetel aanhangt, heeft.
Een voorbeeld. Een vennootschap is opgericht naar Frans recht en heeft haar werkelijke zetel in Nederland. Naar Franse IPR-regels geldt als vestigingsplaats Nederland, terwijl naar Nederlandse IPR-regels als vestigingsplaats Frankrijk geldt. Gevolg: de Franse gerechten noch de Nederlandse gerechten zijn exclusief bevoegd om kennis te nemen van een door art. 24, aanhef en onderdeel 2, EEX-Vo II beheerste zaak.
Naar Nederlands IPR geldt het incorporatierecht, houdende, voor zover hier van belang, dat een corporatie die krachtens de oprichtingsakte haar zetel ten tijde van de oprichting op het grondgebied van de staat naar welks recht zij is opgericht heeft, beheerst wordt door dat recht (art. 10:118 BW).
Een voorbeeld. Een vennootschap is opgericht in overeenstemming met het recht van staat X. Blijkens de oprichtingsakte bevindt haar zetel zich – ten tijde van de oprichting – op het grondgebied van die staat. Ergo: de vennootschap wordt beheerst door het recht van staat X.
Onder ‘zetel’ wordt verstaan de statutaire zetel.32 Met ‘statutaire zetel’ wordt bedoeld de plaats van vestiging (lees: zetel) die – conform het recht van de staat overeenkomstig waarmee de corporatie is opgericht – in de statuten van de corporatie is vermeld, welke plaats in het algemeen in die(zelfde) staat móét liggen, doch niet uitgesloten is dat deze in een andere staat mág liggen,33 waarbij ik aanteken dat art. 10:118 BW strikt genomen niet op dat laatste ziet.34 De ‘plaats van vestiging’ als bedoeld in art. 24, aanhef en onderdeel 2, EEX-Vo II is dus, naar Nederlands IPR, de plaats waar, blijkens de statuten én conform het oprichtingsrecht, de statutaire zetel zich bevindt. Het in Nederland geadieerde gerecht zal dan ook ter bepaling van de woonplaats van een vennootschap of rechtspersoon voor de toepassing van het voormelde artikel dienen te beoordelen of de vennootschap/ rechtspersoon te onzent statutair gevestigd is.35 Ten aanzien van Nederlandse ven- nootschappen zullen de Nederlandse gerechten zichzelf – steeds – privatief bevoegd verklaren kennis te nemen van vorderingen of verzoeken die zien op een materie als bedoeld in art. 24, aanhef en onderdeel 2, EEX-Vo II. Immers, de statuten conform Nederlands recht opgerichte (naamloze/besloten) vennootschappen bevatten, onder andere, de ‘zetel’ – ter plaatse daarvan heeft een rechtspersoon blijkens art. 1:10, tweede lid, BW (een internrechtelijke bepaling!) zijn woonplaats – en die móét hier te lande zijn gelegen (vide art. 2:66 (177), eerste en derde lid, BW).36
Onder de werkingssfeer van art. 24, aanhef en onderdeel 2, EEX-Vo II vallen niet alle kwesties die verband houden met de interne organisatie en de besluitvorming van een vennootschap of van een rechtspersoon;37 deze is beperkt tot de daarin bedoelde kwesties, te weten, het zij herhaald, geschillen omtrent (i) de geldigheid, de nietigheid of de ontbinding van vennootschappen of rechtspersonen dan wel (ii) de geldigheid of nietigheid van besluiten van hun organen.38 Hier komt bij dat volgens het Hof van Justitie art. 24, aanhef en onderdeel 2, EEX-Vo II restrictief moet worden uitgelegd.39 Dit brengt, aldus het Hof van Justitie, mee dat de werkingssfeer van het evenbedoelde artikel – ten aanzien van de geschillen als onder (ii) bedoeld – ‘beperkt is tot de geschillen waarbij een partij de geldigheid [curs. RPJ] van een besluit van een orgaan van een vennootschap betwist op grond van het toepasselijke vennootschapsrecht of de statutaire bepalingen betreffende de werking van haar organen’.40 Overigens ziet het hier bedoelde artikel louter op de geschillen waarvan ‘het hoofdvoorwerp’ de geldigheid, nietigheid of ontbinding van vennootschappen of rechtspersonen dan wel de geldigheid van de besluiten van hun organen is.41
