Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/10.4.1.3
10.4.1.3 Redengevendheid
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Dreissen 2007, p. 167.
Dit is ook te zien in het vonnis: in de opsomming van de bewijsmiddelen worden slechts korte passages opgenomen. In een promisvonnis wordt ook concreet aangegeven welke feiten uit de verklaring worden afgeleid onder verwijzing naar het paginanummer.
Minkenhof-Reijntjes 2009, § 6.4.8 en Van Dorst 2009, p. 233.
HR 16 januari 2007, NJ 2007, 71.
Zie voor kritische kanttekeningen bij deze praktijk § 12.4.1.
Zie in meer detail Nijboer 2011, § 183.
HR 14 september 1992, NJ 1993, 54 en HR 22 september 1992, NJ 1993, 55. Volgens annotator Van Veen had hij ook kunnen bepalen dat geen sprake is van een verklaring in de zin van artikel 342 lid 1 Sv omdat zij geen feiten bevat door de verklarende persoon zelf waargenomen. Zie ook HR 25 april 2006, LJN AV6192 en HR 17 november 2009, LJN BJ2767, NJ 2009, 587.
Zie HR 14 september 1992, NJ 1993, 54 m.nt. Van Veen, r.o. 7.2.
HR 17 november 2009, NJ 2009, 587.
HR 23 december 2008, NJ 2009, 32.
Zoals in hoofdstuk 7 reeds aan de orde kwam, ligt in de eis dat de rechterlijke beslissing moet steunen op redengevende feiten en omstandigheden de relevantietoets besloten. Het gaat bij de redengevendheid primair omeen motiveringseis, die echter rechtstreeks invloed heeft op te gebruiken informatie voor de bewijsbeslissing. Er dient immers een logisch verband te bestaan tussen de feiten zoals die tot uitdrukking komen in het te bezigen bewijsmateriaal en de te bewijzen hypothese.1 In relatie tot verklaringen van getuigen mogen alleen die feiten en omstandigheden uit de verklaring worden gebruikt die door de rechter ook redengevend voor de bewijsbeslissing worden geacht. Dit betekent dat een getuigenverklaring niet in zijn geheel als bewijsmiddel wordt gebruikt, maar dat de rechter in zijn vonnis alleen de passages opneemt die door hem relevant worden bevonden.2 Alle overige onderdelen van de verklaring worden als niet redengevend buiten beschouwing gelaten. In dit verband wordt in de literatuur wel gesproken van splitsing van de verklaring.3 In de jurisprudentie is hieromtrent bepaald dat de betekenis van het voor het bewijs te bezigen deel van de verklaring door de (af)splitsing niet wezenlijk mag worden gewijzigd of uit zijn verband mag worden getrokken. 4 Indien dit wel het geval is, dan is sprake van ontoelaatbare denaturering. De feitenrechter hoeft ten aanzien van passages die hij heeft geselecteerd in zijn vonnis in beginsel geen nadere rekenschap af te leggen.5
Een bepaald type verklaringen wordt bij voorbaat niet redengevend geacht. Dit zijn getuigenverklaringen waarvan de rechter heeft vastgesteld dat zij een leugenachtig karakter hebben. De reden om leugenachtige verklaringen uit te sluiten voor het bewijs, is volgens de Hoge Raad daarin gelegen dat het gebruik van leugenachtige getuigenverklaringen niet strookt met het wettelijk bewijsstelsel, waarin in beginsel alleen betrouwbaar materiaal voor het bewijs kan worden gebruikt. Vanuit het streven naar een deugdelijke beslissing lijkt dit vrij evident. Betrouwbaarheid is immers een metaprincipe, zoals in het eerste hoofdstuk aan de orde kwam. Echter, een kennelijk leugenachtige verklaring van de verdachte mag wel voor het bewijs worden gebruikt. In dat geval is het niet de inhoud van zijn verklaring die bijdraagt aan het bewijs maar het gegeven dat de verdachte over een bepaalde voor het bewijs relevante kwestie heeft gelogen.6 Indien de rechter per abuis wel een als onbetrouwbaar aangemerkte verklaring als bewijsmiddel gebruikt, dan schaart de Hoge Raad dat onder het criterium van redengevendheid.7
