Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/7.3.3
7.3.3 Een bijzonder geval: verzekeringspenningen
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS396150:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
J.E. Jansen, ‘Het eigendomsvoorbehoud en art. 3:229 BW’, TvI 2012, p. 134-139.
Zie Von Bar & Clive 2009, p. 5568.
Gelet op het feit dat het eigenaarsbelang samenvalt met het aansprakelijkheidsbelang van de koper en dit aansprakelijkheidsbelang ook onder de dekking van een zaakverzekering kan worden gebracht, lijkt dit inderdaad mogelijk. Zie hierna in voetnoot 108 en de bijbehorende hoofdtekst. Meer moeilijkheden levert dit op bij de gerechtigdheid tot schadevergoedingsvorderingen jegens derden. Zie daarover het slot van paragraaf 8.5.4 van hoofdstuk 8.
Zie bijv. art. 8 van de modelhuurkoopovereenkomst opgesteld door H.J. Snijders, Modellen voor de rechtspraktijk, nr. I.7A.5A.15. Vgl. Mezas 1985, p. 51.
Salomons 1996, p. 384 en Asser/Wansink, Van Tiggele & Salomons 7-IX* 2012, nr. 389.
Vgl. Bloembergen 1965, p. 272-273, voetnoot 6, Asser/Clausing & Wansink 5-VI 1998, nr. 196 en Asser/ Wansink, Van Tiggele & Salomons 7-IX* 2012, nr. 377 en 382. Zie voor deze benadering naar Oostenrijks en Duits recht hierna in voetnoot 109 en 112 en de begeleidende hoofdtekst. Uit HR 11 mei 2001, NJ 2001, 364 volgt niets anders, nu in dat geval juist uitdrukkelijk enkel het (aansprakelijkheids)belang van de lessee als verzekeringnemer was verzekerd. Uit het arrest blijkt dan ook enkel dat dan niet tevens mede ten behoeve van de lessor diens eigenaarsbelang is verzekerd. Dat ligt ook voor de hand, nu in dat geval de premie was afgestemd op het risico dat de lessee droeg. Of het belang van een ander dan de verzekeringnemer is (mee) verzekerd, is uiteindelijk een kwestie van uitleg van de verzekeringsovereenkomst. Zie Salomons 1996, p. 288 en punt 2.1 van de conclusie van A-G Bakels bij het hiervoor genoemde arrest. Vgl. ook Scheltema/ Mijnssen 1978, p. 45-49.
Zie bijv. art. 10 van de Nederlandse Beursvoorwaarden voor Brandverzekering.
Zie over deze regel hoofdstuk 5, paragraaf 5.5.
Serick 1963, p. 141 en p. 165. Daarvan te onderscheiden is de kredietverzekering, die niet het belang van de verkoper bij behoud van de zaak dekt, maar het belang van de verkoper bij verkrijging van de koopprijs. De kredietverzekering heeft derhalve niet de zaak zelf, maar de koopprijsvordering als gevaarsobject. Zie over het verschil tussen een sellers interest only-verzekering, die het belang van de verkoper bij behoud van de zaak dekt, en een kredietverzekering Bindend Advies 1 augustus 1982, S&S 1983, 43.
Zie m.n. HR 7 februari 1913, NJ 1913, p. 471 (Aardbeienmandjes). Zie voor erkenning van dit belang van de onbetaald gebleven verkoper bijv. T.J. Dorhout Mees, Schadeverzekeringsrecht, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1967, p. 115, p. 129, p. 148 en Scheltema/Mijnssen 1978, p. 143. Zie ook Hof Amsterdam 19 maart 1920, W. 10583 dat oordeelde dat ‘zoolang de betaling der goederen door de koopster (…) aan de verkoopster (…) niet heeft plaats gehad, de laatste belang bij de goederen zelve behoudt, al reizen zij voor risico van de eerste.’