Uit het bovenstaande volgt dat (1) een enquêteverzoek als bedoeld in art. 2:345, eerste lid, eerste volzin, BW, (2) een – daarvan in zijn bestaan afhankelijk – verzoek om onmiddellijke voorzieningen als bedoeld in art. 2:349a, tweede lid, BW (iunctoart. 2:355, derde lid, BW), (3) een vordering tot schadevergoeding als bedoeld in art. 2:350, tweede lid, eerste volzin, BW, (4) een verzoek tot kostenverhaal als bedoeld in art. 2:354 BW en (5) een verzoek tot het vaststellen van wanbeleid als bedoeld in art. 2:355, eerste lid, BW,42 niet binnen de reikwijdte van art. 24, aanhef en onderdeel 2, EEX-Vo II vallen,43 waarbij opmerking verdient dat de antwoorden op vragen of een rechtspersoon rechtens bestaat, of een vennootschap rechtsgeldig is opgericht, of een besluit op rechtsgeldige wijze tot stand is gekomen dan wel nietig moet worden geacht,44et cetera, niet tot de competentie van de Ondernemingskamer behoren, maar tot die van de gewone civiele rechter.45 In de beantwoording van dergelijke vragen treedt zij dan ook niet. De reden voor dit een en ander ligt hierin dat het in het enquêterecht scharniert om de vraag of er sprake is van ‘gegronde redenen om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen’, deze norm staat centraal in de eerste fase van een enquêteprocedure, en of uit het onderzoeksverslag blijkt dat er sprake is geweest van ‘wanbeleid’, welke norm centraal staat in de tweede fase van een enquêteprocedure. Verder zij gereleveerd dat het onderzoek de kern van het enquêterecht is (dat onderzoek is het hoofdvoorwerp), niet de (onmiddellijke) voorzieningen.46 Hieraan doet niet af dat in de praktijk meer dan eens het zwaartepunt bij dat laatste wordt gelegd (de OK als een soort kortgedingrechter).
Evenmin behoren, nog steeds in het licht van het vorengaande, tot het domein van art. 24, aanhef en onderdeel 2, EEX-Vo II (1) een verzoek tot schorsing of ontslag van bestuurders/commissarissen als bedoeld in art. 2:355, eerste lid, BW iuncto art. 2:356, aanhef en onderdeel b, BW, (2) een verzoek tot tijdelijke aanstelling van bestuurders/commissarissen als bedoeld in art. 2:355, eerste lid, BW iunct art. 2:356, aanhef en onderdeel c, BW, (3) een verzoek tot tijdelijke afwijking van de statuten als bedoeld in art. 2:355, eerste lid, BW iuncto art. 2:356, aanhef en onderdeel d, BW en (4) een verzoek tot aandelenoverdracht ten titel van beheer als bedoeld in art. 2:355, eerste lid, BW iuncto art. 2:356, aanhef en onderdeel e, BW.
Blijven over een verzoek tot schorsing47 of vernietiging van een besluit van een orgaan van de (geënquêteerde) rechtspersoon als bedoeld in art. 2:355, eerste lid, BWiuncto art. 2:356, aanhef en onderdeel a, BW en een verzoek tot ontbinding van de (geënquêteerde) rechtspersoon als bedoeld in art. 2:355, eerste lid, BW iuncto art. 2:356, aanhef en onderdeel f, BW. Ook deze twee verzoeken vallen mijns inziens niet onder het bereik van art. 24, aanhef en onderdeel 2, EEX-Vo II.48 Ten eerste niet omdat een eventuele tweede fase-procedure niet scharniert om de vraag of de geënquêteerde rechtspersoon rechtsgeldig is opgericht dan wel een door een van zijn organen genomen besluit op rechtsgeldige wijze tot stand is gekomen, maar om de vraag of uit het verslag van wanbeleid is gebleken. Ten tweede niet omdat, in het verlengde van het eerste punt, (mede) de voorzieningen als hiervoor bedoeld ertoe strekken – indien dat laatste blijkt – de Ondernemingskamer in staat te stellen aan dat wanbeleid een einde te maken en de daaruit voortgevloeide gevolgen zoveel mogelijk ongedaan te maken.49 Ten derde niet omdat, in het verlengde van het tweede punt, de hier aan de orde zijnde exclusieve bevoegdheidsgrond niet tevens ziet op geschillen over de uitvoering en/of gevolgen50 van een besluit van een orgaan van de vennootschap/rechtspersoon.