Hoe verhoudt het begrip redengevendheid zich tot de begrippen betrouwbaarheid, relevantie en bewijswaarde uit het eerste hoofdstuk? Het begrip redengevendheid heeft betrekking op meer dan alleen de relevantie van de verklaring. Uit de jurisprudentie valt te destilleren dat ook de (potentiële) onbetrouwbaarheid van een verklaring aanleiding kan zijn om een verklaring niet redengevend te achten, zoals het geval is bij leugenachtige getuigenverklaringen. Immers, als de verklaring onbetrouwbaar is, dan kan niet worden gesproken van redengevende feiten en omstandigheden. De Hoge Raad stelt bij leugenachtige verklaringen dat daaraan ‘geen redengevende kracht’ kan worden toegekend.8 Het lijkt erop dat de Hoge Raad het begrip redengevend eerder ziet als de bewijskracht van een individueel bewijsstuk. Op het moment dat het betreffende bewijsstuk geen enkel verband houdt tot de te bewijzen hypothese of door de rechter zelf als onbetrouwbaar is bestempeld, dan kan het in de ogen van de Hoge Raad niet redengevend zijn. De Hoge Raad zal een verklaring ook niet redengevend achten indien de rechter de verklaring weliswaar niet expliciet als onbetrouwbaar heeft bestempeld, maar de inhoud van de verklaring wordt weersproken door de inhoud van de overige gebezigde bewijsmiddelen.9
Kortom, redenen om een getuigenverklaring in cassatie niet redengevend te achten, kunnen blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad gelegen zijn in: 1) de wijze waarop de getuigenverklaring als bewijsmiddel is samengevat of weergegeven, 2) de constatering dat de verklaring inconsistent is met het overige tot het bewijs gebezigde materiaal, maar ook in het feit 3) dat de feiten en omstandigheden neergelegd in de getuigenverklaring simpelweg niet toereikend zijn om (een specifiek onderdeel van) de bewezenverklaring te kunnen dragen. In dat laatste geval geldt de eis van redengevendheid niet zozeer voor de verklaring als zodanig maar voor de bewezenverklaring als geheel (althans de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen tezamen). Een voorbeeld hiervan betreft een uitspraak van de Hoge Raad van 23 december 2009.10 Het ging in deze zaak om een verdachte die opzettelijk met diens auto op zijn ex-partner (aangeefster) en hun zoontje zou hebben ingereden, vlak nadat aangeefster het kind van de achterbank van zijn auto had getrokken en ermee was weggelopen. Tot het bewijs waren gebezigd de verklaringen van aangeefster en andere getuigen, waaruit onder meer bleek dat zij de verdachte hard (vol gas) hebben zien optrekken net op het moment dat aangeefster met haar zoontje op de arm voor de auto langsliep. Het hof had opzet in de voorwaardelijke vorm bewezen geacht en dit in een nadere bewijsmotivering toegelicht. De Hoge Raad oordeelde echter dat de vaststelling van het hof dat de verdachte ‘vol gas gaf, zonder zich ervan te vergewissen waar aangeefster en D. zich op dat moment bevonden’ niet redengevend kon zijn voor het bewezen verklaarde opzet, net zo min als dat hij er ‘rekening mee had moeten houden’ dat zij zich nog in de buurt van de auto bevonden en zich nog van die auto moesten verwijderen. De Hoge Raad achtte de getuigenverklaringen – in deze vorm met deze nadere motivering – kennelijk ontoereikend om de conclusie op te baseren dat de verdachte zich bewust was van de aanmerkelijke kans dat de beide slachtoffers zich voor de auto zouden bevinden.