Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/4.13
4.13 Bedrijfswaarde en de toepassing van de landbouwvrijstelling
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS351658:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
HR 13 december 1950, B. 8902.
Zie ook HR 11 juni 1952, B. 9234 waarin ons hoogste rechtscollege oordeelt dat bij afwaardering van landbouwgronden op lagere bedrijfswaarde, er op behoort te worden gelet, dat eventuele in de bedrijfswaarde begrepen waardeveranderingen door conjuncturele of monetaire factoren veroorzaakt, bij de bepaling van de winst (in verband mt toepassing van de landbouwvrijstelling) buiten beschouwing blijven.
HR 28 november 1951, B. 9121.
Overstromingen van land als gevolg van ingrepen door de Duitse bezetter.
Een aparte bespreking verdient de toepasbaarheid van de landbouwvrijstelling in verbinding met het begrip bedrijfswaarde. Uit de jurisprudentie kan de conclusie getrokken worden dat in dergelijke gevallen gekeken moet worden naar de oorzaak van de afwaardering. Steeds gaat het om de vraag waardoor de bedrijfswaarde van (landbouwopstallen of) agrarische grond gedaald is. Een casusbeschrijving moge helderheid in deze problematiek brengen.
Op 13 december 19501 wees ons hoogste rechtscollege een arrest aangaande toepassing van de landbouwvrijstelling in verband met (te) duur gekochte landbouwgrond (f 2000 boven de officieel toegestane prijs). Volgens de Hoge Raad is het verlies niet in de uitoefening van het landbouwbedrijf ontstaan. De landbouwvrijstelling is van toepassing en het verlies derhalve niet aftrekbaar.
De Hoge Raad komt tot dit oordeel op basis van de volgende overweging: `dat belanghebbende blijkbaar van mening is, dat ook ten aanzien van landbouwgronden op den voet van art. 10, lid 2, I.B. '41 waardering kan geschieden op een lager bedrag dan de aanschaffingskosten, wanneer de bedrijfswaarde aantoonbaar lager is en in dat geval het waardeverschil ten laste van de bedrijfsopbrengst mag worden gebracht; dat deze mening echter onjuist is, daar art. 9, lid 4, van dat besluit naar zijn strekking medebrengt, dat voor de berekening van de opbrengst van een landbouwbedrijf waardeverschillen met betrekking tot landbouwgronden, welke niet in de uitoefening van het bedrijf zelf hun grond vinden, buiten aanmerking blijven;'.
Waarom acht de Hoge Raad in casu een afwaardering van de landbouwgrond ten principale toelaatbaar? Een (te) dure aankoop van een activum is immers geen reden om tot afwaardering op lagere bedrijfswaarde van het desbetreffende activum over te gaan. Alleen als er sprake is van een aperte, aantoonbare miskoop levert dit een rechtvaardigingsgrond op voor een fiscaal toelaatbare afwaardering. Bestudering van het arrest leert evenwel het volgende: Als er al sprake zou zijn van een waardering op lagere bedrijfswaarde van het in geding zijnde perceel grond, dan zou dit afwaarderingsverlies onder de landbouwvrijstelling vallen en derhalve niet aftrekbaar zijn. Vervolgens hoeft de Hoge Raad zich op basis van deze gedachtegang niet bezig te houden met de waardering van de landbouwgrond zelve.2
Uiteraard kan een tegengesteld voorbeeld inzake een fiscaal wel aanvaardbaar afwaarderingsverlies dat niet onder de landbouwvrijstelling valt, niet achterwege blijven. Op 28 november 19513 buigt de Hoge Raad zich over de afwaardering van een boomgaard, land en bedrijfsgebouwen. In de jaren 1944 en 1945 zijn deze zaken elk jaar gedurende ongeveer zes maanden geïnundeerd4 geweest. Een redelijke toepassing van art. 9, vierde lid, (oud) IB '41 brengt volgens de Hoge Raad met zich mee dat dit verlies niet onder de landbouwvrijstelling valt en derhalve wel aftrekbaar is.
De Hoge Raad oordeelt: 'dat wel is waar ingevolge art. 9, lid 4, van genoemd besluit waardeveranderingen van zodanige gronden bij de winstberekening overeenkomstig het eerste lid van dat artikel buiten beschouwing blijven voor zover deze veranderingen niet in de uitoefening van het bedrijf zijn ontstaan; dat echter een redelijke toepassing van art. 9, lid 4, medebrengt onder de daar bedoelde waardeveranderingen niet in de uitoefening van het bedrijf ontstaan, niet te begrijpen veranderingen in de bedrijfswaarde, welke aanleiding geven tot afschrijving ingevolge art. 11;'.
Een voor discussie vatbaar arrest. Waarom zou een dergelijke waardeverandering in de uitoefening van het landbouwbedrijf zijn opgekomen? Wellicht dient dit arrest als een gelegenheidsoordeel in het kader van de na-oorlogse jurisprudentie te worden aangemerkt, ingegeven door de bijzondere hardheid van dit specifieke geval.