Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/2.4.3
2.4.3 Pandrecht op slaven
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264378:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
C. 4,24,2 (Alexander Severus); C. 8,24(25),2 (Maximianus); Frezza 1963, p. 199. Zie ook over de verboden vestiging van een recht van pandgebruik op vrije kinderen Nov. 134,7 (Justinianus); Papadatou 2008, p. 214-215; Bobbink & Mauer 2019, p. 362.
C. 8,42(43),20 (Diocletianus). Si operas certi servi pecunia sumpta creditorem sibi in debitum compensare placuit, his secundum conventionis fidem praestitis de mancipio restituendo pacti tenor servari debet.
Deze tekst citeer ik in §2.4.5. Zie over deze tekst Noordraven 1988, p. 328 e.v; Lenel, Palingenesia Iuris Civilis I, p. 1027. Beide auteurs schrijven deze Digestentekst toe aan Paulus, niet aan Ulpianus. De tekst ging volgens hen in zijn oorspronkelijke vorm over fiducia.
De belangrijkste bevoegdheid uit een recht van pandgebruik op een slaaf was het genieten van dienstverrichtingen van een verpande slaaf.1 Dit blijkt uit C.8,42,20 (Diocletianus):
“Indien na het opnemen van een geldlening werd afgesproken dat de schuldeiser de diensten van een bepaalde slaaf met de schuld zou verrekenen, moet, na het verrichten van deze prestaties overeenkomstig de toezegging uit de overeenkomst, de inhoud van de afspraak betreffende het teruggeven van de slaaf worden nagekomen.”2
In het verlengde van deze bevoegdheid om een slaaf aan het werk te zetten, had de pandgebruiker de bevoegdheid om slaven te onderwijzen in een ambacht, aldus D. 13,7,25 (Ulpianus).3
In deze tekst had de pandgebruiker lessen laten geven aan verpande slaven. Door dit onderwijs waren de verpande slaven meer waard geworden. De pandgebruiker was kennelijk bevoegd om verpande slaven ambachten te leren; zelfs mocht hij de gemaakte kosten verhalen op de pandgever. Deze bevoegdheid tot onderricht van een verpande slaaf hield vermoedelijk verband met de bevoegdheid om de arbeid van de slaaf te gebruiken: het leren van ambachten kon noodzakelijk zijn, opdat de pandhouder de diensten van de slaaf kon gebruiken.