Dat dit aansprakelijkheidsbelang ook onder de dekking van een zaakverzekering kan worden gebracht, staat naar Nederlands recht buiten kijf. Zie reeds HR 7 februari 1913, NJ 1913, p. 471 (Aardbeienmandjes) en daarnaast bijv. HR 8 juli 1991, NJ 1991, 778 m.nt. M.M. Mendel, T.J. Dorhout Mees, De CAR-verzekering (diss. Rotterdam), Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1996, p. 130-131, de noot van J.H. Wansink onder HR 11 mei 2001, AV&S 2001, p. 183 e.v. en Asser/Wansink, Van Tiggele & Salomons 7-IX* 2012, nr. 483 in fine. Naar Duits en Oostenrijks recht bestond daarentegen lange tijd debat over deze vraag, die intussen overwegend bevestigend wordt beantwoord. Zie daarover met verdere verwijzingen BK/Hübsch 1999, § 80VVG, Rn. 9-11 en Beckmann & Matusche-Beckmann/Armbrüster 2015, § 6, Rn. 133 e.v. Voor de verzekering van een onder eigendomsvoorbehoud overgedragen zaak wordt deze vraag zonder meer bevestigend beantwoord, nu het belang van de koper bij behoud van de zaak (Sacherhaltungsinteresse) samenvalt met diens aansprakelijkheidsbelang (Sachersatzinteresse). Zie bijv. BK/Hübsch 1999, § 80 VVG, Rn. 12-19 en de in de volgende voetnoten genoemde literatuur.
Zie met verdere verwijzingen OGH 28 februari 2008, zaaknr. 8Ob17/08w. Zie uit de literatuur M. Schauer, Das österreichische Versicherungsvertragsrecht, Wien: Service Fachverlag 1995, p. 166 en H. Heiss & B. Lorenz, Versicherungsvertragsgesetz, Wien: Linde 1996, § 80 VersVG, Rn. 6.
Klang/Bydlinksi 1978, § 1063 ABGB, p. 616-617 en Rummel/Aicher 2000, § 1063 ABGB, Rn. 82.
A. Martin, Sachversicherungsrecht, München: Beck 1992, p. 889, BK/Dörner 1999, § 69VVG, Rn. 31, BK/ Hübsch 1999, § 80 VVG, Rn. 12-19 en Prölss & Martin/Klimke 2015, § 43 VVG, Rn. 77.
BK/Dörner 1999, § 69VVG, Rn. 24, BK/Hübsch 1999, § 80 VVG, Rn. 12-19 en Beckmann & Matusche- Beckmann/Armbrüster 2015, § 6, Rn. 129 met verdere verwijzingen. Zie uit de rechtspraak i.h.b. BGH 17 juni 2009, NJW-RR 2009, 1329. Zie voor een overzicht M. Brünjes, ‘Der Eintritt des Immobilienerwerbers in den Versicherungsvertrag nach § 69 Abs. 1 VVG’, VersR 1995, p. 1416-1420. Vgl. ook Serick 1963, p. 164 e.v.
Zie bijv. § 3 van de Allgemeine Bedingungen für die Feuerversicherung 2010, waarover Beckmann & Matusche-Beckmann/Philipp 2015, § 31, Rn. 31 en 46. Vgl. ook Prölss & Martin/Armbrüster 2015, § 95VVG, Rn. 30.
Zie hoofdstuk 8, paragraaf 8.5.4.
