Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/4.12.6
4.12.6 Het begrip 'waarde (in het economische verkeer) van de deelneming' in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS351665:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
Belastingplan 1996, Voorstel van wet, Tweede Kamer, vergaderjaar 1995-1996, 24 463, nr. 2.
Tweede Kamer, vergaderjaar 1995-1996, 24 463, nr. 3.
Wijziging van enkele belastingwetten (belastingplan 1996), Eerste Kamer, vergaderjaar 19951996, 24 463, nr. 113.
Vergelijk in dit verband S.E. Faber en J.A.G. van der Geld, Het wetsvoorstel tegen winstdrainage en ter versterking van de fiscale infrastructuur, Weekblad 1996/6200, blz. 751. Beiden gaan ervan uit dat voor een afwaarderingverlies sprake moet zijn van een duurzame waardedaling van de deelneming. Zij voorzien grote problemen met betrekking tot het daartoe te leveren bewijs.
Tweede Kamer, vergaderjaar 1995-1996, 24 696, nr. 6.
Vergelijk: A.G. Goedkoop en S. Kloosterhof, De invloed van de verdragspositie van de gevoegde dochter op de belastingheffing van een grensoverschrijdende fiscale eenheid, FED 1997/139, blz. 511-525. Zij stellen op blz. 524, voetnoot 31: 'Het hiervoor aangehaalde art. 13ca Wet Vpb. 1969 voorziet slechts beperkt in het in aanmerking nemen van opstartverliezen. Dit zal veelal niet het geval zijn, ofwel leiden tot uitgebreide discussies. Ons inziens gaat deze bepaling niet ver genoeg. Allereerst dient er namelijk sprake te zijn van een daling van de waarde in het economische verkeer voordat deze verliezen daadwerkelijk in aanmerking kunnen worden genomen. Bij een (ingecalculeerd) opstartverlies hoeft een deelneming niet in waarde te dalen.'
Met ingang van 1 januari 1996 is in het eerste lid van art. 13ca Wet op de vennootschapsbelasting 19691 onder meer het volgende opgenomen: 1...) de waarde van die deelneming (cursivering GM) daalt beneden het opgeofferde bedrag, vindt de deelnemingsvrijstelling geen toepassing ten aanzien van het hierna omschreven verlies (afwaarderingsverlies). Het afwaarderingsverlies bestaat uit de daling van de waarde van de deelneming (cursivering GM) beneden het voor de deelneming opgeofferde bedrag — doch niet verder dan tot nihil — verminderd met de sedert de verwerving van de deelneming verkregen positieve voordelen uit hoofde van die deelneming waarop de deelnemingsvrijstelling van toepassing was, één en ander voor zover het afwaarderingsverlies nog niet in aanmerking is genomen.'
Voormelde regeling impliceert dat als aandelen in een participatiemaatschappij (die als financier van startende ondernemers optreedt) in de vorm van een deelneming worden gehouden, het afwaarderingsverlies ten laste van het resultaat kan worden gebracht en de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing is. De Memorie van Toelichting2 geeft dienaangaande in Art. X, onderdeel B slechts als commentaar: 'Ingeval in de eerste acht jaren na verwerving van een voor de zogenaamde tante Agaath-regeling kwalificerende deelneming de waarde van de deelneming beneden het opgeofferde bedrag daalt, kan de waardedaling op grond van het eerste lid van art. 13ca in beginsel ten laste van de winst worden gebracht. De deelneming kan niet verder worden afgewaardeerd dan tot op nihil. Voor zover reeds dividenden uit de deelneming zijn genoten die onder de deelnemingsvrijstelling vielen, is afwaardering niet mogelijk.'
Niet duidelijk is welk waardebegrip hiermee wordt bedoeld:
bedrijfswaarde
nettovermogenswaarde
intrinsieke waarde
rentabiliteitswaarde
rendementswaarde
waarde bepaald op basis van de DCF-methode?
Bij toepassing van het begrip bedrijfswaarde (zoals geformuleerd door de Hoge Raad) zullen zich niet gauw rechtmatige afwaarderingen voordoen tenzij er sprake is van een aperte miskoop. In dit verband moet geattendeerd worden op de omvangrijke jurisprudentie die is gewezen in het kader van de periode toen de annaal bezitseis voor de deelnemingsvrijstelling van toepassing was. Belanghebbenden slaagden er vrijwel nooit in om een miskoop van de deelneming aannemelijk te maken.
De verwarring met betrekking tot het hiervoor gehanteerde waardebegrip wordt nog groter als wij in het tweede lid van art. 13ca Wet op de vennootschapsbelasting 19693 het volgende lezen: 'Nadat het eerste lid toepassing heeft gevonden, vindt de deelnemingsvrijstelling geen toepassing ten aanzien van positieve voordelen uit hoofde van die deelneming tot een bedrag ter grootte van het afwaarderingsverlies dat op de voet van het eerste lid ten laste van de winst is gebracht en waardeert de belastingplichtige de deelneming zolang de deelnemingsvrijstelling buiten toepassing blijft, jaarlijks op de waarde in het economische verkeer doch niet lager dan nihil.' (cursivering GM). Wordt hiermee weer een ander waardebegrip geïntroduceerd4?
Bij nota van wijziging van 19 augustus 19965 is het begrip 'waarde' in het eerste lid van art. 13ca Wet Vpb. 1969 gewijzigd in 'waarde in het economische verkeer'. Deze wijziging beoogt volgens de Staatssecretaris te verduidelijken dat niet de bedrijfswaarde van de deelneming van belang is, maar dat de waarde bepalend is welke de deelneming in het economische verkeer heeft.
Het begrip waarde in het economische verkeer is in dit verband veel te ruim omdat het in wezen geen zelfstandig waardebegrip is maar afhankelijk van de situatie en zodoende steeds een andere invulling krijgt. Ik neem aan dat de staatssecretaris met de introductie van het begrip 'waarde in het economische verkeer' de indruk wil geven dat dit ruimere mogelijkheden van verliesneming biedt dan bij toepassing van het begrip `bedrijfswaarde' het geval zou zijn. Door niet de overnemingswaarde van de onderneming doch rechtstreeks de waarde in het economische verkeer van de deelneming tot uitgangspunt te nemen, zou sneller een afwaarderingsverlies kunnen worden geconstateerd.
Hier is sprake van een vorm van fiscale 'window-dressing' die maatschappelijk gezien niet aan de verwachtingen beantwoordt6. Door waardering van de deelneming op nettovermogenswaarde voor te schrijven zou fiscale transparantie tussen houdstermaatschappij en deelneming zijn bewerkstelligd. Een dergelijke waarderingsmaatstaf (nettovermogenswaarde) levert in de praktijk niet of nauwelijks discussie op. Aangezien aanloopverliezen bij een startende onderneming als normaal te kwalificeren zijn, zal de waarderingsmaatstaf 'waarde in het economische verkeer' in het kader van art. 13ca Wet Vpb. 1969 tot veel geschillen aanleiding geven. Het is de vraag of dit wetsartikel geen fiscale 'incentive' is die materiële betekenis ontbeert. Mijns inziens is dit het geval zodat art. 13ca Wet Vpb. 1969 met deze invulling van het waardebegrip beter geschrapt kan worden.