Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/4.2.3.5
4.2.3.5 Te goeder trouw een beroep op het vertrouwensbeginsel
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661531:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Happé 1996, p. 174; Smit in FED 1995/15. De relevantie van goede trouw geldt overigens ook in het algemene bestuursrecht, zie uitgebreid in Van Triet 2021, p. 183-184. Vgl. conclusie Staatsraad A-G Wattel 20 maart 2019, nr. 201802496/2/A1, punt 3.15.
HR 21 december 2012, nr. 11/04564, BNB 2013/76, r.o. 3.3.4: ‘Een beroep op gewekt vertrouwen kan niet met vrucht worden gedaan door een belastingplichtige die de inspecteur omtrent de desbetreffende kwestie onjuiste inlichtingen heeft verstrekt dan wel hem de juiste inlichtingen heeft onthouden (Vgl. HR 26 september 1979, nr. 19 250, BNB 1979/311).’ Recenter HR 10 december 2021, nr. 19/03617, BNB 2022/17, r.o. 3.3.4 (boekenonderzoek); Hof Amsterdam 15 maart 2011, nr. 09/00104, V-N 2011/25.18.11, r.o. 5 (BelastingTelefoon).
HR 6 april 1977, nr. 18 286, BNB 1977/123; hierover Happé 1996, p. 174. Recenter zie Hof Amsterdam 2011, nr. 09/00104, V-N 2011/25.18.11, r.o. 5. De goede trouw ligt tevens vervat in het niet-kenbaarheidsvereiste (paragraaf 4.3.3, 4.5.4).
HR 7 december 1994, nr. 29918, BNB 1995/36, waarin de bouwadviseur van belanghebbende aan de gemeente niet specifiek had gevraagd naar bouwgrondbelasting, terwijl de adviseur daarmee wel bekend was.
HR 10 december 2021, nr. 19/03617, BNB 2022/17, r.o. 3.3.4: ‘De inspecteur is (…) niet gebonden aan een in de rapportage van een boekenonderzoek gedane toezegging, en de belastingplichtige kan niet met succes een beroep doen op gewekt vertrouwen met betrekking tot een dergelijke toezegging, indien de belastingplichtige tijdens het boekenonderzoek de inspecteur - al of niet naar aanleiding van diens vragen om inlichtingen - over de desbetreffende kwestie onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft verstrekt dan wel de inspecteur de juiste en volledige inlichtingen daarover heeft onthouden, terwijl hij redelijkerwijs had moeten weten dat de inspecteur daardoor niet in staat was de desbetreffende kwestie goed en volledig op haar fiscale merites te beoordelen.’ De Hoge Raad verwijst hierbij naar HR 21 december 2012, nr. 11/04564, V-N 2013/2.4, r.o. 3.3.4.
Zie ook Poelmann, in: Cursus Belastingrecht FBR.4.3.3.B (bijgewerkt tot 12 december 2021).
Hof Arnhem Leeuwarden 19 januari 2021, nr. 19/00763, V-N 2021/17.24.18, r.o. 4.15.
Van kwade trouw is sprake indien de belastingplichtige de inspecteur opzettelijk onjuiste inlichtingen heeft verstrekt, of opzettelijk de juiste inlichtingen aan de inspecteur heeft onthouden (zie HR 21 april 2017, nr. 15/05278, V-N 2017/22.9; HR 11 juni 1997, nr. 32299, https://www.navigator.nl/vakstudie/WKNL_CSL_606/document/inodc80d9f6fde68bdaaeabf323bdf3c07faBNB 1997/384).
Gribnau 1997, par. 4.4.
Tot slot moet kort worden stilgestaan bij een omstandigheid die inherent onderdeel is van het vertrouwensbeginsel, namelijk dat een belastingplichtige die zich met succes wil beroepen op het vertrouwensbeginsel dat ‘te goeder trouw’ doet. In de fiscale jurisprudentie over het vertrouwensbeginsel ligt deze omstandigheid besloten.1 Goede trouw is niet zozeer een aparte voorwaarde in de door de Hoge Raad geformuleerde rechtsregels, maar houdt veeleer een daarin vervatte, fundamentele aanname in. Indien uit de omstandigheden blijkt dat die aanname niet overeenstemt met de werkelijkheid, kan de belastingplichtige zich niet met succes op gewekt vertrouwen beroepen. De goede trouw van de belastingplichtige is dus een uitgangspunt dat wordt verlaten indien van goede trouw geen sprake blijkt.
Volgens de Hoge Raad staat de afwezigheid van goede trouw aan de zijde van de belastingplichtige in principe in de weg aan een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel.2 Zo kan de belastingplichtige zich niet met succes beroepen op het vertrouwensbeginsel als hij weet dat de uiting waarop hij zich beroept in strijd is met de wet.3 Dat is ook logisch, want van een oprecht gewekt vertrouwen kan dan geen sprake zijn. De belastingplichtige kan zich evenmin met succes beroepen op het vertrouwensbeginsel, indien hij beter had moeten weten, bijvoorbeeld wanneer hem een verwijt kan worden gemaakt dat hij in zijn vraagstelling niet voldoende duidelijk is geweest.4
Bovendien is een succesvol beroep op het vertrouwensbeginsel niet mogelijk indien de uiting waarop de belastingplichtige zich beroept, is gebaseerd op gebrekkige informatie die is verstrekt door de belastingplichtige zelf (of juist het achterwege blijven van relevante informatie), terwijl de belastingplichtige redelijkerwijs had moeten weten dat de inspecteur daardoor niet in staat was de kwestie zich adequaat over de kwestie uit te laten.5 Die laatste specificatie laat overigens zien dat de belastingplichtige dus (geobjectiveerd) een zeker verwijt moet kunnen worden gemaakt. Het gaat erom dat de belastingplichtige die om informatie verzoekt te goeder trouw is met de door hem verstrekte (voor)informatie en vraagstelling, althans dat hem geen verwijt kan worden gemaakt van onzorgvuldigheid.6
Verder geldt dat enkel de aanwezigheid van goede trouw nog niet voldoende is voor een succesvol beroep op het vertrouwensbeginsel.7 Daarvoor is toetsing nodig aan de relevante criteria (paragraaf 4.2.3.1).
Overigens is niet ‘te goeder trouw’ zijn juridisch niet hetzelfde als ‘te kwader trouw’8 zijn. Het begrip ‘te goeder trouw' betreft een geobjectiveerd criterium, terwijl voor ‘te kwader trouw’ subjectieve wetenschap is vereist (subjectief criterium). Dit betekent, zoals Gribnau heeft betoogd, ‘dat goede trouw en kwade trouw niet elkaars complement vormen. Degene die niet te goeder trouw is, is nog niet te kwader trouw.’9 Indien een burger zich niet te goeder trouw op voorlichting beroept, is de consequentie in zoverre (enkel) dat de belastingplichtige zich niet met succes op het vertrouwensbeginsel kan beroepen.