Ogenschijnlijk verwant met de hiervoor behandelde problematiek is de vraag of de verkoper aanspraak kan maken op eventuele verzekeringspenningen, indien de zaak door de koper is verzekerd en het risico dat de verzekeraar op zich heeft genomen, zich verwezenlijkt. Wanneer de verkochte zaak – bijvoorbeeld door brand – beschadigd raakt of verloren gaat, en de koper deze zaak heeft verzekerd, zal de koper zijn verzekering kunnen aanspreken tot uitkering van de verzekerde som. Het is de vraag of (het wenselijk is dat) de verkoper in een dergelijk geval aanspraak kan maken op deze verzekeringspenningen. Door Jansen is op overtuigende wijze uiteengezet dat de ratio van artikel 3:229 BW – het voorkomen dat een ander zou profiteren van het onverwachte voordeel van een pandrecht op de verzekeringspenningen – evenzeer opgeld doet indien het gaat om een onder eigendomsvoorbehoud overgedragen zaak, zodat het aanbeveling zou verdienen een met artikel 3:229 BW vergelijkbare regel voor eigendomsvoorbehoud te geven, in die zin dat verkoper een pandrecht zou moeten verkrijgen op de vordering die de koper verkrijgt op zijn verzekeraar.1 Een dergelijke overeenkomstige toepassing bestaat momenteel slechts op grond van artikel 7:80 lid 4 BW bij een consumentenkredietovereenkomst en slechts in geval van volledig tenietgaan van de verkochte zaak. Op vergelijkbare gronden kent ook de DCFR aan de verkoper die een eigendomsvoorbehoud is bedongen van rechtswege een aanspraak met supervoorrang toe met betrekking tot verzekeringspenningen (art. IX.-2:306 DCFR jo. art. IX.-4:105 DCFR).2 Een hobbel die men in een zodanig geval wel zou moeten nemen, is dat de koper ondanks het feit dat hij nog geen eigenaar is van de verkochte zaak, wel het volledige eigenaarsbelang zou kunnen verzekeren. Slechts dan is de verkoper daadwerkelijk geholpen met zijn met de toepasselijkheid van artikel 3:229 BW op dit geval.3
Niettemin behoeft de verkoper ondanks het ontbreken van een met artikel 3:229 BW vergelijkbare bepaling voor het eigendomsvoorbehoud niet met lege handen te staan indien de verkochte zaak beschadigd raakt of tenietgaat. Indien een kostbare zaak onder eigendomsvoorbehoud wordt overgedragen, doet de verkoper er goed aan de koper te verplichten om een verzekering af te sluiten voor de desbetreffende zaak. Er kan immers slechts een vordering op de verzekeraar ontstaan, ten aanzien waarvan de verkoper rechten geldend zal willen maken, indien de zaak verzekerd is. Een dergelijke verplichting komt dan ook geregeld voor in koopovereenkomsten met een eigendomsvoorbehoud.4 Als de verkoper een dergelijke verzekeringsplicht oplegt, is het aanbevelenswaardig om te bedingen dat de koper de verkochte zaak (mede) ten behoeve van de verkoper verzekert. Als gevolg daarvan is ook het belang van de verkoper bij behoud van de zaak verzekerd. Aldus wordt bewerkstelligd dat de verkoper een zelfstandig recht krijgt op uitkering jegens de verzekeraar, indien het verzekerde risico zich verwezenlijkt.5 Niet altijd is daarvoor noodzakelijk dat uitdrukkelijk ook het belang van de verkoper wordt meeverzekerd. Ook denkbaar is dat reeds uit de omstandigheid dat de koper – al dan niet uit zichzelf – een verzekering afsluit voor het eigenaarsbelang moet worden afgeleid dat de verzekering (mede) het belang van de verkoper dekt, omdat laatstgenoemde tot vervulling van de voorwaarde eigenaar blijft van de verkochte zaak, in het bijzonder wanneer de premie is afgestemd op het eigenaarsbelang en het voor de verzekeraar in wezen onverschillig is aan wie moet worden uitgekeerd.6 In de verzekering van het eigenaarsbelang ligt dan een afwijking van artikel 7:946 BW besloten. Bovendien bieden sommige polissen ook automatisch dekking voor zaken die aan anderen toebehoren, zodat niet nodig is dat uitdrukkelijk ook het belang van de verkoper wordt meeverzekerd.7 In al deze gevallen dekt de verzekering die de koper heeft afgesloten niet alleen het belang van de koper, maar ook het belang van de verkoper bij behoud van de zaak.
Op het eerste gezicht zou men kunnen betwijfelen of de verkoper wel een verzekerbaar belang bij de verkochte zaak heeft. Aangezien het risico van de zaak vanaf de aflevering voor de koper is (art. 7:10 lid 1 BW),8 blijft de koper ook na beschadiging of tenietgaan van de zaak gehouden de verschuldigde tegenprestatie te voldoen. Daarmee lijkt de vermogenspositie van de verkoper niet te worden getroffen door het onzekere voorval, waarvoor de verzekering dekking biedt. Toch is dat niet het geval. Het eigendomsvoorbehoud en de voorbehouden eigendom beschermen de verkoper tegen de risico’s van niet-betaling door de koper. Indien de koper de verschuldigde tegenprestatie niet voldoet, kan de verkoper de koopovereenkomst ontbinden en de verkochte zaak terugnemen. Omdat de verkoper zijn eigendomsrecht heeft behouden, is de ongedaanmaking op goederenrechtelijke wijze gegarandeerd, doordat hij de zaak als eigenaar kan opvorderen. Als de verkochte zaak tenietgaat, verliest de verkoper weliswaar niet de mogelijkheid om de koper tot betaling aan te spreken, maar wel de gegarandeerde mogelijkheid om de ongedaanmaking af te dwingen door middel van zijn revindicatievordering. Het verzekerbaar belang van de verkoper is derhalve gelegen in de omstandigheid dat hij wil kunnen teruggrijpen op de verkochte zaak, indien de koper niet in staat blijkt de verschuldigde tegenprestatie te voldoen.9 Dit belang is afdoende om als verzekerbaar belang te kwalificeren, mede gelet op de soepele invulling die in de literatuur en rechtspraak aan dit begrip wordt gegeven.10 Het verzekerbaar belang van de koper is gelegen in zijn belang bij behoud van de zaak, omdat hij eigenaar wordt c.q. zou worden als hij de verschuldigde tegenprestatie voldoet, terwijl zijn belang bovendien voortvloeit uit de omstandigheid dat hij op grond van artikel 7:10 BW het risico draagt voor beschadiging of tenietgaan van de verkochte zaak.11
Het voorgaande stemt grotendeels overeen met het Duitse en het Oostenrijkse recht. In de Oostenrijkse rechtspraak wordt aangenomen dat bij een zaakverzekering als uitgangspunt het eigenaarsbelang is verzekerd. Bij het eigendomsvoorbehoud wordt hieruit afgeleid dat het belang van de verkoper is verzekerd, indien de koper een zaakverzekering afsluit voor de verkochte zaak, omdat het de verzekeraar in het algemeen om het even is wiens belang wordt verzekerd. Er wordt derhalve uitgegaan van een stilzwijgende verzekering ten behoeve van een derde.12 In de literatuur wordt terecht opgemerkt dat hiermee wel wordt miskend dat de verkoper nog slechts een beperkt eigenaarsbelang heeft en ook de koper reeds een belang heeft bij de zaak.13 Overtuigender is dan ook de oplossing van het Duitse recht, waar op grond van een redelijke uitleg van de verzekeringsovereenkomst wordt aangenomen dat wanneer de koper een verzekering afsluit, niet alleen zijn belang, maar eveneens het belang van de verkoper is meeverzekerd, ook als dit niet met zoveel woorden in de verzekeringsovereenkomst tot uitdrukking komt.14 Daarmee heeft zich de Theorie vom mitverischerten Fremdinteresse doorgezet in de rechtspraak en de literatuur, die is ingegeven door de gedachte dat de zaakverzekering ertoe strekt een bepaald belang met betrekking tot de zaak te verzekeren en dat het tegen die achtergrond het meest doelmatig is om, wanneer eigendom en risico ten aanzien van de zaak niet bij dezelfde persoon berusten, aan te nemen dat zowel het belang van de eigenaar als het belang van degene die het risico loopt zijn verzekerd.15 Voor het eigendomsvoorbehoud wordt hieruit afgeleid dat zowel het belang van de verkoper alsook het belang van de koper is verzekerd. In de praktijk is bovendien in de verzekeringsvoorwaarden geregeld expliciet vermeld dat zowel het belang van de koper als van de verkoper bij een onder eigendomsvoorbehoud overgedragen zaak is verzekerd.16
Als zowel het belang van de verkoper als de koper is gedekt door een verzekering, rijst de vraag op welke wijze de uitkering van de verzekeringspenningen door de verzekeraar dient te geschieden op het moment dat het onzekere voorval zich voordoet. Het gaat daarbij om de afbakening van hun respectieve verzekerd belang en daarmee om de vraag in welke verhouding de verkoper en de koper aanspraak kunnen maken op de verzekerde som. Vanwege het feit dat het belang van de verkoper mede afhangt van de vraag of de koper na het onzekere voorval in staat is om de verschuldigde tegenprestatie te voldoen, kan dat een ingewikkelde aangelegenheid zijn. Deze vraag laat zich op vergelijkbare wijze beantwoorden als de vraag in welke verhouding verkoper en koper gerechtigd zijn tot schadevergoeding indien de verkochte zaak door een derde wordt beschadigd, zodat verwezen wordt naar de bespreking van die vraag in het volgende hoofdstuk.17